Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Zesde deel: Het arbeidsloon
Aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij manifesteert zich het loon van de arbeider als de prijs van de arbeid. Een bepaalde hoeveelheid geld die voor een bepaalde hoeveelheid arbeid betaald wordt. Op de warenmarkt komt de geldbezitter niet direct tegenover de arbeid te staan, maar tegenover de arbeider. Deze arbeider verkoopt zijn arbeidskracht. Zodra zijn arbeid werkelijk begint, behoort deze hem al niet meer toe en kan dus niet meer door hem verkocht worden. De arbeid is de substantie en de immanente maat van de waarde, maar hij heeft zelf geen waarde.
De vorm van het arbeidsloon wist zo ieder spoor uit van de verdeling van de arbeidsdag in noodzakelijke arbeid en meerarbeid, in betaalde en onbetaalde arbeid. Alle arbeid manifesteert zich als betaalde arbeid. Bij de slavenarbeid manifesteert zich zelfs het deel van de arbeidsdag waarin de slaaf slechts de waarde van zijn eigen levensmiddelen vervangt, waarin hij in feite dus voor zichzelf arbeidt, als arbeid voor zijn meester. Alle arbeid van de slaaf manifesteert zich als onbetaalde arbeid. Bij de loonarbeid manifesteert zich omgekeerd zelfs meerarbeid of onbetaalde arbeid als betaald.
Ginds verbergt de eigendomsverhouding het voor-zichzelf-werken van de slaven, hier de geldverhouding het voor-niets-werken van de loonarbeider.
Men begrijpt dus de beslissende betekenis van de veranderingen van waarde of prijs van de arbeidskracht in de vorm van arbeidsloon of in waarde of prijs van de arbeid zelf. Op deze verschijningsvorm die de werkelijke verhouding onzichtbaar maakt en juist zijn tegendeel toont, berusten alle rechtsvoorstellingen van de arbeider zowel als van de kapitalist, alle mystificaties van de kapitalistische productiewijze, al hun vrijheidsillusies, alle apologetische praatjes van de vulgair-economie.
Al heeft de wereldgeschiedenis veel tijd nodig om achter het geheim van het arbeidsloon te komen, niets is gemakkelijker te begrijpen dan de noodzaak, de raisons d’être (redenen van bestaan) van deze verschijningsvorm.
De ruil tussen kapitaal en arbeid is op het eerste gezicht voor de waarnemer net zoiets als koop en verkoop van andere waren. De koper geeft een bepaalde geldsom, de verkoper een artikel dat zich van geld onderscheidt. Het rechtsbewustzijn erkent hier hooguit een materieel onderscheid dat zich uitdrukt in de rechtens equivalente formuleringen: Do ut des, do ut facias, facio ut des, en facio ut facias (Ik geef, opdat jij geeft; ik geef, opdat jij doet; ik doe, opdat jij geeft, en ik doe, opdat jij doet).
Laten we ons plaatsen op het standpunt van de arbeider die voor 12-urige arbeid bijvoorbeeld het waardeproduct van 6-urige arbeid krijgt, laten we zeggen 3 sh.; voor hem is dus inderdaad zijn 12-urige arbeid het middel om 3 sh. te kopen. De waarde van zijn arbeidskracht kan variëren met de waarde van zijn gebruikelijke bestaansmiddelen van 3 tot 4 sh. of van 3 tot 2 sh. of, bij gelijkblijvende waarde van zijn arbeidskracht kan zijn prijs tengevolge van wisselende verhoudingen van vraag en aanbod, tot 4 sh. stijgen of tot 2 sh. Dalen. Hij bestaat steeds uit 12 arbeidsuren. Iedere verandering in de grootte van het equivalent, dat hij ontvangt, manifesteert zich voor hem daarom noodzakelijk als verandering in de waarde of prijs van zijn 12 arbeidsuren.
Laten we nu aan de andere kant van de kapitalist uitgaan, dan zien we dat hij zoveel mogelijk arbeid voor zo weinig mogelijk geld wil krijgen. Praktisch interesseert hem dus slechts het verschil tussen de prijs van de arbeidskracht en de waarde, die de functie van de arbeidskracht schept. Maar hij probeert alle waren zo goedkoop mogelijk te kopen en hij verklaart zijn winst uit afzetterij, uit het kopen onder de waarde en het verkopen boven de waarde. Het komt dus niet bij hem op dat wanneer zoiets als waarde van de arbeid werkelijk zou bestaan, en de kapitalist deze werkelijk betaalde, er geen kapitaal kan bestaan en dat zijn geld zich niet in kapitaal kon omzetten.