Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Zesde deel: Het arbeidsloon


XVIII. Het tijdloon

De verkoop van de arbeidskracht vindt steeds voor bepaalde tijdsruimten plaats. De veranderde vorm waarin de dagwaarde, weekwaarde enz. van de arbeidskracht zich direct manifesteert is daarom het ‘tijdloon’, dus het dagloon enz.

De geldsom die de arbeider voor zijn dagarbeid, weekarbeid enz. krijgt vormt het bedrag van zijn nominale loon, of de waarde waarop zijn loon geschat wordt. Het is echter duidelijk dat naar gelang de lengte van de arbeidsdag, dus al naar gelang de dagelijks door hem geleverde hoeveelheid arbeid, hetzelfde dagloon, weekloon, enz. een zeer verschillende prijs van de arbeid, d.w.z. zeer verschillende geldsommen voor dezelfde hoeveelheid arbeid vertegenwoordigen kan. We moeten dus bij het tijdloon weer onderscheid maken tussen het totaalbedrag van het arbeidsloon — dagloon, weekloon enz. — en de prijs van de arbeid. Hoe vinden we nu die prijs, d.w.z. de geldwaarde van een bepaalde hoeveelheid arbeid?

De gemiddelde prijs van de arbeid vinden we door de gemiddelde dagwaarde van de arbeidskracht door het aantal uren van de gemiddelde arbeidsdag te delen. De aldus gevonden prijs van een arbeidsuur dient als eenheidsmaat voor de prijs van de arbeid. Daaruit volgt dat het dagloon, weekloon, enz. hetzelfde kan blijven hoewel de prijs van de arbeid voortdurend daalt. Omgekeerd kan het dagloon of weekloon stijgen, hoewel de prijs van de arbeid constant blijft of zelfs daalt. Als bv. de arbeidsdag 10 uur is en de dagwaarde van de arbeidskracht 3 sh. dan is de prijs van een arbeidsuur 3 3/5d. Werkt de arbeider ten gevolge van toenemende drukte en bij gelijkblijvende prijs van de arbeid 12 uur, dan stijgt zijn dagloon op 3 sh. 7 1/5d, zonder verandering in de prijs van de arbeid. Hetzelfde resultaat kan optreden als in plaats van de duur van de arbeid, zijn intensiteit zou toenemen.

Als algemene wet volgt hieruit: is de hoeveelheid van de dag- of weekarbeid gegeven, dan hangt het dag- en weekloon van de prijs van de arbeid af, die zelf varieert hetzij met de waarde van de arbeidskracht, hetzij met de afwijkingen van de prijs van de arbeidskracht van zijn waarde. Is echter de prijs van de arbeid gegeven, dan hangt het dag- of weekloon van de hoeveelheid van de dag- of weekarbeid af. De maateenheid van het tijdloon, de prijs van het arbeidsuur, is het quotiënt van de dagwaarde van de arbeidskracht en het aantal uren van de gebruikelijke arbeidsdag.

Wordt het uurloon zo vastgesteld dat de kapitalist zich niet tot het betalen van een dag- of weekloon verplicht maar slechts tot betaling van de arbeidsuren die het hem belieft de arbeider aan het werk te zetten, dan kan hij hem voor een kleinere tijd tewerkstellen dan voor de schatting van het uurloon of de maateenheid voor de prijs van de arbeid oorspronkelijk gediend heeft. De kapitalist kan nu een bepaalde hoeveelheid meerarbeid uit de arbeider slaan, zonder hem de arbeidstijd te laten, die noodzakelijk is voor het onderhoud van de arbeider. Hij kan iedere regelmaat in de tewerkstelling vernietigen en geheel naar zijn eigen goeddunken, willekeur en directe belang het meest afschuwelijke overwerk met relatieve of gehele werkloosheid laten afwisselen. Hij kan onder het voorwendsel de ‘normale prijs van de arbeid’ te betalen, de arbeidsdag zonder enige overeenkomstige compensatie voor de arbeider abnormaal verlengen.

Bij een stijgend dag- en weekloon kan de prijs van de arbeid nominaal constant blijven en toch onder zijn normaal niveau dalen. Dit vindt iedere keer plaats, zodra de arbeidsdag bij een constante prijs van de arbeid, respectievelijk van het arbeidsuur boven zijn gebruikelijke duur verlengt wordt.

De waarde van de arbeidskracht neemt door zijn slijtage toe met de duur van zijn functie en neemt sneller toe dan de duur toeneemt. In veel industrietakken waar gewoonlijk tijdloon betaald wordt zonder wettelijke grenzen van de arbeidstijd is dan ook spontaan de gewoonte ontstaan dat de arbeidsdag tot een bepaald punt, bv. tot het einde van het tiende uur, als normaal geldt. Boven deze grens wordt arbeidstijd overwerk (overtime) en wordt het uur — als maateenheid genomen — beter betaald (extra pay), hoewel dikwijls in belachelijk kleine verhouding. Het is een algemeen bekend feit dat naarmate de arbeidsdag in een industrietak langer is, het arbeidsloon ook lager wordt.

Uit de wet: ‘bij een bepaalde prijs van de arbeid hangt het dag- of weekloon af van de hoeveelheid geleverde arbeid’ volgt dat de hoeveelheid arbeid groter moet zijn, of de arbeidsdag langer, naarmate de prijs van de arbeid lager is. Wil de arbeider tenminste een schamel gemiddeld loon halen. De lage prijs van de arbeid werkt hier dus als aansporing tot verlenging van de arbeidsdag.

Omgekeerd echter produceert de verlenging van de arbeidsdag een daling van de prijs van de arbeid en daarmee een daling van het dag- en weekloon.

De bepaling van de prijs van de arbeid door

toont aan dat loutere verlenging van de arbeidsdag de prijs van de arbeid doet dalen wanneer er geen compenserende invloeden zijn. Maar dezelfde omstandigheden die de kapitalisten in staat stellen de arbeidsdag op den duur te verlengen, stellen ze in staat en dwingen ze tenslotte de prijs van de arbeid ook nominaal te laten dalen, tot de totale prijs van het vermeerderde aantal uren — dus het dag- en weekloon — daalt. Spoedig echter wordt deze beschikking over abnormale, d.w.z. boven het maatschappelijk gemiddelde niveau liggende hoeveelheden onbetaalde arbeid, tot een concurrentiemiddel onder de kapitalisten zelf.

Een deel van de warenprijs bestaat uit de prijs van de arbeid. Het niet betaalde deel van de prijs van de arbeid hoeft niet in de warenprijs doorberekend te worden. Dit is de eerste stap waartoe de concurrentie drijft. Op deze manier vormt zich eerst sporadisch en fixeert zich langzamerhand een abnormaal lage verkoopprijs van de waar, die van nu af aan tot constante basis van het schamele arbeidsloon bij een overmatige arbeidstijd wordt, die oorspronkelijk het product van deze omstandigheden was.