Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Vierde deel: De productie van de relatieve meerwaarde


XIII. Machinerie en grootindustrie

1. Ontwikkeling van de machinerie

John Stuart Mill schrijft in zijn Principles of Political Economy: ‘Het is de vraag of alle tot nu toe gedane uitvindingen op het gebied van de machinerie de dagtaak van enig menselijk wezen heeft verlicht’. Dat is ook niet het doel van het kapitalistische gebruik van de machinerie. Evenals elke andere ontwikkeling van de productieve kracht van de arbeid dient zij om de waren goedkoper te maken en het deel van de arbeidsdag, dat de arbeider voor zichzelf nodig heeft te verkorten, om het andere deel van zijn arbeidsdag dat hij voor niets aan de kapitalist geeft te verlengen. De machine is een middel om meerwaarde te produceren.

In de manufactuur is de arbeidskracht het uitgangspunt van de omwenteling van de productiewijze, in de grootindustrie is het arbeidsmiddel hiervoor het uitgangspunt. We moeten dus eerst onderzoeken waardoor het arbeidsmiddel van een werktuig in een machine veranderd wordt, of waarin de machine zich van het instrument van het ambacht onderscheidt.

Alle tot ontplooiing gekomen machinerie bestaat uit drie wezenlijk verschillende delen: de bewegingsmachine, het transmissiemechanisme en tenslotte de werktuigmachine of arbeidsmachine. De bewegingsmachine werkt als drijfkracht voor het gehele mechanisme. Het transmissiemechanisme regelt de beweging, verandert zo dat nodig is de vorm van de beweging (bv. van een op- en neergaande beweging in een draaiende), verdeelt de beweging en brengt ze over op de werktuigmachine. Het laatste deel van de machinerie, de werktuigmachine, vormde het uitgangspunt van de industriële revolutie in de 18e eeuw. Zij vormt tot op de huidige dag nog steeds het uitgangspunt als een ambachtsbedrijf of manufactuurbedrijf in een machinaal bedrijf overgaat.

Als we de werktuigmachine, of eigenlijk de arbeidsmachine, nader bekijken dan vinden we in het algemeen — hoewel vaak in sterk gewijzigde vorm — de apparaten en werktuigen terug waarmee de ambachtslieden en manufactuurarbeiders werken. Maar in plaats van als werktuigen van de mensen nu als werktuigen van een mechanisme of als mechanische werktuigen.

Of de gehele machine is slechts een min of meer veranderde mechanische uitgave van het oude instrument van het ambacht, zoals bij het mechanische weefgetouw of de aan het frame van de arbeidsmachine aangebrachte werkende organen zijn oude bekende zoals spindels bij de spinmachine, naalden bij de breimachine, zaagbladen bij de zaagmachine en messen bij de hakmachine. Het onderscheid tussen deze werktuigen en het eigenlijke lichaam van de arbeidsmachine begint al bij haar ontstaan. Zij worden nl. nog steeds grotendeels gemaakt door handarbeid of door manufactuur en eerst later aan het machinaal geproduceerde lichaam van de arbeidsmachine bevestigd. (Pas sinds 1850 wordt een steeds groeiend deel van de werktuigen van de arbeidsmachines in Engeland machinaal gefabriceerd, hoewel niet door dezelfde fabrikanten die de machines zelf maken).

De werktuigmachine is dus een mechanisme dat na overbrengen van de passende beweging met zijn werktuigen dezelfde handelingen verricht die de arbeider vroeger met soortgelijke werktuigen verrichtte. Of de drijfkracht van mensen uitgaat of zelf weer van een machine verandert niets aan het wezen van de zaak. Nadat het eigenlijke werktuig overgebracht is van een mens op een mechanisme neemt een machine de plaats in van een werktuig.

Het onderscheid valt dadelijk op ook al blijft de mens zelf nog de drijfkracht. Het aantal arbeidsinstrumenten waarmee de mens gelijktijdig werken kan is door het aantal van zijn natuurlijke productie-instrumenten — van zijn eigen lichamelijke organen — beperkt. In Duitsland probeerde men eerst een spinner twee spinnenwielen te laten bedienen door hem gelijktijdig met twee handen en twee voeten te laten werken. Dat was te inspannend. Later vond men een trapspinnenwiel met twee spindels uit maar de spinvirtuozen die twee draden tegelijk konden spinnen waren even zeldzaam als mensen met twee hoofden. De Jenny spint echter direct al met 12-18 spindels, de breimachine breit gelijktijdig met vele duizenden naalden enz.

Het aantal werktuigen waarmee dezelfde werktuigmachine gelijktijdig werkt is van meet af aan bevrijd van de organische grenzen die voor het handwerktuig van een arbeider bestaan.

De machine, die het uitgangspunt vormt van de industriële revolutie vervangt de arbeider, die een enkel werktuig hanteert door een mechanisme dat met een groot aantal van die werktuigen gelijktijdig werkt en door een enkele drijfkracht — ongeacht de vorm — bewogen wordt. Hier hebben we een machine, maar eerst als eenvoudig bestanddeel van de machinale productie.

De vergroting van de omvang van de arbeidsmachine en het aantal van haar werktuigen dat gelijktijdig in beweging is, vereist een veel kolossaler bewegingsmechanisme en dit mechanisme heeft voor het overwinnen van zijn weerstand een veel machtiger drijfkracht nodig dan de menselijke drijfkracht, nog afgezien ervan dat de mens een zeer onvolkomen productie-instrument voor gelijkvormige en continue beweging is. Aangenomen dat de mens nog slechts als eenvoudige drijfkracht fungeert, dat een werktuigmachine dus de plaats van zijn werktuig heeft ingenomen, kunnen natuurkrachten hem nu ook als drijfkracht vervangen.

Pas met Watts tweede zogenaamde ‘dubbele’ stoommachine was de eerste motor gevonden die zijn beweegkracht zelf voortbrengt uit kolen en water en waarvan de krachten volledig onder menselijke controle staan, die mobiel is en voor vervoer kan worden gebruikt, die geschikt is voor de stad en niet zoals het waterrad alleen voor het platteland, die concentratie van de productie in de steden mogelijk maakt in plaats van deze zoals het waterrad over het land te verspreiden, die universeel in zijn technologische toepassing is en waarvoor de lokale omstandigheden in verhouding weinig invloed hebben op de plaats waar hij staat. De grote genialiteit van Watt blijkt uit de beschrijving van het patent dat hij in april 1784 nam en waarin zijn stoommachine niet als een uitvinding voor bijzondere doeleinden wordt beschreven, maar als algemene agent van de grootindustrie.

Nadat eerst de werktuigen waren veranderd van werktuigen van het menselijke organisme in werktuigen van een mechanisch apparaat — de werktuigmachine — kreeg nu ook de bewegingsmachine een zelfstandige en volledig van de beperkingen van de menselijke kracht bevrijde vorm. Daarmee degradeert de werktuigmachine tot louter een element van de machinale productie. Een bewegingsmachine kon nu veel arbeidsmachines tegelijk aandrijven. Met het aantal van de gelijktijdig bewogen arbeidsmachines neemt de bewegingsmachine in omvang toe en breidt het transmissiemechanisme zich tot een omvangrijk apparaat uit.

We moeten nu twee dingen onderscheiden: de coöperatie van veel gelijksoortige machines en het machinesysteem.

In het ene geval wordt het gehele maaksel door dezelfde arbeidsmachine vervaardigd. Of zo een arbeidsmachine nu slechts de mechanische wedergeboorte van een gecompliceerd handwerktuig is of de combinatie van verschillende eenvoudige instrumenten die door de manufactuur gespecialiseerd werden — in de fabriek d.w.z. in de op het machinale bedrijf gebaseerde werkplaats manifesteert zich steeds weer de coöperatie en wel allereerst (we kijken hier niet naar de arbeiders) als ruimtelijke conglomeratie van gelijksoortige en gelijktijdig samenwerkende arbeidsmachines.

Een eigenlijk machinesysteem treedt echter pas in de plaats van de afzonderlijke zelfstandige machine waar het arbeidsvoorwerp een samenhangende reeks van verschillende opvolgende processen doorloopt die door een keten van ongelijksoortige maar elkaar aanvullende werktuigmachines uitgevoerd worden. Hier verschijnt weer de arbeidsverdeling die aan de manufactuur eigen is maar nu als combinatie van de deelarbeidsmachines. De gecombineerde arbeidsmachine, nu een samengesteld systeem van ongelijksoortige afzonderlijke arbeidsmachines en van groepen van dergelijke machines is des te volmaakter naarmate het totaalproces meer continu verloopt, d.w.z. naarmate de overgang van de grondstof van het ene productiestadium naar het andere door het mechanisme zelf geschiedt in plaats van door mensenhanden. Met des te minder onderbreking komt dan ook de grondstof van zijn eerste fase in zijn laatste. Terwijl in de manufactuur de splitsing van de deelprocessen een principe is dat door de arbeidsverdeling zelf is bepaald, heerst in de tot ontwikkeling gekomen fabriek echter de continuïteit van de deelprocessen.

Zodra de arbeidsmachine alle voor de bewerking van de grondstof nodige bewegingen zonder menselijke hulp verricht en nog slechts toezicht nodig heeft, hebben we een automatisch systeem van machinerie.

Het machinale bedrijf bezit zijn hoogst ontwikkelde gedaante als samengesteld systeem van arbeidsmachines, die hun beweging slechts door middel van de transmissiemachinerie van een centrale automaat ontvangen. In plaats van de afzonderlijke machine treedt hier een mechanisch monster, wiens lijf gehele fabrieksgebouwen vult en waarvan de demonische kracht, eerst verborgen achter de bijna statig afgemeten beweging van zijn enorme ledematen, losbreekt in de koortsachtige, dolle, duizelingwekkende dans van zijn talloze feitelijke arbeidsorganen.

Zoals de afzonderlijke machine klein van omvang bleef, zolang ze nog door mensen bewogen werd, zoals het machinesysteem zich niet vrij ontwikkelen kon voordat in plaats van de beschikbare drijfkrachten — dieren, wind en zelfs water — de stoommachine kwam, evenzo was de grootindustrie in haar gehele ontwikkeling verlamd zolang haar karakteristieke productiemiddel, nl. de machine zelf, zijn bestaan dankte aan persoonlijke kracht en persoonlijke vaardigheid.

Het binnendringen van de machinerie in nieuwe productietakken bleef afhankelijk van de groei van een categorie arbeiders die door de half artistieke aard van hun werkzaamheden slechts langzamerhand en niet sprongsgewijze vergroot kon worden. De grootindustrie moest zich dus eerst meester maken van haar karakteristiek productiemiddel, de machine zelf. Ze moest dus machines met machines produceren. Pas op deze manier legde zij haar adequate technische basis en ging ze op haar eigen benen staan. In de manufactuur is de geleding van het maatschappelijke arbeidsproces zuiver subjectief, een combinatie van deelarbeiders. In het machinesysteem bezit de grootindustrie een volkomen objectief productieorganisme dat de arbeider als een bestaande, materiële productievoorwaarde aantreft.

De machine functioneert alleen maar door middel van direct vermaatschappelijkte of gemeenschappelijke arbeid. Het coöperatieve karakter van het arbeidsproces wordt nu dus door de aard van het arbeidsmiddel zelf tot een technische noodzaak.

2. Waardeafgifte van de machinerie aan het product

We zagen dat de uit coöperatie en arbeidsverdeling voortvloeiende productiekrachten het kapitaal niets kosten. Het zijn natuurlijke krachten van de maatschappelijke arbeid. Zoals de mens longen nodig heeft om te ademen, zo heeft hij een ‘maaksel van mensenhanden’ nodig om de natuurkrachten productief te consumeren. Het werktuig wordt niet door de machine verdrongen. Het breidt zich van een miniatuurwerktuig van het menselijke organisme in omvang en aantal uit tot het werktuig van een door de mens geschapen mechanisme. Ofschoon het dus onmiddellijk duidelijk is dat de grootindustrie door het gebruik van de enorme natuurkrachten en van de natuurwetenschappen in het productieproces de productiviteit van de arbeid buitengewoon moet doen stijgen, is het helemaal niet zo duidelijk dat deze grotere productieve kracht anderzijds niet betaald wordt met een grotere arbeidsinspanning. Evenals ieder ander bestanddeel van het constante kapitaal schept de machine geen waarde, maar geeft zij haar eigen waarde aan het product dat ze helpt vervaardigen. In plaats van het product goedkoper te maken maakt ze het product in verhouding tot haar eigen waarde duurder. En het ligt voor de hand dat de machine en de systematisch ontwikkelde machinerie, vergeleken met de arbeidsmiddelen van het ambacht en de manufactuur, onevenredig meer waarde bezitten.

De machine neemt voortdurend in haar geheel aan het arbeidsproces deel en slechts gedeeltelijk aan het proces van meerwaardevorming (Verwertungsprozess). De machine voegt nooit meer waarde toe dan ze in doorsnee door haar slijtage verliest. Er is dus een groot verschil tussen de waarde van de machine en het periodiek door haar op het product overgedragen waardedeel: er is een groot verschil tussen de machine als waardevormend en als productvormend element.

Gegeven de verhouding waarin de machinerie waarde op het product overdraagt, hangt de grootte van dit waardedeel af van de waardegrootte van de machinerie. Hoe minder arbeid ze bevat, des te minder waarde voegt ze aan het product toe. Hoe minder waarde ze afstaat, des te productiever ze is. En des te meer benaderen haar diensten die van de natuurkrachten.

Het verschil tussen de arbeid die de machine kost en de arbeid die ze bespaart of de mate van haar productiviteit, hangt kennelijk niet af van het verschil tussen haar eigen waarde en de waarde van het werktuig dat door haar vervangen wordt. De productiviteit van de machine wordt gemeten aan de mate waarin ze menselijke arbeidskracht vervangt. Wanneer we de machinerie uitsluitend beschouwen als middel om het product goedkoper te maken dan wordt de grens voor het gebruik van de machinerie bepaald doordat haar eigen productie minder arbeid kost dan de arbeid die door haar gebruik wordt vervangen.

Voor het kapitaal is de begrenzing echter beperkter. Omdat kapitaal niet de gebruikte arbeid betaalt maar de waarde van de gebruikte arbeidskracht ligt de grens voor het gebruik van de machine voor het kapitaal bij het verschil tussen de waarde van de machine en de waarde van de door de machine vervangen arbeidskracht.

3. Directe invloeden van het machinale bedrijf op de arbeider

a. Vrouwen- en kinderarbeid

Voor zover de machinerie spierkracht overbodig maakt wordt ze het middel om arbeiders zonder spierkracht of met onvoldoende lichaamsontwikkeling, maar met een grotere soepelheid van de ledematen te gebruiken. Vrouwen- en kinderarbeid waren daarom de eerste woorden van de kapitalistische toepassing van de machinerie! Dit geweldige middel ter vervanging van arbeid en arbeiders werd daardoor al dadelijk een middel om het aantal loonarbeiders te vergroten.

Zo werden alle leden van het arbeidersgezin zonder onderscheid van geslacht en ouderdom onder de directe heerschappij van het kapitaal ingeschakeld. De gedwongen arbeid voor de kapitalist maakte zich niet alleen meester van de speelplaats van het kind, maar ook van de vrije arbeid binnen de huiselijke kring.

De waarde van de arbeidskracht was niet alleen bepaald door de arbeidstijd die nodig was voor het onderhoud van de individuele volwassen arbeider, maar door de arbeidstijd die nodig is voor het instandhouden van het arbeidersgezin. Doordat de machinerie alle leden van het arbeidersgezin op de arbeidsmarkt gooit verdeelt zij de waarde van de arbeidskracht van de man over zijn gehele gezin. De machinerie maakt dus dat zijn arbeidskracht in waarde daalt. Nu moeten bv. 4 mensen niet alleen arbeid maar ook meerarbeid voor het kapitaal leveren om het gezin in leven te houden. Zo vergroot de machinerie van meet af aan met het menselijke uitbuitingsmateriaal — het essentiële uitbuitingsterrein van het kapitaal — tegelijk de uitbuitingsgraad.

Vroeger verkocht de arbeider zijn arbeidskracht waarover hij formeel als vrij persoon beschikte. Nu verkoopt hij zijn vrouw en kind. Hij wordt slavenhandelaar.

Zo schrijft bijvoorbeeld een Engelse fabrieksinspecteur in 1858: ‘Mijn aandacht werd gevestigd op een advertentie in een plaatselijk blad van een der belangrijkste fabriekssteden uit mijn district. Ik citeer hieruit: “Gevraagd 12 tot 20 jongens, die voor ouder dan 13 kunnen doorgaan enz.” De zinsnede, “die voor ouder dan 13 kunnen doorgaan” houdt verband met de omstandigheid dat volgens de Factory Act (fabriekswet) kinderen onder de 13 jaar maar 6 uur mogen werken. Een officieel geneeskundig onderzoek in 1861 toonde aan dat de hoge sterftecijfers vooral te wijten waren aan bezigheden van de moeder buitenshuis en uit de daaruit voortvloeiende verwaarlozing en slechte verzorging van de kinderen, waar bij komt de vervreemding tussen moeder en kind.

De revolutie in de wijze van bewerking van de grond leidde tot invoering van het industriële systeem. ‘Getrouwde vrouwen die in bendes met meisjes en jongens samenwerken, worden door een man — die men gangmeester noemt en die de bende in haar geheel huurt — tegen een bepaalde som ter beschikking van de boer gesteld. Deze bendes die vaak op mijlen afstand van hun dorpen werken kan men ‘s ochtends en ‘s avonds op de weg tegenkomen.'

We komen hier zelfs in grote omvang, weer alle verschijnselen van de fabrieksdistricten tegen: de verborgen kindermoord en de toediening van opiumhoudende middelen aan de kinderen. De uit de kapitalistische uitbuiting van vrouwen- en kinderarbeid voortvloeiende zedelijke ontaarding is door F. Engels in zijn boek De toestand van de arbeidende klasse in Engeland en andere schrijvers zo grondig beschreven, dat ik ze hier slechts memoreer.

b. Verlenging van de arbeidsdag

Al is de machinerie het machtigste middel om de productiviteit van de arbeid te vergroten, wat wil zeggen de voor de productie van een waar nodige arbeidstijd te verkorten, ze wordt als draagster van het kapitaal allereerst in de direct door haar veroverde industrieën het machtigste middel om de arbeidsdag boven iedere natuurlijke grens te verlengen. De actieve levensduur van de machinerie wordt echter kennelijk bepaald door de lengte van de arbeidsdag of de duur van het dagelijkse arbeidsproces vermenigvuldigd met het aantal dagen, waarop dit proces zich herhaalt.

De materiële slijtage van de machine is van tweeërlei aard. De ene soort slijtage komt voort uit haar gebruik, zoals geldstukken door de circulatie slijten. De andere soort slijtage uit haar niet-gebruiken zoals een ongebruikt zwaard in de schede roest. Naast de materiële slijtage staat de machine echter ook bloot aan een zogenaamde morele slijtage. De machine verliest ruilwaarde naarmate machines van dezelfde constructie goedkoper geproduceerd kunnen worden of betere machines concurrerend naast haar optreden. In beide gevallen wordt de waarde van de machine — hoe jong en levenskrachtig ze overigens nog mag zijn — niet meer bepaald door de werkelijk in de machine belichaamde arbeidstijd, maar door de voor haar reproductie of voor de reproductie van betere machines noodzakelijke arbeidstijd. Ze is dus meer of minder in waarde gedaald. Hoe korter de periode waarin haar totale waarde gereproduceerd wordt, des te kleiner is het gevaar van morele slijtage en hoe langer de arbeidsdag, des te korter die periode. Bij de eerste invoering van de machinerie in een of andere productietak volgen snel op elkaar nieuwe methodes om de machinerie goedkoper te reproduceren en verbeteringen, die niet slechts enkele delen van het apparaat maar haar gehele constructie aantasten. In de eerste levensperiode van de machinerie werkt dus dit bijzondere motief tot verlenging van de arbeidsdag het sterkst.

De ontwikkeling van het machinale bedrijf bindt namelijk een steeds groeiend bestanddeel van het kapitaal in een vorm waarin het enerzijds voortdurend bruikbaar is voor de productie van meerwaarde (verwertbar ist), anderzijds gebruikswaarde en ruilwaarde verliest zodra zijn contact met de levende arbeid verbroken wordt.

De machine produceert relatieve meerwaarde niet alleen doordat ze de arbeidskracht direct in waarde doet dalen en indirect goedkoper maakt door het goedkoper maken van de in de reproductie van de arbeidskracht gestoken waren, maar ook doordat de machine de door de bezitter van de machine aangewende arbeid bij de eerste sporadische invoering van de machine in arbeid van een hogere orde verandert doordat de machine het de kapitalist zodoende mogelijk maakt met een kleiner waardedeel van het dagproduct de dagwaarde van de arbeidskracht te vervangen.

Gedurende deze overgangsperiode waarin het machinale bedrijf een soort monopolie blijft, zijn dus de winsten buitengewoon groot. Met de veralgemening van de machinerie in een bepaalde productietak daalt de maatschappelijke waarde van het machinale product op zijn individuele waarde en wordt de wet van kracht dat de meerwaarde niet voortvloeit uit de arbeidskrachten die de kapitalist door de machine vervangen heeft, maar omgekeerd uit de arbeidskrachten die hij aan de machine aan het werk zet. De meerwaarde vloeit slechts voort uit het variabele deel van het kapitaal en we zagen dat de hoeveelheid meerwaarde door twee factoren bepaald wordt, nl. de meerwaardevoet en het aantal gelijktijdig tewerkgestelde arbeiders. Bij een gegeven duur van de arbeidsdag wordt de meerwaardevoet bepaald door de verhouding waarin de arbeidsdag in noodzakelijke arbeid en meerarbeid uiteenvalt.

Het aantal gelijktijdig tewerkgestelde arbeiders hangt weer af van de verhouding waarin het variabele kapitaaldeel staat tot het constante kapitaaldeel. Het is verder duidelijk dat het machinale bedrijf — in welke mate het ook door stijging van de productieve kracht van de arbeid de meerarbeid ten koste van de noodzakelijke arbeid mag uitbreiden — dit resultaat slechts bereikt door de vermindering van het aantal arbeiders dat door een bepaald kapitaal tewerkgesteld wordt. Het verandert een deel van het kapitaal dat vroeger variabel kapitaal was — d.w.z. dat zich in levende arbeidskracht omzette — in machinerie, dus in constant kapitaal dat geen meerwaarde produceert.

Het is bijvoorbeeld onmogelijk uit twee arbeiders evenveel meerwaarde te persen als uit 24 arbeiders. Als ieder van de 24 arbeiders per 12 uur maar een uur meerarbeid levert, leveren ze samen 24 uur meerarbeid, terwijl de totale arbeid van 2 arbeiders bij elkaar maar 24 uur bedraagt.

In het gebruik van de machinerie voor de productie van meerwaarde ligt dus een immanente tegenstrijdigheid. Dit gebruik van de machinerie heeft op de beide factoren van de meerwaarde, geleverd door een kapitaal van bepaalde grootte, een verschillende werking: het gebruik van de machinerie vergroot de ene factor — de meerwaardevoet — slechts doordat de andere factor — het aantal arbeiders — verkleint.

Deze immanente tegenstrijdigheid treedt aan het daglicht zodra met de veralgemening van de machinerie in een industrietak de waarde van de machinaal geproduceerde waren tot regelende maatschappelijke waarde van alle gelijksoortige waren wordt. Deze tegenstrijdigheid drijft het kapitaal zonder dat het zich ervan bewust is tot de meest gewelddadige verlenging van de arbeidstijd teneinde de afneming van het relatieve aantal uitgebuite arbeiders niet alleen door toename van de relatieve meerarbeid te compenseren, maar ook door toename van de absolute meerarbeid.

Als dus de kapitalistische toepassing van de machinerie enerzijds nieuwe machtige motieven voor de mateloze verlenging van de arbeidsdag schept en zowel de manier van werken zelf als het karakter van het maatschappelijke arbeidsorganisme zodanig verandert, dat de tegenstand tegen deze tendens gebroken wordt, produceert ze anderzijds — gedeeltelijk door het ondergeschikt maken aan het kapitaal van vroeger niet toegankelijke lagen van de arbeidersklasse, gedeeltelijk door het op straat zetten van de door de machine verdrongen arbeiders — een overtollige arbeidersbevolking die zich door het kapitaal direct de wet moet laten dicteren.

Vandaar het merkwaardige verschijnsel in de geschiedenis van de moderne industrie dat de machine alle morele en natuurlijke grenzen van de arbeidsdag overboord gooit. Vandaar ook de economische paradox dat het machtigste middel voor de verkorting van de arbeidstijd omslaat in het meest onfeilbare middel om de gehele levenstijd van de arbeider en zijn gezin te veranderen in arbeidstijd, die beschikbaar is voor de meerwaardevorming (Verwertung) van het kapitaal.

c. Intensivering van de arbeid

Het is vanzelfsprekend dat met de vooruitgang van het machinewezen en met de opgehoopte ervaring van een zekere klasse van machinearbeiders de snelheid en daarmee de intensiteit van de arbeid als een natuurlijk proces toeneemt.

Zo gaat gedurende een halve eeuw in Engeland de verlenging van de arbeidsdag gepaard met de groeiende intensiteit van de fabrieksarbeid. Ondertussen zal men begrijpen dat er bij een arbeid, waarbij het niet om een tijdelijk paroxisme (plotselinge verheviging) gaat maar om dag in dag uit herhaalde regelmatige gelijkvormigheid een punt zal worden bereikt waarop verlenging van de arbeidsdag en vergroting van de intensiteit van de arbeid elkaar uitsluiten.

Zo blijft de verlenging van de arbeidsdag slechts met een mindere graad van intensiteit van de arbeid verenigbaar en omgekeerd een verhoogde intensiteitsgraad slechts met een verkorting van de arbeidsdag.

Zodra de geleidelijk toenemende verontwaardiging van de arbeidersklasse de staat dwong de arbeidstijd met geweld te verkorten en vooral voor de eigenlijke fabriek een normale arbeidsdag voor te schrijven, vanaf het ogenblik dus waarop verhoogde productie van meerwaarde door verlenging van de arbeidsdag eens en voor altijd onmogelijk was, wierp het kapitaal zich met alle kracht en in zijn volle bewustzijn op de productie van relatieve meerwaarde door versnelde ontwikkeling van het machinale systeem.

Gelijktijdig treedt er een verandering op in de aard van de relatieve meerwaarde. Algemeen houdt de productiemethode van de relatieve meerwaarde in dat de arbeider in staat gesteld wordt door gestegen productiviteit van de arbeid met dezelfde arbeidsinspanning in dezelfde tijd meer te produceren. Dezelfde arbeidstijd voegt als tevoren dezelfde waarde aan het totale product toe hoewel deze onveranderde ruilwaarde zich nu in meer gebruikswaarden manifesteert en de waarde van de afzonderlijke waar dus daalt.

Anders is het echter zodra de gedwongen verkorting van de arbeidsdag, door de geweldige stoot die ze geeft aan de ontwikkeling van de productiviteit en de besparing van productiemiddelen, de arbeider meteen dwingt tot harder werken in dezelfde tijd (tot verhoogde inspanning van de arbeidskracht — tot een verdere opvulling van de poriën van de arbeidstijd) wat wil zeggen tot een condensatie van arbeid tot een graad die slechts binnen een verkorte arbeidsdag bereikbaar is. Het samenpersen van een grotere hoeveelheid arbeid in een bepaalde tijdsruimte telt nu voor wat het is, nl. als grotere hoeveelheid arbeid.

Naast de lengtemaat van de arbeidstijd treedt nu de maat van zijn dichtheid. (Er bestaan natuurlijk zonder meer verschillen in intensiteit van de arbeid van verschillende industrietakken. Deze compenseren zich, zoals A. Smith al aangetoond heeft, deels door nevenomstandigheden die aan iedere manier van werken eigen is. Gevolgen voor de arbeidstijd als maatstaf van de waarde heeft echter ook hier slechts plaats, in zoverre intensieve en extensieve grootte als tegenover elkaar staande en elkaar uitsluitende uitdrukkingen van dezelfde hoeveelheid arbeid optreden). Het intensievere uur van de 10-urige arbeidsdag bevat nu evenveel of meer arbeid, dat wil zeggen bestede arbeidskracht, dan het meer poreuze van de 12-urige arbeidsdag. Zijn product heeft dus evenveel waarde als, of meer waarde dan dat van de meer poreuze 1 1/5 uur.

De vraag is nu hoe de arbeid wordt geïntensiveerd.

Het eerste effect van de verkorte arbeidsdag berust op de logische wet dat de werkzaamheid van de arbeidskracht omgekeerd evenredig is met de arbeidsduur. Er wordt dus binnen bepaalde grenzen aan mate van krachtsuiting gewonnen wat aan arbeidsduur verloren gaat. Dat de arbeider werkelijk meer arbeidskracht liquide maakt, daarvoor zorgt het kapitaal door de wijze van betaling. (Namelijk door het stukloon, een vorm die in de zesde afdeling ontwikkeld wordt).

Zodra de verkorting van de arbeidsdag, die in de eerste plaats de subjectieve voorwaarde voor de condensatie van de arbeid schept — namelijk de capaciteit van de arbeider om meer kracht in een bepaalde tijd liquide te maken — door de wet wordt opgelegd, wordt de machine in handen van het kapitaal tot het objectieve en systematisch aangewend middel om meer arbeid in dezelfde tijd af te persen.

Dit gebeurt op tweeërlei manier: verhoogde snelheid van de machines en uitbreiding van de omvang van de machinerie die door dezelfde arbeiders bediend moet worden of van het arbeidsterrein van die arbeiders. Verbeterde constructie van de machinerie is ten dele noodzakelijk voor het uitoefenen van de grotere druk op de arbeider, deels vloeit zij vanzelf voort uit de intensivering van de arbeid, omdat de grenzen van de arbeidsdag de kapitalisten dwingt zo zuinig mogelijk met de productiekosten om te springen.

De verbetering van de stoommachine verhoogt het aantal zuigerslagen per minuut en maakt het tegelijk mogelijk, door grotere krachtsbesparing een omvangrijker mechanisme met dezelfde motor aan te drijven bij gelijkblijvend of zelfs dalend kolenverbruik. De verbetering van het transmissiemechanisme vermindert de wrijving en — wat de moderne machinerie zo opvallend onderscheidt van de oudere — reduceert de doorsnee en het gewicht van de grote en kleine assen op een steeds dalend minimum. De verbeteringen van de arbeidsmachinerie verminderen tenslotte bij verhoogde snelheid en efficiency de omvang (zoals bij het moderne stoomweefgetouw), of vergroten met het frame van de machine de omvang en het aantal van de door haar bewogen werktuigen (zoals bij de spinmachine), of vermeerderen de beweeglijkheid van deze werktuigen door eenvoudige detailveranderingen. De fabrieksinspecteurs geven toe dat de verkorting van de arbeidstijd al een intensiteit van de arbeid teweeg gebracht heeft die de gezondheid van de arbeiders, de arbeidskracht zelf dus, heeft verstoord.

Het leidt niet de minste twijfel dat de neiging van het kapitaal om zich door systematische stijging van de mate van intensiteit van de arbeid schadeloos te stellen, zodra verlenging van de arbeidsdag voor eens en voor altijd door de wet onmogelijk is gemaakt en om iedere verbetering aan de machinerie in een middel tot grotere uitzuiging van de arbeidskracht te veranderen, spoedig weer tot een keerpunt moet leiden waarop opnieuw een daling van het aantal arbeidsuren onvermijdelijk is.

De agitatie voor de 8-urendag is nu (1867) onder de fabrieksarbeiders in Lancashire begonnen.

4. De fabriek

Dr. Ure, de Pindarus van de automatische fabriek beschrijft deze enerzijds als ‘coöperatie tussen verschillende klassen van arbeiders, volwassen en onvolwassen, die met bekwaamheid en vlijt een systeem van productieve machinerie bewaken dat ononderbroken door een centrale kracht (de hoofdmotor) in beweging wordt gezet’ en aan de andere kant als ‘een enorme automaat samengesteld uit talloze mechanische en zelfbewuste organen die in onderlinge verstandhouding en zonder onderbreking werken om een en hetzelfde voorwerp te produceren zodat al deze organen ondergeschikt zijn aan een bewegingskracht die zich uit zichzelf beweegt’.

Deze beide beschrijvingen zijn helemaal niet identiek. In de ene manifesteert zich de gecombineerde totaal-arbeider of het maatschappelijke arbeidslichaam als overheersend subject en de mechanische automaat als object. In de andere is de automaat zelf het subject en de arbeiders zijn alleen als bewuste organen toegevoegd aan de onbewuste organen van de automaat en al deze organen samen zijn aan de centrale beweegkracht ondergeschikt. De eerste uitdrukking geldt voor ieder mogelijk gebruik van de machinerie in het groot, de andere karakteriseert haar kapitalistisch gebruik en dus het moderne fabriekssysteem.

Met het arbeidswerktuig gaat ook de vaardigheid van het hanteren van dit werktuig van de arbeider op de machine over. Het vermogen van het werktuig iets tot stand te brengen is bevrijd van de persoonlijke grenzen van de menselijke arbeidskracht. Daarmee is de technische basis opgeheven, waarop de arbeidsverdeling in de manufactuur berust. In plaats van de hiërarchie van de gespecialiseerde arbeiders, die de manufactuur kenmerkte, komt dus in de automatische fabriek de tendens van de gelijkmaking of nivellering van alle soorten arbeid, die de helpers van de machinerie te verrichten hebben. In plaats van het kunstmatig gekweekte onderscheid tussen de deelarbeiders komt voornamelijk het natuurlijke onderscheid van leeftijd en geslacht. Uit de levenslange specialiteit een deelwerktuig te hanteren komt de levenslange specialiteit voort een deelmachine te bedienen. De machinerie wordt misbruikt om de arbeider zelf van kindsbeen af in een deel van de deelmachine te veranderen.

In de manufactuur en in het ambacht bedient de arbeider zich van het werktuig, in de fabriek dient hij de machine. Ginds gaat van hem de beweging van het arbeidsmiddel uit, hier moet hij de beweging ervan volgen. In de manufactuur zijn de arbeiders ledematen van een levend mechanisme. In de fabriek bestaat een dood mechanisme onafhankelijk van hen en de arbeiders worden er als levend aanhangsel bij ingelijfd.

Terwijl de machinearbeid het zenuwstelsel tot het uiterste aantast, onderdrukt de machinearbeid het veelzijdige spel der spieren en neemt alle vrije lichamelijke en geestelijke bezigheid weg. Zelfs de verlichting van de arbeid wordt een middel tot kwelling, doordat de machine niet de arbeider van de arbeid bevrijdt, maar zijn arbeid van de inhoud. Alle kapitalistische productie, in zover ze niet slechts arbeidsproces maar tegelijk meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozes) van het kapitaal is, heeft gemeen, dat niet de arbeider de arbeidsmiddelen maar omgekeerd de arbeidsmiddelen de arbeider gebruiken. Eerst met de machinerie krijgt deze omkering een technische en tastbare werkelijkheid. Door zijn verandering in een automaat komt het arbeidsmiddel tijdens het arbeidsproces zelf als kapitaal tegenover de arbeider te staan, als dode arbeid die de levende arbeidskracht beheerst en uitzuigt.

De technische onderschikking van de arbeider aan de gelijkvormige gang van het arbeidsmiddel en de bijzondere samenstelling van het arbeidslichaam uit individuen van beiderlei geslacht en de meest verschillende generaties scheppen een kazerneachtige discipline die uitgroeit tot een volledig fabrieksregiem en die de reeds vroeger genoemde arbeid van het oppertoezicht, dus tegelijk de verdeling van de arbeiders in handarbeiders en arbeidsopzichters in gewone industriesoldaten en industrie-onderofficieren, volledig ontwikkelt.

De fabriekscode waarin het kapitaal zonder de anders door het burgerdom zo geliefde verdeling van de machten en het nog meer geliefde vertegenwoordigend systeem, zijn autocratie over de arbeiders privaatrechterlijk en eigenmachtig formuleert, is slechts de kapitalistische karikatuur van de maatschappelijke regeling van het arbeidsproces, die nodig wordt met de coöperatie op grote schaal en het gebruik van een gemeenschappelijk arbeidsmiddel, de machinerie. In plaats van de zweep van de slavendrijver komt het strafboek van de opzichter. Noemt Fourrier ten onrechte de fabrieken ‘gematigde bagno’s’?

5. Strijd tussen arbeider en machine

De strijd tussen kapitalist en loonarbeider begint met de kapitaalverhouding zelf. Deze strijd woedt gedurende de gehele manufactuurperiode. Maar pas sinds de invoering van de machinerie bestrijdt de arbeider het arbeidsmiddel zèlf, de materiële bestaanswijze van het kapitaal. Hij revolteert tegen deze bepaalde vorm van het productiemiddel als de materiële basis van de kapitalistische productiewijze.

Bijna geheel Europa beleefde gedurende de 17e eeuw arbeidersopstanden tegen de zgn. lintmolen, een machine voor het weven van banden en boordsels. In de eerste 30 jaar van de 17e eeuw werd tijdens relletjes een windzaagmolen, die door een Hollander in de omgeving van Londen opgericht was, vernietigd. Toen Everet in 1758 de eerste door waterkracht gedreven machine voor wolscheren gebouwd had, werd deze machine door 100.000 zonder werk gekomen mensen in brand gestoken. De massale vernietiging van machines in de Engelse manufactuurdistricten gedurende de eerste 15 jaar van de 19e eeuw, vooral tengevolge van het gebruik van het stoomweefgetouw verschafte de anti-Jacobijnse regering van Sidmouth en Castlereagh het voorwendsel voor de meest reactionaire gewelddadigheden. Deze onlusten staan bekend onder de naam Ludditenbeweging.

Er was tijd en ervaring nodig voordat de arbeider een onderscheid maakte tussen de machinerie en haar kapitalistisch gebruik en dus leerde zijn aanvallen niet tegen de materiële productiemiddelen te richten, maar tegen de maatschappelijke vorm van hun exploitatie. Als machine wordt het arbeidsmiddel direct tot concurrent van de arbeider zelf. Waar de machine geleidelijk een productieterrein verovert, produceert ze chronische ellende in de met haar concurrerende arbeiderslagen. Waar de overgang snel gaat, werkt de machine massaal en acuut.

Het arbeidsmiddel verslaat de arbeider. Deze directe tegenstelling manifesteert zich het duidelijkst als nieuw ingevoerde machinerie met het traditionele ambacht- en manufactuurbedrijf concurreert. Maar binnen de grootindustrie werkt voortdurende verbetering van de machinerie en ontwikkeling van het automatische systeem analoog. Wie had in 1860, het topjaar van de Engelse katoenindustrie, kunnen vermoeden welke verbeteringen van de machinerie er in de volgende 3 jaar zouden plaatsvinden onder invloed van de Amerikaanse burgeroorlog en welke daarmee gepaard gaande vervanging van handenarbeid? Van 1861 tot 1868 groeide het aantal spindels met 1.612.547 terwijl het aantal arbeiders met 50.505 afnam.

De machinerie werkt echter niet slechts als overmachtige concurrent, steeds op de loer om loonarbeiders ‘overtollig’ te maken. Het kapitaal proclameert luid en voortdurend dat de machine een vijandige macht voor de loonarbeider is en houdt de machine als zodanig in stand. De machine wordt het machtigste strijdmiddel voor het neerslaan van de periodieke arbeidersopstanden, stakingen etc. tegen de autocratie van het kapitaal. De stoommachine was volgens Gaskell direct al een antagonist (tegenstander) van de ‘menselijke kracht’ waardoor de kapitalist in staat was de stijgende eisen van de arbeiders — die het beginnende fabriekssysteem tot een crisis dreigden te brengen — te onderdrukken. Men zou een gehele geschiedenis kunnen schrijven over de uitvindingen die sinds 1830 gedaan zijn en die slechts als strijdmiddel van het kapitaal tegen de arbeidersopstanden het levenslicht zagen.

6. De compensatietheorie met betrekking tot de door de machine verdrongen arbeiders

Een hele reeks burgerlijke economen beweert dat alle machinerie die arbeiders verdringt steeds tegelijkertijd en noodzakelijk een overeenkomstig kapitaal vrijmaakt om dezelfde arbeiders aan het werk te zetten.

Laten we veronderstellen dat een kapitalist in een tapijtenfabriek 100 arbeiders gebruikt, die ieder jaarlijks £ 30 per man verdienen. Het door hem jaarlijks bestede variabele kapitaal bedraagt dus £ 3000. Hij ontslaat 50 arbeiders en zet de overige 50 aan het werk met een machinerie die hem £ 1500 kost. Terwille van de vereenvoudiging wordt afgezien van gebouwen, kolen enz. We nemen verder aan dat de jaarlijks gebruikte grondstof evenals daarvoor £ 3000 kost. Is er nu kapitaal ‘vrijgemaakt’? Bij de oude werkwijze bestond de bestede geldsom van £ 6000 voor de helft uit constant en voor de helft uit variabel kapitaal. Nu bestaat hij uit £ 4500 constant en £ 1500 variabel kapitaal. In plaats van vrijmaken van kapitaal vindt binding van kapitaal in een andere vorm plaats. Het kapitaal van £ 6000 kan, onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, nu niet meer dan 50 arbeiders aan het werk zetten. Met iedere verbetering van de machinerie verschaft het minder werk. Als de nieuw ingevoerde machinerie minder bv. £ 1000 kost, was een kapitaal van £ 500 vrijgemaakt. Dit zou een fonds vormen voor ongeveer 16 arbeiders, terwijl 50 ontslagen zijn. Zelfs minder dan 16 arbeiders omdat de £ 500 voor hun omzetting in kapitaal weer voor een deel in constant kapitaal veranderd moet worden.

Maar de vervaardiging van de nieuwe machinerie zet een groot aantal machinebouwers aan het werk, zou dat een compensatie zijn? In het beste geval zet de vervaardiging van de machinerie minder arbeiders aan het werk dan haar gebruik verdringt. De som van £ 1500 die alleen maar het arbeidsloon van de ontslagen tapijtwerkers vertegenwoordigde, vertegenwoordigt nu in de gedaante van de machinerie: 1) de waarde van de voor de vervaardiging benodigde productiemiddelen; 2) het arbeidsloon van de machinebouwers die haar maakten; 3) de hun ‘meester’ toevallende meerwaarde.

Inderdaad bedoelen die apologeten niet dit soort vrijmaking van kapitaal. Ze doelen op de bestaansmiddelen van de vrijgemaakte arbeiders. Volgens deze theorie waren de bestaansmiddelen ter waarde van £ 1500 een door de arbeid van de 50 ontslagen tapijtwerkers productief belegd (verwertetes) kapitaal. Dit kapitaal verliest zijn emplooi en heeft geen rust voor het een nieuw ‘emplooi’ gevonden heeft, waarin de bedoelde 50 het weer productief consumeren kunnen. De bestaansmiddelen ten bedrage van £ 1500 stonden tegenover de arbeider nooit als kapitaal. Wat tegenover hun als kapitaal stond is nu in machinerie veranderd. De £ 1500 vertegenwoordigen een deel van de middels de ontslagen 50 arbeiders jaarlijks geproduceerde tapijten. Ze kregen die £ 1500 in geldvorm in plaats van in natura. Met de in £ 1500 veranderde tapijten kochten ze bestaansmiddelen. Deze bestaan voor hen dus niet als kapitaal, maar als waren en de tapijtwerkers bestaan voor deze waren niet als loonarbeiders maar als kopers. De omstandigheid dat de machinerie de tapijtwerkers van koopmiddelen ‘vrijgemaakt’ heeft verandert ze van kopers in niet-kopers. Dus verminderde de vraag voor die waren.

Voilą tout! (Dat is alles! )

Als deze verminderde vraag niet door vermeerderde vraag van andere kant gecompenseerd wordt, daalt de marktprijs van de waren. Duurt dit langer en gebeurt dit in grotere mate, dan heeft dit een verplaatsing van de in de productie van die waren werkzame arbeiders ten gevolge. Een deel van het kapitaal dat vroeger bestaansmiddelen produceerde wordt nu in andere vorm gereproduceerd. Gedurende de daling van de marktprijzen en van de verplaatsing van kapitaal worden ook de in de productie van de noodzakelijke bestaansmiddelen werkzame arbeiders voor een deel van hun loon ‘vrijgemaakt’.

In plaats dus te bewijzen dat de machinerie door het vrijmaken van de arbeiders van bestaansmiddelen deze bestaansmiddelen tegelijkertijd in kapitaal voor het tewerkstellen van de arbeiders verandert, bewijst de heer apologeet met de probate wet van vraag en aanbod omgekeerd dat de machinerie niet slechts in de productietak waarin ze ingevoerd is, maar ook in de productietakken waarin ze niet ingevoerd is, arbeiders op de keien gooit.

Het is zonder twijfel, dat de machinerie op zichzelf niet verantwoordelijk is voor het ‘vrijmaken’ van de arbeiders van bestaansmiddelen. De machinerie maakt het product goedkoper en vermeerdert het in de tak waar de machinerie ingevoerd wordt en laat de in andere industrietakken geproduceerde bestaansmiddelen vooreerst onveranderd. Evenals voor de invoering van de machinerie bezit de maatschappij dus evenveel of meer bestaansmiddelen voor de verplaatste arbeiders, afgezien van het enorme deel van het jaarlijkse product, dat door niet-arbeiders wordt verspild. En dit is het punt van de economische apologetiek! De aan het kapitalistische gebruik van de machinerie onafscheidelijk verbonden tegenspraken en antagonismen bestaan voor hen niet, omdat ze niet uit de machinerie zelf voortvloeien, maar uit haar kapitalistisch gebruik!

Hoewel de machinerie onvermijdelijk arbeiders verdringt in de arbeidstakken waar ze ingevoerd wordt, kan ze toch een toename van werk in andere arbeidstakken teweegbrengen. Deze werking heeft echter niets te maken met de zogenaamde compensatietheorie.

Naarmate de hoeveelheid grondstoffen, halffabrikaten, arbeidsinstrumenten enz., die het machinale bedrijf met relatief weinig arbeiders produceert, toeneemt wordt de bewerking van die grondstoffen en halffabrikaten in talloze ondersoorten gesplitst, neemt dus het aantal maatschappelijke productietakken toe. Het machinale bedrijf drijft de maatschappelijke verdeling van arbeid verder door als de manufactuur, omdat het de productieve kracht van de door hem beroerde bedrijven in onvergelijkelijke mate vermeerdert. Het directe resultaat van de machinerie is de vergroting van meerwaarde en tegelijk van de hoeveelheid producten waarin deze meerwaarde belichaamd is. En met de substantie waarvan de kapitalistenklasse met zijn aanhang leeft groeit ook deze maatschappelijke groep zelf. Hun groeiende rijkdom en het relatief voortdurend dalend aantal arbeiders dat nodig is voor de productie van eerste levensbehoeften doet een nieuwe behoefte aan luxe ontstaan en verschaft tegelijkertijd de nieuwe middelen voor de bevrediging daarvan. Een groter deel van het maatschappelijke product verandert zich in surplus-product en een groter deel van het surplus-product wordt in verfijnde en meer gedifferentieerde vormen geproduceerd en verbruikt. Met andere woorden: de luxe-productie groeit.

Tenslotte maakt de buitengewoon verhoogde productieve kracht in de sfeer van de grootindustrie het mogelijk een steeds groter deel van de arbeiders onproductief te gebruiken en zo vooral de oude huisslaven onder de benaming ‘bedienend personeel’ zoals bedienden, dienstmeisjes, lakeien, enz. steeds massaler te reproduceren.

De vermeerdering van productie- en bestaansmiddelen bij een relatief afnemend aantal arbeiders drijft naar uitbreiding van de arbeid in industrietakken waarvan de producten in de verre toekomst vruchten dragen zoals kanalen, dokken, tunnels, bruggen enz. Er vormen zich geheel nieuwe productietakken ofwel direct als gevolg van de machinerie, ofwel als gevolg van de direct daaruit voortvloeiende algemene industriële omwenteling.

7. Afstoting en aantrekking van arbeiders bij de ontwikkeling van het machinale bedrijf

De groei van dit machinale bedrijf vindt zijn uitdrukking in een groter aantal fabrieken van dezelfde soort of in de grotere omvang van de bestaande fabrieken. Het is duidelijk dat door deze groei en ondanks het feit dat dit machinale bedrijf veel arbeiders feitelijk verdringt en bovendien anderen geen plaats biedt, de fabrieksarbeiders tenslotte groter in aantal kunnen zijn dan de manufactuurarbeiders en de ambachtslieden die zijn verdrongen.

Bestond het wekelijks aangewende kapitaal van £ 500 bij de oude bedrijfsmethode bv. uit 2/5 constant en 3/5 variabel kapitaal wat wil zeggen £ 200 in productiemiddelen en £ 300 in arbeidskracht (d.i. £ 1 per arbeider) dan zal dit nu bv. in 4/5 constant en 1/5 variabel kapitaal uiteen vallen of nog maar £ 100 in arbeidskracht.

Dus worden tweederde van de vroeger in dienst zijnde arbeiders ontslagen. Als dit fabrieksbedrijf groeit en het gebruikte kapitaal groeit (onder overigens gelijkblijvende productievoorwaarden) van £ 500 naar £ 1500 dan worden nu 300 arbeiders tewerkgesteld, evenveel als voor de industriële revolutie. Groeit het aangewende kapitaal verder tot £ 2000 dan zullen 400 arbeiders werk vinden, dus 1/3 meer dan bij de oude bedrijfsmethode. Absoluut is het aantal arbeiders met 100 gestegen, relatief, d.w.z. in verhouding tot het voorgeschoten kapitaal, is het met 800 gedaald want het kapitaal van £ 1200 had bij de oude bedrijfsmethode 1200 arbeiders inplaats van 400 aan het werk gezet.

Relatieve afname van het aantal tewerkgestelde arbeiders kan dus samengaan met absolute toename.

Zolang het machinale bedrijf zich in een industrietak ten koste van het traditionele ambacht of de manufactuur uitbreidt is zijn overwinning even zeker als die van een met achterlaadgeweren bewapend leger tegen een leger van boogschutters. Deze eerste periode waarin de machine haar terrein pas verovert is van beslissende betekenis vanwege de buitengewone winsten die ze dan helpt produceren. Zodra echter het fabriekswezen een zekere omvang en een bepaalde graad van ontwikkeling heeft bereikt, zodra vooral zijn eigen technische basis — de machinerie — zelf weer door machines geproduceerd wordt, zodra de kolen- en ertswinning evenals de metaalbewerkingen en het transportwezen revolutioneert, zodra in het algemeen productievoorwaarden geschapen zijn die de grootindustrie nodig heeft, krijgt deze productiemethode een elasticiteit, een mogelijkheid tot plotselinge en sprongsgewijze uitbreiding, die slechts beperkt wordt door de grondstof- en de afzetmarkt.

De machinerie bewerkt aan de ene kant een directe vermeerdering van de grondstoffen. Aan de andere kant zijn de lage prijs van het machinale product en het gerevolutioneerde transport- en communicatiewezen wapens voor de verovering van vreemde markten.

Het voortdurend ‘overtollig-maken’ van arbeiders in de landen van de grootindustrie bevordert een uitgebreide emigratie en kolonisatie van vreemde landen, die zich in kweekplaatsen van grondstoffen voor het moederland veranderen. Er ontstaat een nieuwe internationale arbeidsverdeling die strookt met de voornaamste vestigingsplaatsen van het machinale bedrijf en die een deel van de wereldbol in gebieden verandert met een overwegend agrarisch karakter en andere met een overwegend industrieel karakter.

Het enorme vermogen van het fabrieksstelsel om zich sprongsgewijze uit te breiden en zijn afhankelijkheid van de wereldmarkt brengt noodzakelijkerwijs een koortsachtige productie en een daarop volgende overvoering van de markt met zich mee, terwijl de samentrekking van de markt gepaard gaat met een verlamming van de productie. Het industriële leven verandert zich in een opeenvolging van periodes van gematigde activiteit, bloei, overproductie, crises en stagnatie. De onzekerheid en onbestendigheid, waaraan het machinale bedrijf de werkgelegenheid en daarmee de levensstandaard van de arbeiders onderwerpt, worden met deze periodieke wisseling van de industriële cyclus normale verschijnselen. De tijden van bloei niet meegerekend, heerst er tussen de kapitalisten de heftigste strijd om hun persoonlijk aandeel op de markt.

Voorwaarde voor het toenemen van het aantal fabrieksarbeiders is het in verhouding veel sneller groeien van het in de fabrieken geïnvesteerde totale kapitaal. Dit proces voltrekt zich echter slechts binnen de periodes van eb en vloed van de industriële cyclus. Het wordt daarbij steeds onderbroken door de technische vooruitgang, die de arbeiders dan weer geen werk verschaft, dan weer in feite verdringt. Deze kwalitatieve wisselingen van het machinale bedrijf verwijdert de arbeiders voortdurend uit de fabriek of sluit de deur af voor de nieuwe stroom van rekruten, terwijl de louter kwantitatieve uitbreiding van de fabrieken behalve de uitgestotenen ook de nieuwe contingenten verslindt. De arbeiders worden zo voortdurend afgestoten en aangetrokken, heen en weer geslingerd.

8. Revolutionering van manufactuur, ambacht en huisarbeid door de grootindustrie

Met de ontwikkeling van het fabriekswezen en de daarmee gepaard gaande omwenteling van de landbouw, breidt niet alleen de productie in alle andere bedrijfstakken zich uit maar verandert ook van karakter. Dit geldt niet alleen voor alle gecombineerde productie op grote schaal, met of zonder gebruik van machinerie, maar ook voor de zogenaamde huisindustrie, onverschillig of die wordt uitgeoefend in particuliere woningen van de arbeiders of in kleine werkplaatsen. Deze zogenaamde moderne huisindustrie heeft met de ouderwetse huisindustrie, die het bestaan van een onafhankelijk stedelijk ambacht, het zelfstandig boerenbedrijf en voor alles een huis voor het arbeidersgezin veronderstelt, niets meer gemeen dan de naam. Deze huisindustrie is nu veranderd in de buitenafdeling van de fabriek, van de manufactuur of van de winkel. Naast de fabrieksarbeiders, manufactuurarbeiders en ambachtslieden die in groot aantal in een ruimte samengebracht en direct gecommandeerd worden, zet het kapitaal door onzichtbare draden een ander leger van in de grote steden en op het platteland verspreide huisarbeiders in beweging.

De door het machinale bedrijf voor het eerst systematisch toegepaste bezuiniging op de productiemiddelen en de van meet af aan tegelijk weergaloze verspilling van de arbeidskracht en roof op de normale voorwaarden voor de arbeidsfunctie, tonen nu des te meer hun antagonistische en moorddadige kant, naarmate de maatschappelijke productieve kracht van de arbeid en de technische basis voor gecombineerde arbeidsprocessen in een industrietak minder ontwikkeld zijn. De uitbuiting is in de huisarbeid schaamtelozer dan in de manufactuur omdat het weerstandsvermogen van de arbeiders met hun versplintering afneemt, omdat een hele reeks roofzuchtige parasieten zich tussen de eigenlijke werkgever en de arbeiders dringt, omdat de huisarbeid overal met het machinale of minstens met het manufactuurbedrijf in dezelfde productietak strijdt, omdat de armoede de arbeiders van de noodzakelijke arbeidsvoorwaarden ruimte, licht, ventilatie, enz. berooft, omdat de onregelmatigheid van de tewerkstelling groeit en tenslotte omdat de concurrentie tussen de arbeiders in deze laatste toevluchtsoorden van de door de grootindustrie en landbouw ‘overtollig’ gemaakten, noodzakelijkerwijs maximaal is.

9. Fabriekswetgeving

De fabriekswetgeving, de eerste bewuste en stelselmatige reactie van de maatschappij op de natuurlijke gedaante van het productieproces is, zoals we zagen, evenzeer een noodzakelijk product van de grote industrie als katoenen garens, self-actors (automatische machines) en de elektrische telegraaf.

Voorzover de fabriekswetgeving de arbeid in fabrieken, manufacturen enz. regelt schijnt dit in de eerste plaats slechts een inmenging in de uitbuitingsrechten van het kapitaal. Iedere regeling van de zogenaamde huisarbeid laat zich echter direct gelden als een directe ingreep in het patria potestas (vaderlijke macht) d.w.z. modern geïnterpreteerd in de ouderlijke autoriteit. Het fijngevoelige Engelse parlement deed lang of ze voor deze stap terugschrok. De macht der feiten dwong tenslotte echter te erkennen dat de grootindustrie met de economische basis van het oude gezinsleven en de daarbij behorende gezinsarbeid ook de oude gezinsverhoudingen zelf opheft. Het recht van de kinderen moest geproclameerd worden.

De noodzakelijkheid, de fabriekswet van een uitzonderingswet voor spinnerijen en weverijen (de eerste scheppingen van het machinale bedrijf) in een wet voor de gehele maatschappelijke productie te veralgemenen komt, zoals men zag, uit de historische ontwikkelingsgang van de grootindustrie voort. Op de achtergrond van dit historische toneel wordt de traditionele gedaante van manufactuur, ambacht en huisarbeid geheel omgewenteld, waarbij de manufactuur voortdurend in de fabriek en het ambacht voortdurend in de manufactuur omslaat en tenslotte de sferen van ambacht en huisarbeid in betrekkelijk korte tijd tot jammerlijke holen worden, waar de meest dwaze excessen van de kapitalistische uitbuiting vrij spel hebben. Twee omstandigheden gaven tenslotte de doorslag: ten eerste de steeds opnieuw opgedane ervaring, dat het kapitaal zodra het slechts op enkele punten van de maatschappelijke periferie onder staatscontrole valt, zich des te meer op andere punten schadeloos stelt; ten tweede de aandrang van de kapitalisten zelf tot gelijke concurrentieverhoudingen, d.w.z. gelijke grenzen aan de uitbuiting van de arbeid.

10. Grootindustrie en landbouw

In de landbouw gaat het gebruik van de ‘machinerie niet gepaard met de lichamelijke nadelen die zij voor de fabrieksarbeider heeft, maar toch werkt ze hier intensiever en zonder tegenwerking op het ‘overtollig maken’ van de arbeiders. In de Verenigde Staten vervingen de landbouwmachines voorlopig slechts virtueel de arbeiders, d.w.z. zij maakten voor de producenten bebouwing van grote oppervlakten mogelijk maar verjoegen niet werkelijk tewerkgestelde arbeiders. In de sfeer van de landbouw werkt de grootindustrie het meest revolutionair door het vernietigen van het bolwerk van de oude maatschappij, de ‘boer’, en deze te vervangen door de loonarbeider. De behoeften aan sociale veranderingen en de tegenstellingen op het platteland worden zo in overeenstemming gebracht met die van de stad.

Met het steeds groeiende overwicht van de stedelijke bevolking die door de kapitalistische productie in grote centra opeengehoopt wordt, vergroot ze enerzijds de historische mobiliteit van de maatschappij en verstoort aan de andere kant de stofwisseling tussen mens en aarde, d.w.z. de terugkeer tot de grond van de door de mensen in de vorm van voedsel en kleding verbruikte bodembestanddelen.

Ze verstoort daardoor tegelijk de lichamelijke gezondheid van de stadsarbeiders en het geestelijke leven van de landarbeiders. In de landbouw zowel als in de manufactuur verschijnt de kapitalistische omwenteling van de productieprocessen tegelijk als martelaarschap van de producenten, het arbeidsmiddel als onderdrukkingsmiddel, uitbuitingsmiddel en verarmingsmiddel van de arbeiders, de maatschappelijke combinatie van de arbeidsprocessen als georganiseerde onderdrukking van zijn persoonlijke levenskracht, vrijheid en zelfstandigheid. De verspreiding van de landarbeiders over grote gebieden breekt tegelijkertijd hun weerstandskracht terwijl de concentratie de weerstandskracht van de stedelijke arbeiders doet stijgen. Evenals in de stedelijke industrie wordt in de moderne landbouw de gestegen productieve kracht en grotere mobiliteit van de arbeid gekocht door verwoesting en verzieking van de arbeidskracht zelf. En iedere vooruitgang van de kapitalistische landbouw is niet slechts een vooruitgang in de kunst de arbeiders te beroven, maar tegelijk in de kunst van het beroven van de bodem. Iedere vooruitgang in het vergroten van de vruchtbaarheid van de bodem gedurende een bepaalde tijd is tevens een vooruitgang in het verwoesten van de blijvende bronnen van deze vruchtbaarheid. Hoe meer een land zoals bv. de Verenigde Staten uitgaat van de grootindustrie als achtergrond voor zijn ontwikkeling, des te sneller gaat dit vernietigingsproces. De kapitalistische productie ontwikkelt dus slechts de techniek en de combinatie van het maatschappelijk productieproces terwijl ze tegelijkertijd de bron van alle rijkdom ondergraaft: de grond en de arbeider.