Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Eerste deel: Waar en geld
De rijkdom van de maatschappijen, waarin de kapitalistische productiewijze heerst, manifesteert zich als een ‘ontzaglijke opeenhoping van waren’. De afzonderlijke waar vormt de basiseenheid. Ons onderzoek begint daarom met de analyse van de waar. De waar is in de eerste plaats een buiten ons staand voorwerp, een ding dat door zijn eigenschappen de een of andere soort menselijke behoefte bevredigt. De aard van deze behoeften, of zij hun oorsprong bijvoorbeeld in de maag of in de verbeelding vinden, maakt geen verschil uit. Ieder nuttig ding, zoals ijzer, papier enz., moet uit een dubbel gezichtspunt bekeken worden, nl. naar kwaliteit en naar kwantiteit. Het is een geheel van veel eigenschappen en kan dus op verschillende manieren nuttig zijn. Het ontdekken van deze verschillende manieren en bijgevolg het verschillende gebruik dat van de dingen gemaakt kan worden, is een historische daad.
De nuttigheid van een ding maakt het tot gebruikswaarde. Maar deze nuttigheid hangt niet in de lucht. Omdat zij bepaald wordt door de eigenschappen van het warenlichaam bestaat die nuttigheid niet zonder dat warenlichaam. Het warenlichaam zelf, bijvoorbeeld ijzer, koren, tarwe of een diamant is daarom een gebruikswaarde of goed. De gebruikswaarde verwezenlijkt zich slechts in het gebruik of de consumptie. Gebruikswaarden vormen de stoffelijke inhoud van de rijkdom, wat ook de maatschappelijke vorm van de rijkdom mag zijn. In de door ons te beschouwen maatschappijvorm zijn zij tevens de stoffelijke dragers van de ruilwaarde. De ruilwaarde manifesteert zich in de eerste plaats als de kwantitatieve verhouding of de evenredigheid, waarin gebruikswaarden van de ene soort geruild worden tegen gebruikswaarden van de andere soort, een verhouding die voortdurend met tijd en plaats verandert.
We zullen twee waren nemen, bijvoorbeeld tarwe en ijzer. Wat ook hun ruilverhouding mag zijn, ze kan altijd worden weergegeven door een vergelijking waarin een gegeven hoeveelheid tarwe gelijkgesteld wordt aan de een of andere hoeveelheid ijzer. Wat heeft deze vergelijking ons te zeggen? Zij zegt ons dat in twee verschillende dingen iets gemeenschappelijks, dat even groot is, bestaat. De dingen moeten dus allebei gelijk zijn aan een derde, dat op zichzelf noch het eerste noch het tweede is. Elk van beide moet dus, voorzover het ruilwaarde is, tot dit derde te reduceren zijn.
Dit gemeenschappelijke ‘iets’ kan niet een meetkundige, natuurkundige, scheikundige of andere natuurlijke eigenschap van de waren zijn. Dergelijke eigenschappen maken slechts in zoverre aanspraak op onze belangstelling, als ze de bruikbaarheid van deze waren beïnvloeden, d.w.z. de waren tot gebruikswaarden maken. Maar de ruilverhouding van de waren wordt klaarblijkelijk juist gekenmerkt door een totaal buiten beschouwing laten van de gebruikswaarden.
Als men nu van de gebruikswaarde van de warenlichamen afziet, dan blijft alleen nog maar de eigenschap over, dat zij arbeidsproducten zijn. Maar het arbeidsproduct zelf is ook veranderd. Het is niet langer een tafel, een huis, garen of een ander nuttig ding. Al zijn natuurlijke hoedanigheden zijn uitgewist. Het is ook niet meer het product van de arbeid van een meubelmaker, van een bouwvakarbeider of van een spinner, noch van welke bepaalde productieve arbeid ook.
Met het nuttige karakter van de arbeidsproducten verdwijnt het nuttige karakter van de erin belichaamde arbeid en verdwijnen dus ook de verschillende concrete vormen van deze soorten arbeid; ze zijn niet langer verschillend, maar ze zijn allemaal gereduceerd tot gelijke menselijke arbeid, abstract menselijke arbeid.
We zullen nu het residu van de arbeidsproducten bekijken. Er is niets van overgebleven als dezelfde spookachtige realiteit, niets dan een gelei van menselijke arbeid zonder enig onderscheid, d.w.z. van besteding van menselijke arbeid zonder te letten op de vorm van zijn besteding.
Als kristallen van deze, gemeenschappelijke, maatschappelijke substantie zijn ze waarden — warenwaarden.
Een gebruikswaarde of goed heeft dus slechts een waarde omdat er abstract menselijke arbeid in belichaamd of gematerialiseerd is. Hoe kan men nu de grootte van haar waarde meten?
Door de hoeveelheid ‘waardevormende substantie’ (arbeid) die erin zit. De hoeveelheid arbeid wordt gemeten door de tijdsduur en de arbeidstijd wordt weer gemeten in bepaalde tijdseenheden, zoals uren, dagen enz.
De gezamenlijke arbeidskracht van de maatschappij, die belichaamd is in de waarden van de warenwereld geldt hier als een en dezelfde menselijke arbeidskracht, hoewel hij uit talloze individuele arbeidskrachten bestaat. Elk van deze individuele arbeidskrachten is dezelfde menselijke arbeidskracht als de andere in zoverre zij het karakter van een maatschappelijke doorsnee-arbeidskracht bezit en in zoverre zij als zo een maatschappelijke doorsnee-arbeidskracht werkt, dus voor de productie van een waar ook slechts de in doorsnee noodzakelijke of maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd nodig heeft. Maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd is de tijd, die nodig is om de een of andere gebruikswaarde bij de gemiddelde maatschappelijke graad van bekwaamheid en intensiteit van de arbeid te produceren.
Na de invoering van bv. de stoomweefstoel in Engeland was er misschien half zoveel arbeid als daarvoor nodig om een bepaalde hoeveelheid garen in stof te veranderen. De Engelse handwevers hadden voor deze omzetting inderdaad net als tevoren, dezelfde arbeidstijd nodig, maar het product van hun individueel arbeidsuur vertegenwoordigde nu nog maar een half maatschappelijk arbeidsuur en daalde daarom tot de helft van zijn vroegere waarde. Wij zien dus dat alleen de hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeid of de voor de vervaardiging van een gebruikswaarde maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd, de waardegrootte van die gebruikswaarde bepaalt. De enkele waar geldt hier zonder meer als doorsnee-exemplaar van zijn soort.
De waarde van een waar verhoudt zich tot de waarde van iedere andere waar als de arbeidstijd, die voor de productie van de ene noodzakelijk is, staat tot de arbeidstijd, die voor de productie van de andere noodzakelijk is. In het algemeen: hoe groter de productieve kracht van de arbeid is, des te kleiner is de arbeidstijd die voor het maken van een artikel nodig is, des te kleiner de hoeveelheid arbeid die erin gekristalliseerd is, des te kleiner is zijn waarde.
Omgekeerd geldt: hoe kleiner de productieve kracht van de arbeid is, des te groter is de arbeidstijd die noodzakelijk is om het artikel te maken, des te groter is zijn waarde. De waardegrootte van een waar verandert dus direct evenredig met de hoeveelheid en omgekeerd evenredig met de productieve kracht van de arbeid, die zich in de waar realiseert.
Een ding kan gebruikswaarde zijn, zonder waarde te zijn. Dit is het geval als het voor de mensen nuttig is zonder tussenkomst van arbeid. Dit geldt voor lucht, maagdelijke grond, natuurlijke weiden, in het wild groeiend hout etc. Een ding kan nuttig en product van menselijke arbeid zijn, zonder een waar te zijn. Wie door zijn product zijn eigen behoefte bevredigd, schept weliswaar gebruikswaarde maar geen waar. Om waren te produceren, moet hij niet slechts gebruikswaarde produceren, maar gebruikswaarde voor anderen, maatschappelijke gebruikswaarde. Ten slotte kan geen ding waarde zijn, zonder gebruiksvoorwerp te zijn. Als het nutteloos is, is ook de arbeid die erin zit nutteloos, telt niet als arbeid, en schept dus geen waarde.
Op het tweeslachtige karakter van de arbeid die in de waar besloten zit, is door mij het eerst kritisch gewezen.
Daar dit punt het essentiële aspect is, waar het bij het begrijpen van de politieke economie om draait, zal het hier nader belicht worden. We nemen twee waren, bijvoorbeeld een jas en 10 el linnen. Laten we aannemen dat de eerste een waarde heeft die tweemaal zo groot is als de waarde van de tweede: als 10 el linnen W is, dan is de jas 2W.
De jas is een gebruikswaarde die een bijzondere behoefte bevredigt. Om hem te maken, is een bijzondere soort productieve werkzaamheid nodig. Deze werkzaamheid wordt bepaald door haar doel, werkwijze, voorwerp, middel, resultaat. De arbeid, waarvan de nuttigheid zich aldus in de gebruikswaarde van zijn product belichaamt of wel zich zo daarin belichaamt, dat zijn product een gebruikswaarde is, noemen we kortweg nuttige arbeid. Als we de arbeid met betrekking tot zijn nuttige effect beschouwen doen we dit steeds vanuit dit gezichtspunt. Evenals jas en linnen kwalitatief verschillende gebruikswaarden zijn, zo zijn ook de soorten arbeid die hun bestaan bewerkstelligen, kwalitatief verschillend — kleermakersarbeid en weversarbeid.
In de totaliteit van de uiteenlopende gebruikswaarden of warenlichamen weerspiegelt zich een geheel van verschillende soorten nuttige arbeid, die zich onderscheiden naar genre, soort, familie, ondersoort en variëteit — een maatschappelijke verdeling van de arbeid. Deze arbeidsverdeling is een bestaansvoorwaarde voor de warenproductie, hoewel warenproductie niet omgekeerd de bestaansvoorwaarde is voor maatschappelijke arbeidsverdeling.
In een maatschappij waarvan de producten algemeen de vorm van waren aannemen, d.w.z. in een maatschappij van warenproducenten, ontwikkelt zich dit kwalitatieve onderscheid in de nuttige arbeid die onafhankelijk van elkaar als persoonlijke bezigheid van zelfstandige producenten bedreven wordt tot een complex systeem, tot een maatschappelijke verdeling van de arbeid. De gebruikswaarden jas, linnen etc., kortom de warenlichamen zijn verbindingen van twee elementen, natuurstof en arbeid. De mens kan in zijn productie niet anders te werk gaan dan de natuur zelf, d.w.z. slechts de vorm van de stof veranderen. Meer nog. In deze omvormingsarbeid wordt hij voortdurend door de natuurkrachten gesteund. Arbeid is dus niet de enige bron van de door hem geproduceerde gebruikswaarden, van de stoffelijke rijkdom. De arbeid is zijn vader, zoals William Petty zegt, en de aarde is zijn moeder. We zullen nu overgaan van de waar, in zoverre hij gebruiksvoorwerp is, tot de waren-waarde.
Volgens onze veronderstelling had de jas de dubbele waarde van het linnen. Maar dit is een kwantitatief verschil, dat ons aanvankelijk nog niet interesseert. Wij merken daarom op, dat indien de waarde van een jas tweemaal zo groot is als die van 10 el linnen, 20 el linnen dezelfde waardegrootte heeft als een jas. Als waarden zijn jas en linnen dingen van gelijke substantie, objectieve uitdrukkingen van gelijk-soortige arbeid. Maar kleren maken en weven zijn kwalitatief verschillende soorten arbeid. Hoewel kleermaken en weven productieve bezigheden zijn die kwalitatief verschillen, zijn beide productieve besteding van menselijke hersenen, spieren, zenuwen, handen etc. en in deze zin beide menselijke arbeid. Het zijn slechts twee verschillende vormen om menselijke arbeidskracht te besteden. Maar de waarde van een waar vertegenwoordigt menselijke arbeid zonder meer, besteding van menselijke arbeid in het algemeen. De eenvoudige doorsnee-arbeid zelf wisselt weliswaar in de verschillende landen en cultuurperioden van karakter, maar is in een gegeven maatschappij dezelfde. Meer gecompliceerde arbeid nu geldt als tot een hogere macht verheven of liever vermenigvuldigde eenvoudige arbeid, zodat een kleinere hoeveelheid gecompliceerde arbeid gelijk is aan een grotere hoeveelheid eenvoudige arbeid. De ervaring leert ons dat deze reductie voortdurend plaatsvindt. Al is een waar het product van gecompliceerde arbeid, zijn waarde herleidt hij tot het product van eenvoudige arbeid en vertegenwoordigt dus zelf slechts een bepaalde hoeveelheid eenvoudige arbeid. (De lezer moet opmerken dat hier niet van loon of waarde sprake is, die de arbeider voor een arbeidsdag krijgt, maar van de warenwaarde waarin zijn arbeidsdag zich belichaamt. De categorie van het arbeidsloon bestaat in dit stadium van onze uiteenzetting nog helemaal niet.)
Evenals in de waarden jas en linnen afgezien wordt van het verschil van hun gebruikswaarden, zo wordt bij de arbeid, die zich in deze waarden belichaamd afgezien van het onderscheid van zijn nuttige vormen, van het kleermaken en van het weven.
Evenals de gebruikswaarden jas en linnen verbindingen zijn van doelbewuste, productieve bezigheden met stof en garen, terwijl de waarden jas en linnen echter enkel gelijksoortige gelei-massa’s arbeid zijn, zo geldt ook de arbeid, die in deze waarden zit niet door zijn productieve betrekking tot stof en garen, maar alleen als besteding van menselijke arbeidskracht.
Jas en linnen zijn echter niet slechts waarden zonder meer, maar waarden van een bepaalde grootte en volgens onze veronderstelling is de jas tweemaal zoveel waard als 10 el linnen. Waardoor ontstaat dit verschil in waardegrootte? Dat komt omdat het linnen slechts half zoveel arbeid bevat als de jas, zodat voor de productie van de laatste tweemaal zoveel tijd besteedt moet worden als voor de productie van het eerste.
Een grotere hoeveelheid gebruikswaarde vormt op zich zelf een grotere stoffelijke rijkdom, twee jassen zijn meer dan één. Met twee jassen kan men twee mensen kleden, met één jas maar één mens, enz. Toch kan een stijgende hoeveelheid stoffelijke rijkdom samengaan met een gelijktijdige daling van zijn waardegrootte.
Deze tegengestelde beweging komt voort uit het tweeslachtige karakter van de arbeid.
Enerzijds is alle arbeid besteding van menselijke arbeidskracht in de fysiologische zin van het woord en als drager van deze eigenschap van gelijke menselijke of abstract menselijke arbeid vormt hij de warenwaarde. Aan de andere kant is alle arbeid besteding van menselijke arbeidskracht in een bijzondere vorm met een bepaald doel en als drager van deze eigenschap van concrete nuttige arbeid produceert hij gebruikswaarden. (Noot bij de 4e Duitse druk: de Engelse taal geniet het voordeel twee verschillende woorden voor deze twee verschillende aspecten van de arbeid te hebben. De arbeid die gebruikswaarden schept en kwalitatief bepaald is heet work, in tegenstelling tot labour; de arbeid die waarde schept en slechts kwantitatief gemeten wordt heet labour, in tegenstelling tot work).
Waren komen ter wereld in de vorm van gebruikswaarden of warenlichamen, zoals ijzer, linnen, tarwe enz. Dit is hun gewone, natuurlijke vorm. Ze zijn echter slechts waren omdat ze iets tweeledig zijn, gebruiksvoorwerpen en tegelijk waardedragers. Ze manifesteren zich dus slechts als waren of bezitten slechts de vorm van waren, zover ze de dubbelvorm bezitten, natuurlijke vorm en waardevorm. Zeggen we: als waarde is een waar niets meer dan een gelei van menselijke arbeid, dan reduceert onze analyse de waren tot het abstracte begrip waarde. Maar deze analyse geeft de waren geen waardevorm die afwijkt van hun natuurlijke vorm. Anders is het gesteld in de waardeverhouding van een waar tot een andere waar. Zijn waardekarakter treedt hier naar voren door zijn eigen betrekking tot de andere waar.
De eenvoudigste waardeverhouding is kennelijk de waardeverhouding van een waar tot één enkele waar van een andere soort, onverschillig welke. De waardeverhouding van twee waren levert daarom de eenvoudigste waardeuitdrukking voor een waar.
x waar A = y waar B (of) x waar A is y waar B waard.
20 el linnen = 1 jas (of) 20 el linnen is 1 jas waard.
Het geheim van elke waardevorm ligt in deze eenvoudige waardevorm. Zijn analyse vormt daarom de eigenlijke moeilijkheid.
Twee waren A en B, die wat soort betreft verschillen, in ons voorbeeld het linnen en de jas, spelen hier klaarblijkelijk twee verschillende rollen. Het linnen drukt zijn waarde uit in de jas, de jas dient als materiaal voor deze waardeuitdrukking. De eerste waar speelt een actieve, de tweede een passieve rol. De waarde van de eerste waar is voorgesteld als relatieve waarde, ofwel de waar bevindt zich in de relatieve waardevorm. De tweede waar functioneert als equivalent ofwel bevindt zich in de equivalentvorm.
Relatieve waardevorm en equivalentvorm zijn bij elkaar behorende, elkaar wederzijds bepalende, niet te scheiden momenten, maar tegelijk elkaar uitsluitende of tegenover elkaar gestelde uitersten, d.w.z. polen van dezelfde waardeuitdrukking; ze verdelen zich steeds over de verschillende waren, die door de warenuitdrukking met elkaar in verband zijn gebracht.
Of een waar zich nu in de relatieve waardevorm bevindt of in de tegenovergestelde equivalentvorm, dat hangt uitsluitend af van de plaats die hij telkens in de waardeuitdrukking inneemt, d.w.z. of hij de waar is, waarvan de waarde, ofwel de waar, waarin de waarde uitgedrukt wordt.
Inhoud van de relatieve waardevorm
In de waardeverhouding van het linnen geldt de jas als zijn kwalitatieve gelijke, als een ding van dezelfde aard omdat hij een waarde is. Hij geldt hier daarom als een ding, waarin zich waarde manifesteert of dat in zijn tastbare, natuurlijke vorm waarde voorstelt.
In de productie van de jas is inderdaad in de vorm van kleermaken, menselijke arbeidskracht besteed. Er is dus menselijke arbeidskracht in opgehoopt. Als zodanig is de jas ‘drager van waarde’, hoewel deze eigenschap er niet doorschemert, zelfs niet als hij tot op de draad versleten is. En in de waardeverhouding van het linnen geldt hij slechts als zodanig, dus als belichaamde waarde, als waardelichaam. Ondanks zijn dichtgeknoopt verschijnen heeft het linnen in hem de stamverwante, mooie waardeziel herkent. De jas kan tegenover het linnen echter geen waarde vertegenwoordigen, zonder dat voor het linnen tegelijk de waarde de vorm van een jas aanneemt. In de waardeverhouding waarin de jas het equivalent van het linnen vormt, geldt dus de jasvorm als waardevorm. De waarde van de waar linnen wordt daarom uitgedrukt in het lichaam van de waar jas. De’ waarde van de ene waar in de gebruikswaarde van de andere waar.
Als gebruikswaarde is het linnen een zinnelijk van de jas verschillend ding, als waarde is het linnen ‘jasgelijk’ en ziet er dus als een jas uit. Zo krijgt het linnen een waardevorm die verschilt van zijn natuurlijke vorm. Zijn waarde-zijn komt naar voren in zijn identiteit met de jas zoals de schaapsnatuur van de christen in zijn identiteit met het lam gods.
Men ziet, alles wat de analyse van de warenwaarde ons eerder gezegd heeft, zegt het linnen zelf, zodra het in relatie met een andere waar, de jas, treedt. Nu verraadt het zijn gedachten in de enige taal die voor hem toegankelijk is, in de warentaal. Om te zeggen dat zijn eigen waarde gevormd wordt door arbeid in de abstracte hoedanigheid van menselijke arbeid, zegt het linnen dat de jas, in zover hij als gelijke van hem geldt, dus waarde is, uit dezelfde arbeid bestaat als het linnen. Om te zeggen dat zijn sublieme waardehoedanigheid verschilt van zijn stijflinnen lichaam, zegt het linnen, dat waarde eruit ziet als een jas en het zelf daarom als waardeding op een jas gelijkt, zoals het ene ei op het andere.
Kwantitatieve bepaaldheid van de relatieve waardevorm
De vergelijking ‘20 el linnen = 1 jas of 20 el linnen is 1 jas waard’ vooronderstelt, dat in 1 jas evenveel waardesubstantie steekt als in 20 el linnen, dat beide warenhoeveelheden dus evenveel arbeid kosten of even grote arbeidstijd. De voor de productie van 20 el linnen of 1 jas noodzakelijke arbeidstijd verandert echter met iedere verandering in de productieve kracht van het weven of het kleermaken. De invloed van zo’n verandering op de relatieve uitdrukking van de waardegrootte moet nu nader onderzocht worden.
De relatieve waarde van een waar kan veranderen hoewel zijn waarde constant blijft. Zijn relatieve waarde kan constant blijven, hoewel zijn waarde verandert en tenslotte hoeven gelijktijdige verandering in zijn waardegrootte en in de relatieve uitdrukking van deze waardegrootte elkaar helemaal niet te dekken.
De equivalentvorm van een waar is de vorm, waarin hij onmiddellijk ruilbaar is met een andere waar.
De eerste eigenaardigheid, die bij het bekijken van de equivalentvorm opvalt is de volgende: gebruikswaarde wordt tot verschijningsvorm van haar tegendeel, van de waarde.
De stoffelijke vorm van de waar wordt tot waardevorm.
Een tweede eigenaardigheid van de equivalentvorm is dat concrete arbeid tot verschijningsvorm wordt van zijn tegendeel, abstract menselijke arbeid.
Een derde eigenaardigheid van de equivalentvorm is dat persoonlijke arbeid tot vorm van zijn tegendeel wordt: tot arbeid in direct maatschappelijke vorm.
De eenvoudige waardevorm van een waar is vervat in zijn waardeverhouding tot een andersoortige waar of in de ruilverhouding met deze. De waarde van waar A wordt kwalitatief uitgedrukt door de directe ruilbaarheid van de waar B met de waar A. Zij wordt kwantitatief uitgedrukt door de ruilbaarheid van een bepaalde hoeveelheid van de waar B met de gegeven hoeveelheid van de waar A. Met andere woorden: de waarde van een waar is zelfstandig uitgedrukt door haar voorstelling als ‘ruilwaarde’. Als in het begin van het hoofdstuk op algemeen gebruikelijke manier gezegd is: de waar is gebruikswaarde en ruilwaarde, dan was dit nauwkeurig beschouwd verkeerd. De waar is gebruikswaarde of gebruiksvoorwerp en ‘waarde’. Hij manifesteert zich als dit dubbele van wat hij is zodra zijn waarde een eigen van zijn natuurlijke vorm verschillende verschijningsvorm bezit. Die van de ruilwaarde. En hij bezit die vorm nooit geïsoleerd, maar steeds alleen in de waarde- of ruilverhouding tot een tweede waar van een andere soort. Als men dat echter eenmaal weet, dan doet deze spreekwijze geen kwaad, maar is slechts korter.
De in de waar bestaande innerlijke tegenstelling van gebruikswaarde en waarde wordt dus gemanifesteerd door een uiterlijke tegenstelling, d.w.z. door de verhouding van twee waren, waarin de ene waar, waarvan de waarde moet worden uitgedrukt, direct slechts als gebruikswaarde geldt. De andere waar echter, waarin waarde uitgedrukt wordt geldt slechts direct als ruilwaarde. De eenvoudige waardevorm van een waar is dus de eenvoudige verschijningsvorm van de in de waar liggende tegenstelling van gebruikswaarde en waarde. Intussen gaat de eenvoudige waardevorm vanzelf in een vollediger vorm over. Naarmate een waar met deze of gene andere warensoort in een waardeverhouding treedt, ontstaan verschillende eenvoudige waardeuitdrukkingen van een en dezelfde waar. Het aantal mogelijke waardeuitdrukkingen is slechts beperkt door het aantal warensoorten dat van hem verschilt. Zijn enkele waardeuitdrukking verandert dus in de steeds verlengbare rij van zijn verschillende eenvoudige waardeuitdrukkingen.
z waar A = u waar B (of) = v waar C (of) = w waar D (of) = x waar E (of) = etc. etc.
20 el linnen = 1 jas (of) = 10 pond thee (of) = 40 pond koffie (of) =1 quarter tarwe (of) = 2 ons goud (of) = 1/2 ton ijzer (of) = etc. etc.
Door zijn waardevorm staat het linnen nu niet meer in een maatschappelijke verhouding tot één enkele warensoort, maar tot de gehele warenwereld. Als waar is het een burger van deze wereld. Tegelijk ligt in de eindeloze rij van zijn uitdrukkingen besloten, dat het de warenwaarde om het even is in welke bijzondere vorm van de gebruikswaarde zij zich manifesteert. In de eerste vorm ‘20 el linnen = 1 jas’ kan het een toevallige omstandigheid zijn, dat deze twee waren in een bepaalde kwantitatieve verhouding ruilbaar zijn. In de tweede vorm bemerkt men echter direct een bepaalde achtergrond die deze vorm bepaalt en die wezenlijk anders is dan een toevallige verschijning.
Ten eerste is de relatieve waardeuitdrukking van de waar niet af, omdat de rij van zijn termen nooit afgesloten is. Ten tweede vormt ze een bont mozaïek van uiteenvallende en in hun soort verschillende waardeuitdrukkingen.
Als tenslotte, wat onvermijdelijk is, de relatieve waarde van iedere waar in deze ontwikkelde vorm uitgedrukt wordt dan is de relatieve waardevorm van iedere waar een eindeloze reeks van waardeuitdrukkingen, die verschilt van de relatieve waardevorm van iedere andere waar. Het gebrek van de relatieve waardevorm weerspiegelt zich in de equivalentvorm, die eraan beantwoordt. De toevallige verhouding tussen twee individuele warenbezitters valt weg. Het is duidelijk, dat niet de ruil de waardegrootte van de waar regelt, maar dat omgekeerd de waardegrootte van de waar zijn ruilverhouding regelt.
Als een man zijn linnen tegen vele andere waren ruilt en dus zijn waarde in een reeks andere waren uitdrukt, moeten noodgedwongen ook de vele andere warenbezitters hun waren met linnen ruilen en dus de waarden van hun verschillende waren in dezelfde derde waar uitdrukken. Aldus krijgen we de algemene waardevorm.
1 jas 10 pond thee 40 pond koffie 1 quarter tarwe = 20 el linnen 2 ons goud 1/2 ton ijzer x waar A., etc.
De waren stellen hun waarden nu eenvoudig voor, omdat ze het doen in één enkele waar en uniform, omdat ze het in dezelfde waar doen. Hun waardevorm is eenvoudig en gemeenschappelijk, daarom algemeen.
Als gelijk aan linnen, is de waarde van iedere waar nu niet alleen van zijn eigen gebruikswaarde onderscheiden, maar van alle gebruikswaarde en juist daardoor is de waarde uitgedrukt als iets wat ze met alle waren gemeen heeft. Deze vorm brengt dus pas de waren als waarden met elkaar in betrekking en laat ze wederkerig voor elkaar als ruilwaarde optreden.
De algemene waardevorm van de waar, die de arbeidsproducten als een gelei zonder meer van ongedifferentieerde menselijke arbeid uitdrukt, toont door zijn eigen structuur dat hij de maatschappelijke uitdrukking van de warenwereld is. Aldus openbaart hij dat binnen deze wereld het algemeen menselijke karakter van de arbeid zijn specifiek maatschappelijk karakter vormt.
De ontwikkelingsgraad van de relatieve waardevorm komt overeen met de ontwikkelingsgraad van de equivalentvorm. Maar, dat mogen we niet vergeten, de ontwikkeling van de equivalentvorm is slechts de uitdrukking en het resultaat van de ontwikkeling van de relatieve waardevorm.
Een waar, het linnen, bevindt zich in de vorm van direct ruilbaar te zijn met alle andere waren of wel in direct maatschappelijke vorm, omdat en in zover alle andere waren zich niet in die vorm bevinden. Omgekeerd is de waar, die als algemeen equivalent figureert, uitgesloten uit de uniforme en daarom algemene relatieve waardevorm van de warenwereld.
De specifieke warensoort, met wiens natuurlijke vorm de equivalentvorm maatschappelijk vergroeit, wordt tot geldwaar of functioneert als geld. Het wordt zijn specifieke maatschappelijke functie en daarom zijn maatschappelijk monopolie, binnen de warenwereld de rol van het algemeen equivalent te spelen.
Deze waar is het goud.
Aldus krijgen we de geldvorm.
20 el linnen 1 jas 10 pond thee 40 pond koffie 1 quarter tarwe = 2 ons goud 1/2 ton ijzer x waar A.
Goud treedt tegenover de andere waren alleen maar als geld op omdat het voordien reeds als waar tegenover ze stond. Evenals alle andere waren functioneert het ook als equivalent hetzij als toevallig equivalent in op zichzelf staande ruiltransacties, hetzij als bijzonder equivalent naast andere warenequivalenten. Meer en meer functioneert het in kleinere of grotere kring als algemeen equivalent. Zodra het het monopolie van deze plaats in de waardeuitdrukking van de warenwereld veroverd heeft, wordt het geldwaar en pas vanaf het ogenblik dat het reeds geldwaar geworden is onderscheidt de vierde vorm zich van de derde vorm ofwel: vanaf dat moment is de algemene waardevorm veranderd in geldvorm.
Een waar lijkt op het eerste gezicht een gemakkelijk te begrijpen alledaags ding. Maar een analyse ervan bewijst dat het een erg doortrapt ding is, vol met metafysische spitsvondigheid en theologische grillen.
In zoverre waar gebruikswaarde is, is er niets geheimzinnigs aan. Of ik hem nu beschouw vanuit het gezichtspunt dat hij door zijn eigenschappen menselijke behoeften bevredigt of wel dat hij deze eigenschappen pas als product van menselijke arbeid verkrijgt. Het is volkomen duidelijk dat de mens door zijn werkzaamheid de vorm van de natuurstof op een voor hem nuttige wijze verandert. De vorm van het hout bv. wordt veranderd als men er een tafel van maakt. Niettemin blijft de tafel hout, een gewoon natuurlijk ding. Maar zodra hij als waar optreedt, verandert hij in een natuurlijk bovennatuurlijk ding.
Het geheimzinnige karakter van de waar komt dus niet uit zijn gebruikswaarde voort. Het komt evenmin voort uit de inhoud van de waardebepalingen. Waaruit komt het raadselachtige karakter van de arbeidsproducten dan voort, zodra ze de warenvorm aannemen?
Het geheimzinnige van de warenvorm bestaat enkel daarin dat hij voor de mensen het maatschappelijke karakter van hun eigen arbeid weerspiegelt als het zakelijke karakter van de arbeidsproducten zelf, als maatschappelijke natuureigenschappen van de dingen, dus ook de maatschappelijke verhouding van de producenten tot de totale arbeid weerspiegelt als een buiten hen om bestaande maatschappelijke verhouding van voorwerpen. Door dit quid pro quo (verwisseling van zaken en personen) worden de arbeidsproducten waren, natuurlijke bovennatuurlijke of maatschappelijke dingen. Het is slechts de gegeven maatschappelijke verhouding van de mensen zelf, die hier voor hen de fantasmagorische vorm van een verhouding van dingen aanneemt. Om daarvoor een analogie te vinden moeten we naar het schimmenrijk van de religieuze wereld vluchten. Daar lijken de producten van het menselijk brein zelfstandige gedaanten, die met een eigen leven begaafd zijn en die onderling en met de mensen in verbinding staan. En zo is het in de warenwereld gesteld met de producten die door mensenhanden gemaakt zijn. Dat noem ik het fetisjisme, dat aan de arbeidsproducten kleeft zodra ze als waren geproduceerd worden en dat dus onafscheidelijk met de warenproductie verbonden is.
Dit fetisjkarakter van de warenwereld komt voort, zoals de voorafgaande analyse aangetoond heeft, uit het bijzondere maatschappelijke karakter van de arbeid die waren produceert. Gebruiksvoorwerpen worden trouwens alleen maar waren, omdat ze producten van onafhankelijk van elkaar bedreven persoonlijke arbeid zijn. Het complex van al deze persoonlijke arbeid vormt de maatschappelijke totaalarbeid. Omdat de producenten pas door de ruil van hun arbeidsproducten in maatschappelijk contact treden manifesteert het specifiek maatschappelijk karakter van hun persoonlijke arbeid zich ook pas binnen de ruil. Ofwel, de persoonlijke arbeid is in feite pas als onderdeel van de maatschappelijke arbeid werkzaam door de betrekkingen waarin de ruil de arbeidsproducten — en door middel van die arbeidsproducten de producenten — plaatst. Voor de laatsten manifesteren de maatschappelijke betrekkingen van hun persoonlijke arbeid zich dus als wat ze zijn, d.w.z. niet als directe maatschappelijke verhoudingen van personen in hun arbeid zelf, maar veel meer als zakelijke verhoudingen van personen en maatschappelijke verhoudingen van zaken. Pas in hun ruil krijgen de arbeidsproducten een maatschappelijk gelijke waarderealiteit, die gescheiden is van hun stoffelijk verschillende gebruiksrealiteit.
Vanaf dit moment krijgt de persoonlijke arbeid van de producenten werkelijk een dubbel maatschappelijk karakter. Hij moet aan de ene kant als bepaalde nuttige arbeid een bepaalde maatschappelijke behoefte bevredigen en zich zo waarmaken als onderdeel van de totaalarbeid, van het uit de natuur voortgekomen systeem van de maatschappelijke arbeidsverdeling. Hij bevredigt aan de andere kant slechts de veelvuldige behoeften van zijn producenten in zover iedere bijzondere, nuttige, persoonlijke arbeid te ruilen is met een andere nuttige soort persoonlijke arbeid en dus geldt als gelijke van deze arbeid. De gelijkheid toto coelo (volledig) van verschillende soorten arbeid kan slechts in een afzien van hun werkelijke ongelijkheid bestaan, in de reductie op het gemeenschappelijke karakter, dat ze als besteding van menselijke arbeidskracht als abstract menselijke arbeid bezitten. De hersenen van de persoonlijke producenten weerspiegelen dit dubbele maatschappelijke karakter van hun persoonlijke arbeid in de vormen die in het praktische verkeer, in de productenruil, verschijnen — het maatschappelijke nuttige karakter van hun persoonlijke arbeid dus in die vorm, dat het arbeidsproduct nuttig moet zijn, en wel voor anderen — en het maatschappelijke karakter van de gelijkheid van de veelsoortige vormen van arbeid in de vorm van het gemeenschappelijke waardekarakter van deze materieel verschillende dingen, van de arbeidsproducten.
De mensen brengen dus hun arbeidsproducten niet als waarden met elkaar in betrekking, omdat deze zaken voor hen slechts als zakelijke omhulsels van gelijksoortige menselijke arbeid gelden. Omgekeerd, indien ze hun producten van verschillende soorten in de ruil als waarden aan elkaar gelijkstellen, stellen ze hun verschillende soorten arbeid als menselijke arbeid aan elkaar gelijk. Ze weten dat niet, maar ze doen het.
Het staat de waarde dus niet op haar voorhoofd geschreven wat zij is. De waarde verandert veeleer ieder arbeidsproduct in een maatschappelijk hiëroglief. Later proberen de mensen de betekenis van de hiëroglief te ontcijferen, achter het geheim van hun eigen maatschappelijk product te komen, want de bestemming van de gebruiksvoorwerpen als waarden is even goed hun maatschappelijk product als hun taal. De recente wetenschappelijke ontdekking dat de arbeidsproducten, zover ze waarden zijn, slechts zakelijke uitdrukkingen zijn van de in hun productie bestede menselijke arbeid, luidt een nieuw tijdvak in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid in, maar verdrijft geenszins de materiële schijn van het maatschappelijk karakter van de arbeid.
De bepaling van de waardegrootte door de arbeidstijd is een geheim, verborgen onder de zich manifesterende bewegingen van de relatieve warenwaarde. De ontdekking van dat geheim heft de schijn van de louter toevallige bepaling van de waardegrootte van de arbeidsproducten op, maar niet de zakelijke vorm van deze bepaling. Als ik zeg jas, laarzen etc. staan in betrekking tot linnen als de algemene belichaming van abstract menselijke arbeid, dan springt de dwaasheid van deze uitdrukking in het oog. Maar wanneer de producenten van jas, laarzen etc. deze waren op linnen — of op goud en zilver, wat niets aan de zaak verandert — als algemeen equivalent betrekken, dan manifesteert de verhouding van persoonlijke arbeid tot de maatschappelijke totaalarbeid zich voor hen juist in deze dwaze vorm. Dergelijke vormen zijn juist de categorieën van de burgerlijke economie. Het zijn maatschappelijk geldige, dus objectieve gedachtenvormen voor de productieverhoudingen van deze historisch bepaalde maatschappelijke productiewijze, de warenproductie. Alle mystiek van de warenwereld, alle tovenarij en spokerij, die de arbeidsproducten op grondslag van de warenproductie omnevelen, verdwijnen dus direct als we naar andere productievormen vluchten. Als de waren zelf spreken konden, zouden ze zeggen: onze gebruikswaarde kan iets zijn wat de mensen interesseert. Bij ons als ding past geen gebruikswaarde. Wat bij ons als ding past, dat is onze waarde. Onze eigen betrekkingen als warendingen bewijzen dat. We staan slechts als ruilwaarden met elkaar in betrekking.
Het is een zonderlinge omstandigheid dat de gebruikswaarde van de dingen zich voor de mensen zonder ruil realiseert, dus in de directe verhouding tussen ding en mens, en zijn waarde omgekeerd zich alleen maar in de ruil, d.w.z. in een maatschappelijk proces realiseert. Wie herinnert zich hier niet de brave Dogberry die aan de nachtwaker Seacoal de les geeft: “Een knap uitziende man te zijn is een gave van het geluk, maar lezen en schrijven te kunnen heeft men van nature”.