Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Vierde deel: De productie van de relatieve meerwaarde


XI. Coöperatie

Het werken van een groot aantal arbeiders tegelijkertijd in dezelfde ruimte (of zo men wil op hetzelfde arbeidsterrein) voor de productie van dezelfde soort waren, onder commando van dezelfde kapitalist, vormt historisch en theoretisch het uitgangspunt van de kapitalistische productie.

De vorm van arbeid van veel personen, die in hetzelfde productieproces of in verschillende maar samenhangende productieprocessen volgens een plan naast en met elkaar werken, heet coöperatie.

In iedere industrietak wijkt de individuele arbeider Jan, Piet of Klaas min of meer af van de gemiddelde arbeider. Deze individuele afwijkingen, die men in de wiskunde ‘fouten’ noemt, compenseren elkaar en verdwijnen zodra men een groot aantal arbeiders bij elkaar neemt.

Ook bij gelijkblijvende arbeidswijze bewerkt het gelijktijdige gebruik van een groot aantal arbeiders een revolutie in de materiële voorwaarden van het arbeidsproces. De gebouwen waarin veel arbeiders werken (opslagplaatsen voor grondstoffen, vaten, instrumenten, apparaten enz.) die veel mensen gelijktijdig of afwisselend gebruiken, kortom een deel van de productiemiddelen wordt nu gemeenschappelijk in het arbeidsproces geconsumeerd. Aan de ene kant wordt de ruilwaarde van waren, dus ook productiemiddelen, volstrekt niet verhoogd, door welke verhoogde uitbuiting van hun gebruikswaarde dan ook. Anderzijds neemt de omvang van de gemeenschappelijk gebruikte productiemiddelen toe. Een ruimte waarin 20 wevers met hun 20 weefgetouwen werken moet groter zijn dan de kamer van een onafhankelijke wever met twee gezellen. Maar de productie van een werkplaats voor 20 personen kost minder arbeid dan die van 10 werkplaatsen voor ieder twee personen en zo groeit algemeen de waarde van in groten getale geconcentreerde en gemeenschappelijke productiemiddelen niet in verhouding met hun omvang en hun nuttig effect. Gemeenschappelijk gebruikte productiemiddelen geven een kleiner waardebestanddeel aan het enkele product af, deels omdat de gezamenlijke waarde die ze afgeven zich gelijktijdig over een grotere hoeveelheid producten verdeelt, deels omdat zij in vergelijking met de afzonderlijk gebruikte productiemiddelen weliswaar met een absoluut grotere, maar gezien hun arbeidsterrein met een relatief kleinere waarde in het productieproces intreden. Hierdoor daalt een waardebestanddeel van het constante kapitaal en daarmee in verhouding tot de grootte van het constante kapitaal ook de totaalwaarde van de waar. De uitwerking is dezelfde als wanneer de productiemiddelen van de waar goedkoper geproduceerd werden.

Deze besparing in het gebruik van de productiemiddelen komt slechts voort uit hun gemeenschappelijk gebruik in het arbeidsproces van velen. En de productiemiddelen krijgen dit karakter als voorwaarden van maatschappelijke arbeid of maatschappelijke voorwaarden van de arbeid ter onderscheiding van de versnipperde en relatief dure productiemiddelen van afzonderlijke zelfstandige arbeiders of kleine meesters, zelfs in het geval dat vele mensen alleen maar in dezelfde ruimte werken en niet samenwerken. Een deel van de arbeidsmiddelen krijgt dit maatschappelijke karakter voordat het arbeidsproces zelf dit karakter verkrijgt.

Evenals de aanvalskracht van een eskadron cavalerie of het weerstandsvermogen van een regiment infanterie in wezen verschilt van de som van de door iedere cavalerist en infanterist afzonderlijk ontwikkelde aanvals- of weerstandskracht, zo is er ook een verschil tussen de som van de mechanische krachten van de afzonderlijke arbeiders en het maatschappelijke vermogen dat zich ontwikkelt als vele handen gelijktijdig tot één en dezelfde verrichting samenwerken, bv. als het erom gaat een zware vracht op te tillen, een zwengel te draaien of een hindernis uit de weg te ruimen. Het gaat hier niet om een verhoging van de individuele productieve kracht door de coöperatie, maar om het scheppen van een productieve kracht die als zodanig een massakracht moet zijn.

Afgezien van het nieuwe vermogen dat uit de samensmelting van vele krachten tot een totaalkracht voortvloeit, veroorzaakt alleen al het maatschappelijke contact bij de meeste productieve arbeiders een wedijver en een opwekking van de levensgeesten (animal spirits) die het individuele prestatievermogen van de enkeling verhogen. Dit heeft weer tot gevolg dat een dozijn personen gezamenlijk in een gelijktijdige arbeidsdag van 144 uur een veel groter totaalproduct leveren dan 12 afzonderlijke arbeiders die ieder 12 uur werken of als één arbeider die 12 dagen achtereen werkt. Dat komt misschien nog niet omdat de mens van nature, zo hij al geen politiek dier is, zoals Aristoteles meent (De definitie van Aristoteles is eigenlijk, dat de mens van nature stadsburger is. Deze definitie is voor de klassieke oudheid even karakteristiek als Franklins definitie dat de mens van nature gereedschapsmaker is, dat is voor het Yankeedom.), in ieder geval wel een maatschappelijk dier is.

Hoewel vele personen gelijktijdig met elkaar hetzelfde of iets gelijksoortigs doen kan de individuele arbeid van ieder afzonderlijk toch als een deel van de totaalarbeid verschillende fasen van het arbeidsproces zelf vormen. Tengevolge van de coöperatie doorloopt het arbeidsvoorwerp dit arbeidsproces sneller.

Wanneer bv. metselaars een rij vormen om stenen van de voet van een steiger naar de top te brengen, doet ieder van hen hetzelfde. Toch vormen de afzonderlijke verrichtingen op elkaar volgende delen van een totaalverrichting, bijzondere fasen die iedere steen in het arbeidsproces doorlopen moet en waardoor die stenen via de 24 handen van de totaalarbeider sneller naar boven gaan dan door de twee handen van iedere afzonderlijke arbeider die de steiger op en af zou gaan. Het arbeidsvoorwerp doorloopt dezelfde ruimte in kortere tijd. Aan de andere kant vindt er combinatie van arbeid plaats als een bouwwerk bv. aan verschillende kanten gelijktijdig aangepakt wordt, hoewel de samenwerkende personen hetzelfde of iets gelijksoortigs doen.

Als het arbeidsproces gecompliceerd is, maakt al het grote aantal samenwerkende personen het mogelijk de verschillende werkzaamheden onder verschillende handen te verdelen en gelijktijdig te verrichten waardoor de voor de vervaardiging van het totaalproduct nodige arbeidstijd wordt verkort.

Aan de ene kant maakt de coöperatie het mogelijk de ruimtelijke sfeer van de arbeid te verbreden en zij is dus voor bepaalde arbeidsprocessen al door de ruimtelijke samenhang van het arbeidsvoorwerp vereist, bv. bij drooglegging van land. Anderzijds maakt ze een ruimtelijke verkleining van het productiegebied mogelijk door de opeenhoping van arbeiders, het samenvoegen van verschillende arbeidsprocessen en de concentratie van productiemiddelen waardoor een aantal bijkomende kosten (faux frais) bespaard worden.

Vergeleken met een even groot aantal individuele arbeidsdagen produceert de gecombineerde arbeidsdag grotere hoeveelheden gebruikswaarde en vermindert dus de arbeidstijd die nodig is voor de productie van een bepaald nuttig resultaat. Of nu in een bepaald geval de gecombineerde arbeidsdag deze verhoogde productiviteit krijgt omdat hij het mechanische vermogen van de arbeid verhoogt of zijn ruimtelijke werkingssfeer uitbreidt of het ruimtelijke productieterrein in verhouding tot de productieschaal verkleint of op het kritieke moment veel arbeid in weinig tijd liquide maakt of de wedijver van de individuen onderling prikkelt of hun levensgeesten opwekt of op gelijksoortige verrichtingen van velen de stempel van continuïteit en veelzijdigheid drukt of verschillende werkzaamheden gelijktijdig laat verrichten of op de productiemiddelen door hun gemeenschappelijk gebruik bespaart of de individuele arbeid het karakter van maatschappelijke arbeid geeft, onder alle omstandigheden is de specifieke productieve kracht van de gecombineerde arbeidsdag maatschappelijke productieve kracht van de arbeid of productieve kracht van maatschappelijke arbeid. Hij komt uit de coöperatie zelf voort. In het planmatig samenwerken met anderen ontdoet de arbeider zich van zijn individuele beperkingen en brengt hij het vermogen van zijn soort tot ontwikkeling.

Het aantal samenwerkende arbeiders of de schaal van coöperatie hangt af van de grootte van het kapitaal dat de afzonderlijke kapitalist voor de koop van arbeidskracht besteden kan. En met het constante kapitaal is het net als met het variabele gesteld. Concentratie van grote hoeveelheden productiemiddelen in handen van de afzonderlijke kapitalist is dus de materiële voorwaarde voor coöperatie van loonarbeiders en de omvang van de coöperatie of de schaal van de productie hangt af van de omvang van deze concentratie. Het bevel van de kapitalist op het terrein van de productie wordt nu even onontbeerlijk als het bevel van de generaal op het slagveld. Elke direct maatschappelijke of gemeenschappelijke arbeid op grotere schaal heeft in meerdere of mindere mate een leiding nodig, die zorg draagt voor de harmonie van de individuele werkzaamheden en die de algemene functies uitoefent die uit de beweging van het productieve totaallichaam voortkomen in afwijking van de beweging van zijn zelfstandige organen. Een afzonderlijke violist dirigeert zichzelf, een orkest heeft de leiding van een dirigent nodig. Deze functie van leiding, toezicht en coördinatie wordt de functie van het kapitaal zodra de aan hem ondergeschikte arbeid coöperatieve arbeid wordt. Als specifieke functie van het kapitaal krijgt deze leidinggevende functie specifieke karaktertrekken.

De samenhang van hun arbeid manifesteert zich voor de arbeiders ideëel als een plan, praktisch als het gezag van de kapitalist, als macht van een vreemde wil die hun daden aan zijn doel ondergeschikt maakt. Met het aantal gelijktijdig aan het werk zijnde arbeiders groeit hun verzet en daarmee noodzakelijkerwijs de druk van het kapitaal om dit verzet te overwinnen. De leiding van de kapitalisten is niet alleen een uit de aard van het maatschappelijke arbeidsproces voortkomende en erbij behorende bijzondere functie, zij is tegelijk een functie van de uitbuiting van een maatschappelijk arbeidsproces en dus bepaald door het onvermijdelijke antagonisme tussen de uitbuiter en het materiaal van zijn uitbuiting. Met de omvang van de productiemiddelen die tegenover de loonarbeider staan als eigendom van anderen, groeit de noodzakelijkheid van de controle over hun doelmatig gebruik.

De kapitalistische leiding is naar de inhoud tweeslachtig wegens de tweeslachtigheid van het productieproces zelf dat zij leiden moet — het productieproces dat aan de ene kant maatschappelijk arbeidsproces is voor de vervaardiging van een product en aan de andere kant meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess) van het kapitaal -naar de vorm is deze leiding despotisch.

Zodra het kapitaal de minimumgrootte bereikt heeft waarmee de eigenlijke kapitalistische productie pas begint, geeft het de functie van het directe en voortdurende toezicht op de afzonderlijke arbeiders en arbeidersgroepen zelf weer af aan een bijzonder soort loonarbeiders. Zoals een leger behoefte heeft aan militaire opperofficieren, zo heeft een onder het commando van dit kapitaal samenwerkende arbeidersmassa behoefte aan industriële opperofficieren (directeuren, managers) en onderofficieren (opzichters, foremen, overlookers, contremaîtres) die gedurende het arbeidsproces in naam van het kapitaal commanderen.

De arbeid van het oppertoezicht wordt hun uitsluitende functie. Bij vergelijking van de productiewijze van onafhankelijke boeren of zelfstandige ambachtslieden met het op slavernij berustende plantage-bedrijf rekent de politieke econoom deze arbeid van het oppertoezicht tot de ‘faux frais de production’ (bijkomende productiekosten). Bij de beschouwing van de kapitalistische productiewijze identificeert hij echter de functie van leiding, in zover die uit de aard van het gemeenschappelijke arbeidsproces voortkomt, met dezelfde functie in zover die door het kapitalistische, en dus antagonistische, karakter van dit proces bepaalt wordt. De kapitalist is niet kapitalist omdat hij industrieel leider is, maar wordt industrieel bevelhebber omdat hij kapitalist is.

Het opperbevel in de industrie wordt attribuut van het kapitaal, zoals in het feodale tijdperk het opperbevel in de oorlog en het rechtspreken attribuut was van het grondbezit.

De productieve kracht die de arbeider als maatschappelijk arbeider ontwikkelt is de productieve kracht van het kapitaal. De maatschappelijke productieve kracht van de arbeid ontwikkelt zich kosteloos, zodra de arbeiders onder bepaalde voorwaarden geplaatst zijn en het kapitaal plaatst ze onder deze voorwaarden. Omdat de maatschappelijke productieve kracht van de arbeid het kapitaal niets kost, omdat deze kracht aan de andere kant niet door de arbeider ontwikkeld wordt, voordat zijn arbeid zelf het kapitaal toebehoort manifesteert deze kracht zich als een productieve kracht die het kapitaal van nature bezit, als zijn immanente productieve kracht. De coöperatie in het arbeidsproces, zoals we die bij het begin van de beschaving van de mensheid bij jagersvolken of bv. in de landbouw van de Indische gemeenschappen aantreffen, berust enerzijds op het gemeenschappelijke bezit van de productievoorwaarden en anderzijds daarop dat het afzonderlijke individu zich van de navelstreng van de stam of van de gemeenschap nog even weinig losgemaakt heeft als de individuele bij van de bijenzwerm.

Beide verschillen ze van de kapitalistische coöperatie. Het sporadische gebruik van de coöperatie op grote schaal in de antieke wereld, in de Middeleeuwen en in de moderne koloniën berust op directe verhoudingen van heerschappij en knechtschap, meestal op slavernij. De kapitalistische vorm vooronderstelt echter van meet af aan het bestaan van de vrije loonarbeider die zijn arbeidskracht aan het kapitaal verkoopt. Historisch ontwikkelt deze vorm zich echter in tegenstelling tot het boerenbedrijf en tot het zelfstandige ambachtsbedrijf, of dit nu de gildenvorm heeft of niet. Daartegenover manifesteert de kapitalistische coöperatie zich niet als een bijzondere historische vorm van coöperatie maar manifesteert de coöperatie zichzelf als een historische vorm die eigen is aan het kapitalistische productieproces en die dit kenmerkend onderscheidt van andere processen.

De coöperatie is de eerste verandering die het werkelijke arbeidsproces door zijn onderschikking onder het kapitaal ondergaat. Deze verandering komt uit de aard van de zaak voort. De voorwaarde voor deze verandering — gelijktijdige tewerkstelling van een groot aantal loonarbeiders in hetzelfde arbeidsproces — vormt het uitgangspunt van de kapitalistische productie. Dit valt samen met het bestaan van het kapitaal zelf.