Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Zevende deel: Het accumulatieproces van het kapitaal
De verandering van een geldsom in productiemiddelen en arbeidskracht is de eerste beweging die de hoeveelheid waren doormaakt die als kapitaal fungeren moet.
Deze verandering vindt op de markt plaats, in de circulatiesfeer. De tweede fase van de beweging, het productieproces, is afgesloten zodra de productiemiddelen veranderd zijn in waren, waarvan de waarde groter is dan de waarde van zijn bestanddelen. Het bevat dus het oorspronkelijk voorgeschoten kapitaal plus een meerwaarde. Deze waren moeten nu opnieuw in de circulatiesfeer geworpen worden. Het gaat erom ze te verkopen, hun waarde in geld te realiseren. Deze kringloop, die altijd dezelfde opeenvolgende fasen doormaakt vormt de circulatie van het kapitaal.
De eerste voorwaarde voor de accumulatie is, dat de kapitalist het klaarspeelt zijn waren te verkopen en het grootste gedeelte van het aldus gekregen geld weer in kapitaal te veranderen.
De kapitalist die de meerwaarde produceert, d.w.z. direct onbetaalde arbeid uit de arbeiders pompt en in waren fixeert, is weliswaar de eerste toe-eigenaar, maar niet de laatste eigenaar van deze meerwaarde. De kapitalist moet de meerwaarde achteraf delen met kapitalisten die andere functies in het grote geheel van de maatschappelijke productie vervullen (met de grondeigenaren, etc.). De meerwaarde splitst zich daarom in verschillende delen, zoals winst, interest, handelswinst, grondrente, enz. Wij beschouwen hier de kapitalistische producent als eigenaar van de gehele meerwaarde, of zo men wil als vertegenwoordiger van alle deelgenoten in de buit.
Evenmin als een maatschappij kan ophouden met consumeren, evenmin kan zij ophouden met produceren. Als een constante samenhang en in de voortdurende stroom van zijn vernieuwing beschouwd, is ieder maatschappelijk productieproces daarom tegelijk reproductieproces.
De voorwaarden voor de productie tegelijk voorwaarden voor de reproductie. Geen maatschappij kan voortdurend produceren (d.w.z. reproduceren) zonder voortdurend een deel van zijn producten in productiemiddelen of elementen voor de nieuwe productie terug te veranderen.
Als de productie de kapitalistische vorm heeft, dan heeft reproductie dit ook. Zoals in de kapitalistische productiewijze het arbeidsproces slechts als een middel voor het proces van meerwaardevorming (Verwertungsprozess) verschijnt, zo verschijnt de reproductie slechts als een middel, om de voorgeschoten waarde als kapitaal te reproduceren, d.w.z. als meerwaarde vormende waarde (sich verwertender Wert). Het economische masker van de kapitalist draagt de mens alleen, doordat zijn geld voortdurend als kapitaal functioneert.
Als periodieke aangroei van de kapitaalwaarde of periodieke vrucht van het werkzame kapitaal krijgt de meerwaarde de vorm van een uit het kapitaal voortkomend revenu. Als dit revenu voor de kapitalist slechts dient als consumptiefonds of als het even periodiek verteerd als verkregen wordt, dan vindt onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, eenvoudige reproductie plaats. De eenvoudige reproductie is louter herhaling van het productieproces op dezelfde schaal. Het productieproces wordt begonnen met de koop van de arbeidskracht voor een bepaalde tijd. Betaald wordt de arbeider pas nadat zijn arbeidskracht gewerkt heeft en als de arbeidskracht zowel zijn eigen waarde als de meerwaarde in waren gerealiseerd heeft. Hij heeft dus naast de meerwaarde, die we als consumptiefonds van de kapitalisten beschouwen, het fonds voor zijn eigen betaling (het variabele kapitaal) geproduceerd voordat het in de vorm van arbeidsloon naar hem terugvloeit.
Terwijl de arbeider een deel van de productiemiddelen in product verandert, verandert een deel van zijn vroegere product zich terug in geld. Zijn arbeid van nu of van het komende half jaar wordt betaald met zijn arbeid van vorige week of van het laatste halfjaar.
De voorgeschoten kapitaalwaarde gedeeld door de jaarlijks verteerde meerwaarde geeft het aantal jaren of reproductieperiodes, naar verloop waarvan het oorspronkelijk voorgeschoten kapitaal door de kapitalist opgeteerd werd en dus verdwenen is. Na verloop van een bepaald aantal jaren is de hun toebehorende kapitaalwaarde gelijk aan de som van de gedurende hetzelfde aantal jaren zonder equivalent toegeëigende meerwaarde en de door hen verteerde waardesom gelijk aan de oorspronkelijke kapitaalwaarde. Als de kapitalist het equivalent van zijn voorgeschoten kapitaal opgeteerd heeft vertegenwoordigt de waarde van dit kapitaal nog slechts de totaalsom van de door hem zonder tegenprestatie toegeëigende meerwaarde. Geen atoom waarde van zijn oude kapitaal blijft bestaan.
Geheel afgezien van alle accumulatie, verandert de enkele continuïteit van het productieproces of de eenvoudige reproductie ieder kapitaal na een kortere of langere periode dus noodzakelijk in geaccumuleerd kapitaal of gekapitaliseerde meerwaarde. Zelfs wanneer het kapitaal bij zijn eerste intrede in het productieproces door eigen arbeid eigendom van de gebruiker was geworden, vroeger of later wordt het een zonder equivalent toegeëigende waarde of belichaming van onbetaalde vreemde arbeid, hetzij in geldvorm, hetzij in andere vorm.
Om geld in kapitaal te veranderen moesten eerst bezitters van waarde of geld en bezitters van waardescheppende substantie — of bezitters van productie- en bestaansmiddelen en bezitters van niets meer dan arbeidskracht, als kopers en verkopers tegenover elkaar komen te staan. Wat echter in het begin slechts uitgangspunt was wordt door middel van alleen de continuïteit van het proces middels de eenvoudige reproductie, steeds opnieuw geproduceerd en vereeuwigd als eigen resultaat van de kapitalistische productie.
Aan de ene kant verandert het productieproces voortdurend de stoffelijke rijkdom in kapitaal, in middelen voor de meerwaardeproductie (Verwertungsmittel) en genotmiddelen voor de kapitalisten. Anderzijds komt de arbeider voortdurend uit het proces vandaan zoals hij erin ging — een persoonlijke bron van rijkdom, maar ontbloot van alle middelen om deze rijkdom voor zichzelf te verwezenlijken. De arbeider zelf produceert onophoudelijk de objectieve rijkdom als kapitaal, een hem vreemde, hem beheersende en uitbuitende macht.
En de kapitalist produceert even onophoudelijk de arbeidskracht als subjectieve, van zijn eigen middelen tot concretisering en verwezenlijking gescheiden, abstracte, slechts in het lichaam van de arbeider bestaande bron van rijkdom. Kortom de arbeider als loonarbeider.
De consumptie van de arbeider is van tweeërlei aard. In de productie zelf consumeert hij door zijn arbeid productiemiddelen en verandert ze in producten van een hogere waarde dan die van het voorgeschoten kapitaal. Dat is zijn productieve consumptie. Ze is tegelijkertijd consumptie van zijn arbeidskracht door de kapitalist, die de arbeidskracht gekocht heeft. Aan de andere kant gebruikt de arbeider het voor de koop van zijn arbeidskracht betaalde geld voor bestaansmiddelen, dat is zijn individuele consumptie. De productieve en individuele consumptie van de arbeider zijn dus totaal verschillend. In de eerste vorm handelt hij als bewegende kracht van het kapitaal en behoort hij aan de kapitalist, in de tweede vorm behoort hij zichzelf toe en verricht levensfuncties buiten het productieproces. Het resultaat van de een is het leven van de kapitalist, dat van het andere is het leven van de arbeider zelf.
Als de kapitalist een deel van zijn kapitaal in arbeidskracht omzet vergroot (verwertet) hij daarmee zijn totaalkapitaal. Hij slaat twee vliegen in een klap. Hij profiteert niet alleen van wat hij van de arbeider krijgt, maar ook van wat hij hem geeft. Het in ruil voor de arbeidskracht bestede kapitaal wordt in bestaansmiddelen veranderd. De consumptie van die bestaansmiddelen dient om spieren, zenuwen, botten, hersens van de aanwezige arbeiders te reproduceren en nieuwe arbeiders te kweken.
De individuele consumptie van de arbeidersklasse is dus productie en reproductie van het voor de kapitalisten onontbeerlijkste productiemiddel, de arbeider zelf. De onafgebroken instandhouding en reproductie van de arbeidersklasse blijft voortdurend een voorwaarde voor de reproductie van het kapitaal.
Daarom beschouwt ook de kapitalist en zijn ideoloog, de politieke econoom, slechts dat deel van de individuele consumptie van de arbeider als productief, dat voor de vereeuwiging van de arbeidersklasse noodzakelijk is, dat dus inderdaad verteerd moet worden opdat de kapitalist de arbeidskracht verteren kan. Wat de arbeider bovendien voor zijn genoegen verteren mag is onproductieve consumptie. Inderdaad is de individuele consumptie van de arbeider voor zichzelf onproductief, want zij reproduceert slechts het behoeftige individu. Ze is productief voor de kapitalist en de staat, want zij is productie van de kracht die rijkdom voor vreemden produceert.
Vanuit maatschappelijk standpunt is dus de arbeidersklasse ook onderdeel van het kapitaal, evenals het dode arbeidersinstrument. Dit is ook het geval buiten het directe arbeidsproces.
Zelfs zijn individuele consumptie is binnen bepaalde grenzen slechts een moment van het reproductieproces van het kapitaal. De Romeinse slaaf was door ketens, de loonarbeiders door onzichtbare draden aan zijn eigenaar gebonden. De reproductie van de arbeidersklasse houdt tegelijk de overdracht en de accumulatie van bekwaamheid van generatie op generatie in.
Het kapitalistische productieproces reproduceert door zijn eigen verloop de scheiding tussen arbeidskracht en arbeidsvoorwaarden. Het reproduceert en vereeuwigt daarmee de uitbuitingsvoorwaarden van de arbeider. Het dwingt voortdurend de arbeider tot verkoop van zijn arbeidskracht om te leven, en stelt de kapitalist voortdurend tot die koop in staat, teneinde zich te verrijken. Het is niet meer toevallig dat de kapitalist en de arbeider als koper en verkoper op de warenmarkt tegenover elkaar zijn geplaatst. Het is de tredmolen van het proces zelf die de één steeds als verkoper van zijn arbeidskracht op de warenmarkt terugslingert en zijn eigen product steeds in het koopmiddel van de ander verandert. Inderdaad behoort de arbeider aan het kapitaal voor hij zich aan de kapitalist verkoopt. Zijn economische horigheid is tegelijk tot stand gebracht en tegelijk verhuld door de periodieke vernieuwing van de verkoop van zichzelf, de verandering van zijn individuele loonheer en de schommelingen in de marktprijs van de arbeid.
Het kapitalistische productieproces in zijn samenhang beschouwd of als reproductieproces, produceert dus niet alleen waren, niet alleen meerwaarde. Het produceert en reproduceert de kapitaalverhouding zelf — aan de ene kant de kapitalist, aan de andere kant de loonarbeider.