Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Vijfde deel: De productie van de absolute en de relatieve meerwaarde


XIV. Absolute en relatieve meerwaarde

In zoverre het arbeidsproces een zuiver individueel proces is verenigt dezelfde arbeider alle functies in zich die later worden gescheiden. Zoals in het systeem van de natuur hoofd en hand bij elkaar horen, zo verenigt het arbeidsproces hoofdarbeid en handarbeid. Later gaan deze uiteen tot een vijandige tegenstelling. Het product verandert zich in het algemeen uit het directe product van de afzonderlijke producent in een maatschappelijk product, in het gezamenlijke product van een totaalarbeider, d.w.z. van een gecombineerd arbeidspersoneel, waarvan de verschillende leden meer of minder betrokken zijn bij de bewerking van het arbeidsvoorwerp.

Met het coöperatieve karakter van het arbeidsproces zelf verwijdt zich dus noodzakelijk het begrip van de productieve arbeid en zijn drager, de productieve arbeider. Om productief te werken is het nu niet meer nodig zelf de hand aan het werk te slaan, het is voldoende orgaan van de totaal-arbeider te zijn. Een of andere onder-functie van hem te vervullen.

De oorspronkelijke bepaling van de productieve arbeid die vanuit de aard van de materiële productie zelf werd afgeleid, blijft altijd waar voor de totaal-arbeider als totaal beschouwd. Maar geldt niet meer voor de afzonderlijke leden.

Aan de andere kant vernauwt het begrip productieve arbeid zich. De kapitalistische productie is niet slechts productie van waren, zij is in feite productie van meerwaarde. Slechts die arbeider is productief, die meerwaarde voor de kapitalist produceert of die dient voor de meerwaardeproductie (Selbstverwertung) van het kapitaal. Het begrip ‘productief arbeider’ houdt daarom niet slechts een verhouding tussen werkzaamheid en nuttig effect, tussen arbeider en arbeidsproduct in, maar tevens een specifiek maatschappelijke, historisch ontstane productieverhouding die de arbeider tot direct middel voor de meerwaardevorming (Verwertungsmittel) van het kapitaal stempelt. Productief arbeider te zijn is daarom niet een geluk, maar een ongeluk.

De verlenging van de arbeidsdag voorbij een punt waarop de arbeider slechts een equivalent voor de waarde van zijn arbeidskracht geproduceerd heeft, en de toe-eigening van deze meerwaarde door het kapitaal — dat is de productie van de absolute meerwaarde. Zij vormt de algemene basis van het kapitalistische systeem en het uitgangspunt van de productie van de relatieve meerwaarde. Om de meerarbeid te vergroten wordt de noodzakelijke arbeid verkort door methoden waardoor het equivalent van het arbeidsloon in een kortere tijd geproduceerd wordt. Bij de productie van de absolute meerwaarde gaat het slechts om de lengte van de arbeidsdag, de productie van de relatieve meerwaarde revolutioneert het technische proces van de arbeid en van de maatschappelijke groeperingen door en door. De productie van de relatieve meerwaarde veronderstelt dus een specifiek kapitalistische productiewijze, die met zijn methoden, middelen en voorwaarden zelf eerst op de basis van de formele onderschikking van de arbeid onder het kapitaal natuurlijk ontstaat en gevormd wordt. In plaats van de formele onderschikking komt de reële onderschikking van de arbeid onder het kapitaal.

Vanuit een bepaald gezichtspunt gezien schijnt het onderscheid tussen absolute en relatieve meerwaarde geheel denkbeeldig te zijn.

De relatieve meerwaarde is absoluut want de voorwaarde is absolute verlenging van de arbeidsdag boven de voor het bestaan van de arbeider zelf noodzakelijke arbeidstijd.

De absolute meerwaarde is relatief, want de voorwaarde is een ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit die het mogelijk maakt de noodzakelijke arbeidstijd tot een deel van de arbeidsdag te beperken. Letten we echter op de beweging van de meerwaarde, dan verdwijnt deze schijn van identiteit. Zodra de kapitalistische productiewijze er eenmaal is en algemene productiewijze is geworden, doet het onderscheid tussen absolute en relatieve meerwaarde zich gevoelen, zodra het er om gaat de meerwaardevoet te verhogen.

Als we uitgaan dat de arbeidskracht tegen zijn waarde betaald wordt staan we voor het volgende alternatief: als de productiviteit van de arbeid en zijn normale graad van intensiteit gegeven is, is het slechts mogelijk de meerwaardevoet te verhogen door absolute verlenging van de arbeidsdag. Anderzijds, bij een gegeven grens van de arbeidsdag, kan de meerwaardevoet slechts verhoogd worden door een verandering van de relatieve grootte van zijn bestanddelen, de noodzakelijke arbeid en de meerarbeid. Wat weer verandering in de productiviteit of de intensiteit van de arbeid impliceert — anders zou het loon immers onder de waarde van de arbeidskracht dalen.

Afgezien van de meer of minder ontwikkelde gedaante van de maatschappelijke productie blijft de productiviteit van de arbeid door natuurlijke omstandigheden gebonden. De uiterlijke natuurlijke omstandigheden vallen economisch in twee categorieën uiteen, natuurlijke rijkdom aan levensmiddelen (dus ‘vruchtbaarheid van de bodem, visrijk water, enz.) en natuurlijke rijkdom aan arbeidsmiddelen (sterke watervallen, bevaarbare rivieren, hout, metalen, kolen, enz.). De gunstige natuurlijke omstandigheden geven altijd slechts de mogelijkheid nooit de werkelijkheid van meerarbeid, dus meerwaarde of meerproduct. De verschillende natuurlijke omstandigheden van de arbeid hebben tot resultaat dat dezelfde hoeveelheid arbeid in verschillende landen een verschillende hoeveelheid behoeften bevredigt, dat dus onder overigens analoge omstandigheden de noodzakelijke arbeidstijd verschillend is. Op de meerarbeid werken ze slechts als natuurlijke grenzen, d.w.z. door de bepaling van het punt waarop de arbeid voor anderen beginnen kan. Naarmate de industrie zich ontwikkelt, wijkt de natuurlijke grens terug.