Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Zesde deel: Het arbeidsloon
In ieder land bestaat een bepaald gemiddelde intensiteit van de arbeid. Ligt de intensiteit bij de productie van een waar beneden dat gemiddelde, dan wordt meer dan de maatschappelijk noodzakelijke tijd verbruikt en daarom telt die arbeid niet als arbeid van normale kwaliteit. Alleen een zich boven het nationale gemiddelde verheffende graad van intensiteit verandert in een bepaald land het louter door de duur van de arbeidstijd bepaald zijn van de waardemaat. Dit ligt anders op de wereldmarkt, waarvan de afzonderlijke landen de samenstellende delen zijn. De gemiddelde intensiteit van de arbeid varieert van land tot land. Zij is hier groter, daar kleiner. Deze nationale gemiddelden vormen een schaal waarvan de maateenheid de gemiddelde eenheid van de universele arbeid is. Vergeleken met de minder intensieve produceert de intensievere nationale arbeid dus in dezelfde tijd meer waarde, die zich dus in meer geld uitdrukt.
Naarmate in een land de kapitalistische productie ontwikkeld is, liggen daar in dezelfde mate ook de nationale intensiteit en productiviteit boven het internationale niveau. De verschillende hoeveelheden waren van dezelfde soort die in verschillende landen in gelijke arbeidstijd geproduceerd worden, hebben dus ongelijke internationale waarden die zich in verschillende prijzen uitdrukken, d.w.z. in geldsommen die variëren met de internationale waarden. De relatieve waarde van het geld zal dus kleiner zijn bij de natie met ontwikkelde kapitalistische productiewijze dan bij die met minder ontwikkelde. Daaruit volgt dat het nominale arbeidsloon, het equivalent van de arbeidskracht uitgedrukt in geld, eveneens hoger zal zijn bij de naties met ontwikkelde kapitalistische productie dan bij die met onontwikkelde. Wat helemaal niet zeggen wil dat dit ook voor het werkelijke loon geldt, d.w.z. voor de levensmiddelen die de arbeider ter beschikking staan.