Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Vierde deel: De productie van de relatieve meerwaarde


X. Het begrip relatieve meerwaarde

Tot nu toe hebben we het deel van de arbeidsdag dat slechts een equivalent produceert voor de door het kapitaal betaalde waarde van de arbeidskracht, als een constante grootheid beschouwd. Dat is het inderdaad onder bepaalde productievoorwaarden en op een bepaalde economische ontwikkelingstrap van de maatschappij. Was de noodzakelijke arbeidstijd constant, daartegenover was de totale arbeidsdag variabel. We veronderstellen nu een arbeidsdag waarvan de lengte en de verdeling in noodzakelijke arbeid en meerarbeid gegeven is.

De lijn ABC stelt bijvoorbeeld een arbeidsdag van 12 uur voor, waarvan het stuc AB 10 uur noodzakelijke arbeid en het stuk BC 2 uur meerarbeid is. Hoe kan nu de meerwaarde vergroot worden (d.w.z. de meerarbeid verlengd) zonder verdere of onafhankelijk van verdere verlenging van AC?

Ondanks de gegeven grenzen van de arbeidsdag AC blijkt BC te kunnen worden verlengd door verschuiving van zijn beginpunt B in de richting van A. Laten we aannemen dat op de nieuwe lijn AB'BC het stuc B'B de helft is van BC of gelijk aan 1 arbeidsuur.

Deze uitbreiding van de meerarbeid van BC tot B'C, van 2 tot 3 uur, is echter kennelijk onmogelijk zonder inkrimping tegelijkertijd van de noodzakelijke arbeid van AB tot AB’, van 10 tot 9 uur. Niet de lengte van de arbeidsdag zou veranderd zijn maar de verdeling van de arbeidsdag in noodzakelijke en meerarbeid.

Bij een gegeven lengte van de arbeidsdag moet de verlenging van de meerarbeid uit de verkorting van de noodzakelijke arbeidstijd voortkomen. Een dergelijke daling van de waarde van de arbeidskracht met 1/10 veronderstelt echter dat de hoeveelheid bestaansmiddelen die vroeger in 10 uur werd geproduceerd nu in 9 uur wordt bereikt. Dat is echter onmogelijk zonder een verhoging van de productiviteit van de arbeid. Onder verhoging van de productiviteit van de arbeid verstaan we hier in het algemeen een verandering in het arbeidsproces waardoor de voor de productie van een waar maatschappelijk vereiste arbeidstijd verkort wordt. Waardoor dus een kleinere hoeveelheid arbeid de kracht krijgt een grotere hoeveelheid gebruikswaarde te produceren.

Het kapitaal moet de technische en maatschappelijke voorwaarden van het arbeidsproces veranderen. Dus moet de productiewijze zelf veranderen om de productiviteit van de arbeid te verhogen en om daardoor de waarde van de arbeidskracht te verlagen en zo het noodzakelijke deel van de arbeidsdag te verkorten dat nodig is voor de reproductie van deze waarde van de arbeidskracht.

De meerwaarde die geproduceerd wordt door de verlenging van de arbeidsdag noem ik absolute meerwaarde. De meerwaarde echter die voortkomt uit de verkorting van de noodzakelijke arbeidstijd en de overeenkomstige verandering in de kwantitatieve verhouding van beide bestanddelen van de arbeidsdag noem ik relatieve meerwaarde.

De kapitalist die de verbeterde manier van produceren toepast eigent zich dus een groter deel van de arbeidsdag voor de meerarbeid toe dan de overige kapitalisten in dezelfde bedrijfstak. Aan de andere kant verdwijnt deze extra meerwaarde zodra de nieuwe manier van produceren zich veralgemeent en daarmee het verschil tussen de individuele waarde van de goedkoper geproduceerde waren en hun maatschappelijke waarde verdwijnt.

Dezelfde wet van de waardebepaling door de arbeidstijd die de kapitalist met de nieuwe methode ertoe dreef zijn waren onder hun maatschappelijke waarde te verkopen, drijft zijn concurrenten ertoe als dwangwet van de concurrentie tot invoering van de nieuwe manier van produceren over te gaan.

De algemene meerwaardevoet wordt dus tenslotte alleen door het gehele proces beïnvloedt wanneer de verhoging van de productiviteit van de arbeid productietakken betreft (dus waren goedkoper gemaakt heeft) die behoren tot de noodzakelijke bestaansmiddelen, die dus elementen van de waarde van de arbeidskracht vormen.

De waarde van de waren is omgekeerd evenredig met de productiviteit van de arbeid. Dit geldt ook voor de waarde van de arbeidskracht, want zij is door de warenwaarde bepaald. Daarentegen is de relatieve meerwaarde recht evenredig met de productiviteit van de arbeid. Zij stijgt bij een stijgende en daalt bij een dalende productiviteit van de arbeid. Wanneer de afzonderlijke kapitalist door verhoging van de productieve kracht van de arbeid bv. hemden goedkoper maakt, is het helemaal niet noodzakelijk dat hem het doel voor ogen zweeft de waarde van de arbeidskracht en dus de noodzakelijke arbeidstijd te doen dalen. Slechts in zoverre hij uiteindelijk tot dit resultaat bijdraagt, draagt hij bij tot de verhoging van de algemene meerwaardevoet.