Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Vierde deel: De productie van de relatieve meerwaarde


XII. Verdeling van de arbeid en manufactuur

1. Dubbele oorsprong van de manufactuur

De op verdeling van de arbeid berustende coöperatie krijgt haar klassieke gedaante in de manufactuur. Als karakteristieke vorm van het kapitalistische productieproces heerst ze tijdens de eigenlijke manufactuurperiode, die — globaal gerekend — van het midden van de 16e eeuw tot de jaren 70 van de 18e eeuw duurt.

De manufactuur ontstaat op tweeërlei manier. In de eerste plaats worden arbeiders van verschillende, zelfstandige ambachten, die een product door hun handen moeten laten gaan tot het geheel voltooid is in een werkplaats onder het commando van dezelfde kapitalist verenigd.

Een koets was bijvoorbeeld het gezamenlijke product van het werk van een aantal onafhankelijke ambachtslieden zoals wagenmakers, zadelmakers, snijders, slotenmakers, koperwerkers, draaiers, passementwerkers, glazenmakers, schilders, lakwerkers, vergulders enz. De koetsenmanufactuur verenigt al deze verschillende ambachtslieden in een werkplaats waar zij elkaar gelijktijdig in de hand werken. Men kan een koets weliswaar niet vergulden voor hij gemaakt is. Als echter veel koetsen gelijktijdig gemaakt worden dan kan voortdurend een deel verguld worden terwijl een ander deel een vroegere fase van het productieproces doorloopt. Tot zover bevinden we ons nog in het stadium van de eenvoudige coöperatie die haar materiaal, mensen en dingen klaar vindt liggen. Intussen treedt spoedig een wezenlijke verandering op. De snijder, slotenmaker en koperwerker, die alleen met koetsmaken bezig is, verliest met de gewoonte ook langzamerhand de bekwaamheid om zijn ambacht in zijn volle omvang uit te oefenen. De manufactuur ontstaat echter ook op de tegenovergestelde manier. Veel ambachtslieden die hetzelfde of iets gelijksoortigs doen, bv. het maken van papier, van drukletters of naalden, worden door hetzelfde kapitaal gelijktijdig in dezelfde werkplaats aan het werk gezet.

De arbeid wordt daarom verdeeld. In plaats van verschillende werkzaamheden door dezelfde ambachtsman in chronologische volgorde te laten verrichten, worden die bewerkingen van elkaar gescheiden, geïsoleerd, ruimtelijk naast elkaar gezet, ieder ervan aan een andere ambachtsman toegewezen en allen samen door de samenwerkende arbeiders gelijktijdig uitgevoerd. Deze toevallige verdeling herhaalt zich, toont haar bijzondere voordelen en verstart langzamerhand tot een systematische verdeling van de arbeid. Uit het individuele product van een zelfstandige ambachtsman die van alles doet, verandert de waar zich in het maatschappelijke product van een combinatie van ambachtslieden waarvan ieder voortdurend slechts één en dezelfde deelhandeling verricht. Deze voltooide vorm produceert werkstukken die samenhangende ontwikkelingsfasen, een reeks van op elkaar volgende bewerkingen doorlopen, zoals de draad in de naaldenmanufactuur de handen van 72 en zelfs 92 specifieke deelarbeiders doorloopt.

De wijze van ontstaan van de manufactuur, de ontwikkeling van de manufactuur uit het ambacht is dus tweeslachtig. Aan de ene kant gaat de manufactuur uit van de combinatie van ongelijksoortige, zelfstandige ambachten die hun zelfstandigheid en veelzijdigheid verliezen tot op het punt waarop ze nog slechts elkaar aanvullende deelbewerkingen in het productieproces van één en dezelfde waar vormen.

Anderzijds gaat de manufactuur uit van de coöperatie van gelijksoortige ambachtslieden, ontleedt ze ditzelfde individuele ambacht in zijn verschillende bijzondere bewerkingen en isoleert en verzelfstandigt deze bewerking tot op het punt waar ieder van deze bewerkingen tot de uitsluitende functie van een bijzondere arbeider wordt. Enerzijds voert de manufactuur de verdeling van de arbeid in een productieproces in, of ontwikkelt die verder, anderzijds combineert de manufactuur vroeger gescheiden ambachten. Hoe echter ook het bijzondere uitgangspunt van de manufactuur is, het resultaat is hetzelfde: een productiemechanisme waarvan de organen mensen zijn.

Samengesteld of enkelvoudig, die bezigheid blijft handwerk en dus afhankelijk van kracht, handigheid, snelheid, zekerheid van de afzonderlijke arbeider bij het gebruiken van zijn instrument. Het handwerk blijft de basis. Deze enge technische basis sluit een werkelijk wetenschappelijke analyse van het productieproces uit, omdat ieder deelproces dat het product doormaakt als verrichting van het handwerk uitvoerbaar moet zijn. Juist omdat de ambachtelijke vaardigheid de basis van het productieproces blijft, wordt iedere arbeider uitsluitend een deelfunctie toegewezen en zijn arbeidskracht verandert voor de rest van zijn leven in een orgaan van deze deelfunctie.

2. De deelarbeider en zijn werktuig

Het is duidelijk dat een arbeider die levenslang een en dezelfde bewerking verricht, zijn gehele lichaam verandert in een automatisch eenzijdig orgaan van deze bewerking en dus minder tijd voor die bewerking nodig heeft dan de ambachtsman die een hele reeks van bewerkingen afwisselend uitvoert. De gecombineerde totaalarbeider die het levende mechanisme van de manufactuur vormt bestaat echter louter uit zulke eenzijdige deelarbeiders. In vergelijking met het zelfstandige handwerk wordt daarom in minder tijd meer geproduceerd. De productieve kracht van de arbeid stijgt.

Ook de methode van de deelarbeid vervolmaakt zich, nadat hij verzelfstandigd is tot de uitsluitende functie van een persoon. De voortdurende herhaling van dezelfde beperkte handeling en de concentratie van de aandacht op dit beperkte gebied leren de arbeiders door ervaring het gewenste nuttige effect met het minste krachtsgebruik te bereiken. Omdat verschillende generaties van arbeiders echter altijd gelijktijdig leven en in dezelfde manufacturen samenwerken worden de op deze wijze verkregen technische kunstgrepen spoedig ingeburgerd, geaccumuleerd en overgedragen.

De manufactuur produceert in feite de virtuositeit van de deelarbeider, door de natuurlijke splitsing van de beroepen die hij in de maatschappij aantrof binnen de werkplaats te reproduceren en systematisch tot het uiterste door te voeren. Aan de andere kant correspondeert de verandering van de deelarbeid in het beroep voor het hele leven van een mens met de drang van vroegere maatschappijen de beroepen erfelijk te maken, ze in de kasten te verstenen of in gilden te verstarren.

Een ambachtsman die de verschillende deelprocessen in de productie van een artikel na elkaar uitvoert, moet dan weer van plaats dan weer van instrument wisselen. De overgang van de ene werkzaamheid op de andere onderbreekt de loop van zijn arbeid en vormt in zekere zin gaten in zijn arbeidsdag.

Deze gaten worden kleiner zodra hij de hele dag één en dezelfde handeling continu verricht of ze verdwijnen naarmate het verwisselen van handeling afneemt. De gestegen productiviteit is hier te danken aan het toenemende verbruik van arbeidskracht in een gegeven tijdsruimte (groeiende intensiteit van de arbeid) of aan een afname van het onproductieve gebruik van arbeidskracht. De productiviteit van de arbeid hangt niet alleen van de virtuositeit van de arbeider af, maar ook van de volmaaktheid van zijn werktuigen. Verandering van de vroeger voor verschillende doeleinden dienende werktuigen werd noodzakelijk. De richting van deze vormverandering volgt uit de ervaring met de bijzondere moeilijkheden die de onveranderde vorm met zich meebrengt. De differentiëring van de arbeidsinstrumenten, waardoor instrumenten van dezelfde soort bijzondere vaste vormen voor ieder bijzonder nuttig gebruik krijgen en de specialisering, waardoor ieder bijzonder instrument slechts in handen van specifieke deelarbeiders in zijn volle omvang werkt, karakteriseren de manfactuur.

3. De beide basisvormen van de manufactuur

In zoverre de manufactuur oorspronkelijk verspreide ambachten combineert, vermindert zij de ruimtelijke scheiding tussen de bijzondere productiefasen van het maaksel. De tijd van zijn overgang van het ene stadium in het andere wordt verkort, evenals de arbeid die deze overgang tot stand brengt.

In vergelijking met het ambacht wordt dus productieve kracht gewonnen en deze winst komt voort uit het algemene coöperatieve karakter van de manufactuur. Aan de andere kant brengt het principe van verdeling van de arbeid — dat aan de manufactuur eigen is — een isolering van de verschillende productiefasen mee die als evenzoveel ambachtelijke deelbewerkingen tegenover elkaar verzelfstandigd worden. Het tot stand brengen en in stand houden van de samenhang tussen de geïsoleerde functies maakt het voortdurende transport nodig van het maaksel van de ene hand in de andere en van het ene proces in het andere. Vanuit het standpunt van de grote industrie manifesteert zich dit als een karakteristieke kostbare beperking die aan het principe van de manufactuur eigen is.

Omdat het deelproduct van iedere deelarbeider tegelijk slechts een bijzondere ontwikkelingstrap van hetzelfde maaksel is, levert de ene arbeider aan de andere of de ene arbeidersgroep aan de andere de grondstof. Het resultaat van de arbeid van de een vormt een uitgangspunt voor de arbeid van de ander. De ene arbeider zet daarom hier direct de andere aan het werk. De arbeidstijd die nodig is om in ieder deelproces het beoogde nuttige effect te behalen wordt proefondervindelijk vastgesteld en het totaalmechanisme van de manufactuur berust op de veronderstelling dat in gegeven arbeidstijd een gegeven resultaat bereikt wordt. Slechts onder deze voorwaarden kunnen de verschillende elkaar aanvullende arbeidsprocessen ononderbroken, gelijktijdig en naast elkaar doorgaan.

Deze directe afhankelijkheid van de werkzaamheden en daarom van de arbeiders ieder afzonderlijk van elkaar, dwingt ze slechts de voor zijn functie noodzakelijke tijd te gebruiken en dus wordt een geheel andere continuïteit, gelijkvormigheid, regelmatigheid, orde en vooral ook intensiteit van de arbeid bereikt als in het onafhankelijke ambacht en bij de eenvoudige coöperatie. Dat aan een waar slechts de voor zijn vervaardiging maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd besteed wordt, manifesteert zich bij de warenproductie in het algemeen als uiterlijke dwang van de concurrentie omdat — oppervlakkig gesproken — iedere afzonderlijke producent de waar voor zijn marktprijs verkopen moet. De levering van een bepaalde hoeveelheid producten in een bepaalde arbeidstijd wordt in de manufactuur echter een technische wet van het productieproces zelf.

De verdeling van de arbeid, zoals die in de manufactuur plaatsvindt, vereenvoudigt en verveelvoudigt niet alleen de kwalitatief onderscheiden organen van de maatschappelijke totaalarbeider, maar schept ook een wiskundig vaste verhouding voor de kwantitatieve omvang van deze organen, d.w.z. voor het relatieve aantal arbeiders of de relatieve grootte van de groepen arbeiders in iedere functie. Deze verdeling van de arbeid ontwikkelt met de kwalitatieve samenstelling de kwantitatieve regel en proportionaliteit van het maatschappelijke arbeidsproces. De manufactuurperiode, die de verkorting van de voor de warenproductie noodzakelijke arbeidstijd spoedig tot een bewust principe maakt, ontwikkelt sporadisch ook het gebruik van machines nl. voor bepaalde eenvoudige aanvangsprocessen die in grote omvang en met grote krachtsinspanning moeten worden uitgevoerd. Algemeen echter speelt de machinerie de bijrol die haar door Adam Smith naast de arbeidsverdeling werd toegewezen.

De specifieke machinerie van de manufactuurperiode blijft de uit vele deelarbeiders samengestelde totaalarbeider zelf. De verschillende handelingen die de producent van een waar afwisselend verricht en die zich ineenstrengelen tot het geheel van zijn arbeidsproces, nemen de producent op verschillende manieren in beslag. Bij de ene handeling moet hij meer kracht ontwikkelen, bij de andere meer behendigheid en bij de derde meer oplettendheid en een en hetzelfde individu bezit deze eigenschappen niet in gelijke mate. Na de scheiding, verzelfstandiging en isolering van de verschillende handelingen worden de arbeiders in overeenstemming met hun overwegende eigenschappen ingedeeld, geclassificeerd en gegroepeerd.

Al vormt de natuurlijke aanleg de basis, waarop de verdeling van de arbeid zich ent, als de manufactuur eenmaal ingevoerd is dan ontwikkelt ze arbeidskrachten die van nature slechts voor eenzijdige bijzondere functies deugen. De eenzijdigheid en zelfs de volmaaktheid van de deelarbeider wordt zijn volmaaktheid als lid van de totaalarbeider. De gewoonte van een eenzijdige functie verandert hem in het van nature betrouwbaar werkend orgaan van die functie terwijl de samenhang van het totaalmechanisme hem dwingt met de regelmaat van een machinedeel te werken.

Omdat de verschillende functies van de totaalarbeider eenvoudige of samengestelde, lage of hoge functies zijn, moeten zijn organen — de individuele arbeidskrachten — zeer verschillende graden van scholing hebben en bezitten ze daarom zeer verschillende waarden. De manufactuur ontwikkelt dus een hiërarchie van arbeidskrachten die correspondeert met het tarief van arbeidslonen.

De manufactuur kweekt in ieder ambacht waarvan ze zich meester maakt een klasse van zogenaamde ongeschoolde arbeiders waarvoor in het ambachtsbedrijf geen plaats was. Als de manufactuur de volstrekt eenzijdig gemaakte specialiteit ten koste van het gehele arbeidsvermogen tot virtuositeit ontwikkelt begint ze ook het ontbreken van elke ontwikkeling tot een specialiteit te maken. Naast de hiërarchische rangschikking komt de eenvoudige scheiding van de arbeiders in geschoolde en ongeschoolde. Voor de laatste vervallen de opleidingskosten geheel, voor de eersten dalen ze in vergelijking met de ambachtsman tengevolge van de vereenvoudigde functie. De relatieve daling van de waarde van de arbeidskracht die voortkomt uit het wegvallen of de vermindering van de opleidingskosten, houdt direct een hogere meerwaardevorming (Verwertung) van het kapitaal in. Want alles wat de voor de reproductie van de arbeidskracht noodzakelijke tijd verkort, verlengt het gebied van de meerarbeid.

4. Verdeling van de arbeid binnen de manufactuur, verdeling van de arbeid binnen de maatschappij

Wij zullen nu in het kort ingaan op de verhouding tussen de arbeidsverdeling, zoals die geschiedt in de manufactuur en de maatschappelijke arbeidsverdeling die de algemene basis van alle warenproductie vormt. Let men alleen op de arbeid zelf dan kan men de verdeling van de maatschappelijke productie in haar grootste takken zoals landbouw, industrie enz. beschrijven als arbeidsverdeling in het algemeen, de splitsing van de productietakken in soorten en ondersoorten als arbeidsverdeling in het bijzonder en de arbeidsverdeling binnen de werkplaats als arbeidsverdeling in het klein.

De arbeidsverdeling binnen de maatschappij en de daarmee overeenstemmende beperking van de individuen tot bepaalde beroepssferen ontwikkelt zich, evenals de arbeidsverdeling binnen de manufactuur vanuit tegengestelde uitgangspunten. Binnen een familie (Noot bij de 3e Duitse druk. — Latere zeer grondige studies van de oudste menselijke toestanden brachten de schrijver tot de overtuiging dat oorspronkelijk niet de familie zich tot stam ontwikkeld heeft, maar omgekeerd, de stam de oorspronkelijke natuurlijke vorm van de op bloedverwantschap berustende menselijke vermaatschappelijking was, zodat uit de beginnende oplossing van het stamverband eerst later de dikwijls verschillende vormen van de familie zich ontwikkelden. Noot van Friedrich Engels.) en na verdere ontwikkeling binnen een stam, ontstaat een natuurlijke arbeidsverdeling op basis van geslacht- en leeftijdsverschillen, dus op zuiver fysiologische basis. Aan de andere kant ontstaat de productenruil op de plaatsen waar de verschillende families, stammen en gemeenschappen met elkaar in contact komen, want niet particuliere personen maar families, stammen enz. treden in het begin van de beschaving tegenover elkaar op.

Verschillende gemeenschappen vinden in hun natuurlijke omgeving verschillende productiemiddelen en verschillende levensmiddelen. Hun manier van produceren, hun levenswijze en producten zijn dus verschillend. Deze natuurlijke verscheidenheid brengt bij het contact der gemeenschappen de ruil van de wederzijdse producten tot stand en daarmee de geleidelijke verandering van deze producten in waren. Het verschil in productiesfeer ontstaat niet door de ruil, maar de ruil brengt de verschillende productiesferen met elkaar in betrekking en verandert ze aldus in meer of minder van elkaar afhankelijke takken van een maatschappelijke totaalproductie.

Hier ontstaat de maatschappelijke arbeidsverdeling door de ruil van oorspronkelijk verschillende maar van elkaar onafhankelijke productiesferen. Daar waar de fysiologische arbeidsverdeling het uitgangspunt vormt, maken de bijzondere organen van een direct bij elkaar behorend geheel zich van elkaar los en splitsen zich. Bij dit splitsingsproces is de warenruil met vreemde gemeenschappen de voornaamste oorzaak. De bijzondere organen verzelfstandigen zich tot een punt waarop de samenhang van de verschillende soorten arbeid door de ruil van producten als waren tot stand gebracht wordt.

In het ene geval worden vroeger zelfstandigen onzelfstandig, in het andere geval worden vroeger onzelfstandigen zelfstandig.

De basis van alle ontwikkelde en door warenruil tot stand gebrachte arbeidsverdeling is de scheiding van stad en land.

Omdat warenproductie en warencirculatie de algemene voorwaarden zijn voor de kapitalistische productiewijze, vereist de arbeidsverdeling van de manufactuur een al tot een bepaalde ontwikkelingsgraad gekomen arbeidsverdeling binnen de maatschappij.

Ondanks de talrijke punten van overeenkomst en samenhang tussen de verdeling van de arbeid binnen de maatschappij en de arbeidsverdeling binnen een werkplaats zijn beide niet slechts gradueel maar wezenlijk verschillend. Men kan zich inbeelden dat maatschappelijke arbeidsverdeling zich slechts subjectief van de arbeidsverdeling in de manufactuur onderscheidt. Wat is echter het verband tussen de onafhankelijke werkzaamheden van veefokkers en schoenmakers? Het bestaan van hun respectievelijke producten als waren. Wat kenmerkt echter de arbeidsverdeling in de manufactuur? Dat de deelarbeider geen waar produceert. Het gemeenschappelijke product van de deelarbeiders verandert zich pas in een waar. De arbeidsverdeling binnen de maatschappij komt tot stand door de koop en verkoop van de producten van verschillende takken van arbeid, de samenhang van de deelbewerkingen in de manufactuur door de verkoop van verschillende arbeidskrachten aan dezelfde kapitalist, die ze als gecombineerde arbeidskracht gebruikt. De arbeidsverdeling in de manufactuur veronderstelt concentratie van productiemiddelen in handen van een kapitalist, de maatschappelijke arbeidsverdeling verspreiding van de productiemiddelen onder veel van elkaar onafhankelijke warenproducenten.

De bij de arbeidsverdeling binnen de werkplaats a priori en planmatig gevolgde regel werkt bij de maatschappelijke arbeidsverdeling slechts a posteriori als een innerlijke, blinde, in het stijgen en dalen van de marktprijzen waarneembare, absolute noodzaak, die de ordeloze willekeur van de warenproducenten overmant.

De gildenwetten verhinderden door de grootst mogelijke beperking van het aantal gezellen dat een afzonderlijke gildenmeester in dienst mocht hebben, stelselmatig zijn verandering in een kapitalist. Ook kon hij slechts gezellen aanstellen in het ambacht waarin hij zelf meester was. Het gilde weerde angstvallig iedere inmenging van koopmanskapitaal af, de enige vrije vorm van kapitaal die tegenover het gilde stond. De koopman kon alle waren kopen maar niet de arbeid als waar. Hij werd slechts geduld als verkoper van de ambachtsproducten. Als invloeden van buitenaf een verdergaande arbeidsverdeling nodig maakten, dan splitsten bestaande gilden zich of werden naast de bestaande gilden nieuwe gesticht, maar zonder samenbundeling van de verschillende ambachten in een werkplaats. De gildenorganisatie sloot de bij de manufactuur horende arbeidsverdeling uit. In het algemeen bleven de arbeider en zijn productiemiddel nauw met elkaar verbonden, zoals de slak met het slakkenhuis, zodoende ontbrak de primaire basis van de manufactuur: de verzelfstandiging van het productiemiddel als kapitaal tegenover de arbeider.

Terwijl de arbeidsverdeling binnen de maatschappij als geheel, al dan niet tot stand gebracht door de warenruil, aan de meest uiteenlopende maatschappijvormen eigen is, is de arbeidsverdeling van de manufactuur een heel specifieke schepping van de kapitalistische productiewijze.

5. Het kapitalistische karakter van de manufactuur

Het uit veel afzonderlijke deelarbeiders samengestelde maatschappelijk productiemechanisme is het eigendom van de kapitalist. De uit de combinatie van de werkzaamheden voortvloeiende productieve kracht manifesteert zich dus als productieve kracht van het kapitaal.

De bijzondere deelbewerkingen worden niet slechts onder verschillende personen verdeeld, maar de persoon zelf wordt verdeeld, in het automatische drijfwerk van een deelverrichting veranderd. Zo wordt de dwaze fabel van Menenius Agrippa verwezenlijkt, die een mens louter als een deel van zijn eigen lichaam voorstelt.

Terwijl de arbeider oorspronkelijk zijn arbeidskracht aan het kapitaal verkoopt omdat de materiële middelen tot productie van een waar hem ontbreken, weigert nu zijn individuele arbeidskracht zelf dienst te doen zodra deze kracht niet aan het kapitaal verkocht wordt. De arbeidskracht functioneert nog slechts in een verband dat pas na zijn verkoop bestaat, in de werkplaats van de kapitalist. Beroofd van zijn natuurlijke bekwaamheid zelfstandig iets te maken ontwikkelt de manufactuurarbeider nog slechts productieve werkzaamheid als onderdeel van de werkplaats van de kapitalist.

Zoals het het uitverkoren volk op het voorhoofd geschreven stond dat het Jehova’s eigendom was, zo drukt de arbeidsverdeling de manufactuurarbeider een stempel op dat hem als eigendom van het kapitaal brandmerkt.

In de manufactuur is verrijking van de totaalarbeider — en dus van het kapitaal — met maatschappelijke productieve kracht bepaald door de verarming van de arbeider met individuele productieve kracht.

In feite gebruikten enkele manufacturen in het midden van de 18e eeuw voor bepaalde eenvoudige werkzaamheden die echter fabrieksgeheimen vormden, bij voorkeur halve idioten. Een zekere geestelijke en lichamelijke verminking is zelfs onverbrekelijk verbonden met de algemene arbeidsverdeling.

Omdat echter de manufactuurperiode deze maatschappelijke splitsing van de takken van arbeid veel verder doordrijft anderzijds pas het individu met de haar eigen verdeling in het diepst van zijn bestaan aantast, levert zij ook voor het eerst zowel het materiaal als de aanleiding voor de industriële pathologie (leer van beroepsziekten). De arbeidsverdeling van de manufactuur produceert de voorwaarde voor de heerschappij van het kapitaal over de arbeid. Als ze zich dus enerzijds als historische vooruitgang en noodzakelijk ontwikkelingsmoment in het economische vormingsproces van de maatschappij manifesteert, manifesteert ze zich anderzijds als een middel tot beschaafde en geraffineerde uitbuiting.

Gedurende de eigenlijke manufactuurperiode (d.w.z. de periode, waarin de manufactuur de heersende vorm van de kapitalistische productiewijze is) stuit de volledige doorvoering van haar eigen tendensen op tal van hindernissen. Hoewel de manufactuur de afzonderlijke bewerkingen aanpast aan de verschillende mate van ervaring, kracht en ontwikkeling van haar levende arbeidsorganen en daarom tot productieve uitbuiting van vrouwen en kinderen aanzet, leidt deze tendens in het algemeen schipbreuk door gewoonten en de tegenstand van de mannelijke arbeiders. Hoewel de splitsing van ambachtelijke werkzaamheden de scholingskosten en dus de waarde van de arbeider doet dalen, blijft voor moeilijke detailarbeid een langere opleidingstijd nodig en deze leertijd wordt ook daar waar ze overbodig is angstvallig door de arbeiders in stand gehouden. Voortdurend heeft het kapitaal te kampen met de weerstand van de arbeiders.

Door de gehele manufactuurperiode heen loopt een klacht over het gebrek aan discipline van de arbeiders. Zelfs als we niet zouden beschikken over de uitspraken van schrijvers uit die tijd, dan nog zouden de eenvoudige feiten boekdelen spreken. Dat het kapitaal van de 16e eeuw tot aan het tijdperk van de grootindustrie er niet in geslaagd is zich meester te maken van de gehele beschikbare tijd van de manufactuurarbeiders en dat de manufacturen niet lang hebben geleefd en dat zij met de migratie van de arbeiders hun zetel in het ene land moesten verlaten en in het andere land moesten gaan zitten.

De manufactuur kon zich noch in haar gehele omvang van de maatschappelijke productie meester maken, noch kon ze de productie diepgaand veranderen. Ze verhief zich als economisch kunstwerk op de brede basis van het stedelijke ambacht en de landelijke huisindustrie. Op een bepaalde hoogte van haar ontwikkeling kwam haar eigen nauwe technische basis in tegenstelling met de door haar zelf geschapen productiebehoeften.

Een van haar volmaaktste scheppingen was de werkplaats voor de productie van arbeidsinstrumenten zelf en vooral ook de al in gebruik zijnde gecompliceerde mechanische apparaten. Dit product van de arbeidsverdeling van de manufactuur produceerde op zijn beurt machines. Deze maakten een einde aan de ambachtelijke bezigheid als regelend principe van de maatschappelijke productie.