Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Eerste deel: Waar en geld


II. Het ruilproces

Waren kunnen niet zelf naar de markt gaan en niet zichzelf verruilen. We moeten dus naar hun hoeders, de warenbezitters omzien. Waren zijn dingen en dus weerloos tegen de mens. Als ze niet gewillig zijn, kan hij geweld gebruiken, met andere woorden, ze nemen. Om de dingen als waren tot elkaar in betrekking te brengen moeten de warenhoeders zich tot elkaar verhouden als personen wier wil in die dingen huist, zodat de een slechts met de wil van de ander, dus ieder slechts krachtens een gemeenschappelijke wilsdaad van beide, zich de vreemde waar toe-eigent terwijl hij zijn eigen waar vervreemdt. Zij moeten elkaar dus wederkerig als privaatbezitters erkennen. Deze rechtsverhouding, waarvan de vorm een overeenkomst is, al dan niet wettelijk ontwikkeld, is een wilsverhouding waarin zich de economische verhouding weerspiegelt. De inhoud van deze rechts- of wilsverhouding is door de economische verhouding zelf gegeven. De personen bestaan hier slechts voor elkaar als vertegenwoordigers van waren en dus als warenbezitters. We zullen trouwens in het verloop van de ontwikkeling zien dat de vermommingen van de personen, die op het economische toneel optreden slechts de personificaties van de economische verhoudingen zijn. Als dragers daarvan komen ze tegenover elkaar te staan.

Voor de warenbezitter heeft zijn waar geen directe gebruikswaarde. Anders zou hij hem niet op de markt brengen. Hij heeft gebruikswaarde voor anderen. Voor hem heeft hij slechts direct de gebruikswaarde, dat hij drager van ruilwaarde en dus ruilmiddel is. Daarom wil hij hem vervreemden voor waren, waarvan de gebruikswaarde hem bevredigt. Alle waren zijn niet-gebruikswaarden voor hun bezitters en gebruikswaarden voor hun niet-bezitters. Zij moeten dus wederkerig in andere handen overgaan. Maar dit overgaan-in-andere-handen vormt hun ruil en hun ruil brengt ze als waarden in verhouding tot elkaar en realiseert ze als waarden. De waren moeten zich dus als waarden realiseren voor ze zich als gebruikswaarden kunnen realiseren.

Anderzijds moeten ze er blijk van geven gebruikswaarden te zijn, voordat ze zich als waarden realiseren kunnen. Want de menselijke arbeid die aan ze besteedt is telt slechts in zover hij in een voor anderen nuttige vorm besteed is. Of hij voor anderen nuttig is, of zijn product dus vreemde behoeften bevredigt, kan echter slechts in de ruil bewezen worden.

Iedere warenbezitter wil zijn waren slechts vervreemden tegen andere waren, waarvan de gebruikswaarde zijn behoefte bevredigt. In zover is de ruil voor hem slechts een individueel proces. Aan de andere kant wil hij zijn waren als waarde realiseren. Dus in iedere waar die hem belieft, van dezelfde waarde, onverschillig of zijn eigen waar nu voor de bezitter van de andere waar gebruikswaarde heeft of niet. In zover is de ruil voor hem een algemeen maatschappelijk proces. Maar hetzelfde proces kan niet gelijktijdig voor alle warenbezitters slechts individueel en tegelijkertijd slechts algemeen maatschappelijk zijn.

De warenruil begint waar de gemeenschappen eindigen, op de punten van hun contact met vreemde gemeenschappen of met leden van vreemde gemeenschappen. Zodra echter dingen naar buiten waren worden, worden ze het van de weeromstuit ook binnen de gemeenschap. Hun kwantitatieve ruilverhouding is aanvankelijk geheel toevallig. Ze zijn ruilbaar door de wilsdaad van hun bezitters om ze wederkerig te vervreemden. Intussen wordt de behoefte aan vreemde gebruiksvoorwerpen een gevestigde behoefte. De voortdurende herhaling van de ruil maakt die tot een regelmatig maatschappelijk proces. In de loop van de tijd moet daarom tenminste een deel van de arbeidsproducten expres ten behoeve van de ruil geproduceerd worden. Vanaf dit ogenblik bevestigt zich aan de ene kant de scheiding tussen de nuttigheid van de dingen voor de onmiddellijke behoefte en hun nuttigheid voor de ruil. Hun gebruikswaarde scheidt zich van hun ruilwaarde. Aan de andere kant wordt de kwantitatieve verhouding, waarin ze tegen elkaar geruild worden van hun productie zelf afhankelijk. De gewoonte fixeert ze als waardegrootheden.

In de directe productenruil is iedere waar direct ruilmiddel voor zijn bezitter en equivalent voor zijn niet-bezitter, maar alleen voor zover hij gebruikswaarde voor hem is. Het ruilartikel bezit dus nog geen waardevorm, die onafhankelijk is van zijn eigen gebruikswaarde of van de individuele behoefte van degene die ruilt. De noodzakelijkheid van deze vorm ontwikkelt zich met het groeiende aantal en de veelvuldigheid van de in het ruilproces optredende waren. Het probleem ontstaat tegelijk met de middelen om het op te lossen. Een verkeer waarin de warenbezitters hun eigen artikelen tegen verschillende andere artikelen ruilen en vergelijken vindt nooit plaats, zonder dat verschillende waren van verschillende warenbezitters in hun verkeer met een en dezelfde derde warensoort geruild en als waarden vergeleken worden.

Zo een derde waar, als hij equivalent voor verschillende andere waren wordt, krijgt direct, zij het ook binnen enge grenzen, de algemene of maatschappelijke equivalentvorm. Deze algemene equivalentvorm ontstaat en gaat te niet met het ogenblikkelijke maatschappelijke contact dat hem in het leven riep. Afwisselend en vluchtig valt hij deze of gene waar toe. Met de ontwikkeling van de warenruil hecht hij zich echter uitsluitend vast aan bijzondere warensoorten of kristalliseert hij zich tot geldvorm. Aan welke warensoort hij blijft kleven is aanvankelijk toevallig. Maar algemeen beslissen twee omstandigheden. De geldvorm hecht zich hetzij aan de belangrijkste vreemde ruilartikelen, die in feite de natuurlijke verschijningsvormen van de ruilwaarde van de inheemse producten zijn, hetzij aan het gebruiksvoorwerp dat het hoofdelement van het inheemse vervreemdbare bezit vormt, zoals bv. het vee.

Nomadenvolkeren ontwikkelen het eerst de geldvorm omdat hun have en goed zich in een beweeglijke en dus direct vervreemdbare vorm bevindt en omdat hun levenswijze ze voortdurend met vreemde gemeenschappen in contact brengt, dus tot productenruil uitnodigt. De mensen hebben dikwijls de mensen zelf (in de vorm van slaven) tot oorspronkelijk geldmateriaal gemaakt, maar nooit grond en bodem. Zo een idee kon slechts in een reeds ontwikkelde burgerlijke maatschappij opkomen.

Het geldkristal is een noodzakelijk product van het ruilproces, waarin veelsoortige arbeidsproducten aan elkaar gelijkgesteld worden en dus werkelijk in waren veranderd worden. De historische uitbreiding en verdieping van de ruil ontwikkelt de in de warennatuur sluimerende tegenstelling van gebruikswaarde en waarde. De behoefte om deze tegenstelling voor het verkeer naar buiten te manifesteren, drijft naar een zelfstandige vorm van de warenwaarde en heeft rust noch duur tot hij uiteindelijk bereikt is door de verdubbeling van de waar in waar en geld. In dezelfde mate dus waarin zich de verandering van de arbeidsproducten in waren voltrekt, voltrekt zich ook de verandering van waar in geld.

Een adequate verschijningsvorm van waarde of de verstoffelijking van abstracte en dus gelijke menselijke arbeid kan slechts een materie zijn waarvan alle exemplaren dezelfde gelijkvormige kwaliteit bezitten. Aan de andere kant moet de geldwaar, omdat het onderscheid van de warengrootheden zuiver kwantitatief is, vatbaar zijn voor kwantitatieve verschillen, dus naar willekeur deelbaar en uit zijn delen weer samen te voegen. Goud en zilver nu, bezitten deze eigenschappen van nature.

De geldvorm is alleen maar de aan één waar vastgehechte weerspiegeling van de betrekkingen met alle andere waren. Dat geld een waar is, is dus slechts een ontdekking voor hem die van zijn voltooide gedaante uitgaat, om hem achteraf te analyseren. Het ruilproces geeft de waar, die dan door dit proces in geld veranderd wordt, niet zijn waarde, maar zijn specifieke waardevorm. De verwisseling van beide bestemmingen verleidde de mensen ertoe de waarde van goud en zilver voor denkbeeldig te houden. Omdat geld in bepaalde functies vervangen kan worden door louter een teken voor geld ontstond de dwaling dat het louter een teken was.

Zoals elke waar kan het geld zijn eigen waardegrootte alleen maar relatief in andere waren uitdrukken. Zijn eigen waarde is bepaald door de voor zijn productie vereiste arbeidstijd en drukt zich uit in een hoeveelheid van iedere andere waar, waarin evenveel arbeidstijd gestold is. De vaststelling van zijn relatieve waardegrootte vindt plaats bij zijn productiebron in de directe ruilhandel. Wanneer het als geld in de circulatie komt, is zijn waarde al gegeven.

Een waar schijnt niet pas geld te worden, omdat de andere waren algemeen hun waarde erin uitdrukken, maar ze schijnen omgekeerd hun waarde erin uit te drukken omdat hij reeds geld is. De beweging die dienst doet voor de verandering verdwijnt in haar eigen resultaat en laat geen spoor na. Zonder haar toedoen vinden de waren hun eigen waardegedaante gereed als een buiten en naast hen bestaand warenlichaam. Deze dingen, goud en zilver, zoals ze uit de ingewanden van de aarde komen zijn tegelijk de directe incarnatie van alle menselijke arbeid. Daar komt de magie van het geld vandaan. Het raadsel van de geldfetisj is dus slechts het zichtbaar geworden, oogverblindende raadsel van de warenfetisj.