Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Zevende deel: Het accumulatieproces van het kapitaal
Gebruik van meerwaarde als kapitaal of het weer veranderen van meerwaarde in kapitaal heet accumulatie van het kapitaal. Om te accumuleren moet men een deel van het meerproduct in kapitaal veranderen. Maar, tenzij men wonderen verricht, kan men slechts die dingen in kapitaal veranderen die in het arbeidsproces bruikbaar zijn, d.w.z. productiemiddelen. Verder ook de dingen die de arbeider gebruikt om zichzelf in stand te houden, d.w.z. bestaansmiddelen.
Daarom moet een deel van de jaarlijkse meerarbeid gebruikt worden om additionele productiemiddelen en bestaansmiddelen te vervaardigen, bóven de hoeveelheid die ter vervanging van het voorgeschoten kapitaal nodig was. Kortom, de meerwaarde kan slechts in kapitaal veranderd worden omdat het meerproduct waarvan het de waarde is al de materiële bestanddelen van een nieuw kapitaal bevat. (Er wordt hier geabstraheerd van de uitvoerhandel, waardoor een natie luxe artikelen in productiemiddelen en bestaansmiddelen kan omzetten en omgekeerd. Om het onderwerp van het onderzoek zuiver en vrij van storende bijomstandigheden aan te pakken, moeten we hier de gehele handelswereld als één natie bekijken en vooronderstellen dat de kapitalistische productiewijze overal ingeburgerd is en zich van alle industrietakken heeft meester gemaakt).
Om nu deze bestanddelen werkelijk als kapitaal te laten fungeren, heeft de kapitalistenklasse een extra hoeveelheid arbeid nodig. Wil de uitbuiting van de al tewerkgestelde arbeiders niet extensief of intensief groter worden, dan moeten additionele krachten ingezet worden. Daarvoor heeft het mechanisme van de kapitalistische productie eveneens reeds gezorgd door de arbeidersklasse te reproduceren als een van het arbeidsloon afhankelijke klasse waarvan het gebruikelijke loon niet alleen toereikend is om het levensonderhoud van die klasse te verzekeren, maar ook voor de vergroting van die klasse. Deze hem door de arbeidersklasse geleverde additionele arbeidskrachten van verschillende leeftijden hoeft het kapitaal nog slechts bij de in de jaarlijkse productie al begrepen additionele productiemiddelen in te lijven en de verandering van meerwaarde in kapitaal is bereikt.
Het is de oude geschiedenis: Abraham won Isaac, Isaac won Jacob enz. Het oorspronkelijke kapitaal van £ 10.000 brengt een meerwaarde van £ 2.000 op, die gekapitaliseerd wordt. Het nieuwe kapitaal van £ 2.000 brengt een meerwaarde van £ 400 op, deze wordt opnieuw gekapitaliseerd — dus in een tweede additioneel kapitaal omgezet — en brengt een nieuwe meerwaarde van £ 80 op, enz. Wij zien hier af van het door de kapitalisten verteerde deel van de meerwaarde.
Oorspronkelijk scheen het eigendomsrecht op eigen arbeid gebaseerd. Dat moest tenminste aangenomen worden, omdat slechts gelijkberechtigde warenbezitters tegenover elkaar staan en het middel tot toe-eigening van vreemde waren slechts het afstand doen van de eigen waar is. En deze laatste kan slechts door arbeid voortgebracht worden. De scheiding tussen eigendom en arbeid wordt de noodzakelijke consequentie van een wet, die schijnbaar uitging van hun identiteit.
We zagen dat zelfs bij eenvoudige reproductie al het voorgeschoten kapitaal, hoe het oorspronkelijk ook verworven werd, zich in geaccumuleerd kapitaal of gekapitaliseerde meerwaarde verandert. Maar in de stroom van de productie wordt al het oorspronkelijke voorgeschoten kapitaal een verdwijnende grootheid (magnitudo evanescens in mathematische betekenis) vergeleken met het direct geaccumuleerde kapitaal, d.w.z. met de meerwaarde of het meerproduct die weer in kapitaal veranderd zijn, ongeacht of ze nu functioneren in handen van hen die geaccumuleerd hebben of in vreemde handen.
Een deel van de meerwaarde wordt door de kapitalist als revenu verteerd (De lezer zal bemerken dat het woord revenu dubbel gebruikt wordt, ten eerste om de meerwaarde als periodiek uit het kapitaal voortspruitende vrucht, ten tweede om dat deel van die vrucht aan te duiden, dat door de kapitalist periodiek verteerd of aan zijn consumptiefonds toegevoegd wordt. Ik houd deze dubbele betekenis aan, omdat het in overeenstemming is met het spraakgebruik van de Franse en Engelse economen.), een ander deel wordt als kapitaal aangewend en geaccumuleerd.
Bij een gegeven hoeveelheid meerwaarde wordt het ene deel groter naarmate het andere kleiner is. Als we alle andere omstandigheden als gelijkblijvend veronderstellen bepaalt de verhouding waarin deze verdeling zich voltrekt de grootte van de accumulatie. De eigenaar van de meerwaarde — de kapitalist — brengt deze verdeling tot stand.
Men zegt: het deel van de door de kapitalist opgelegde schatting dat hij accumuleert, wordt door hem gespaard. Omdat hij het niet opeet, d.w.z. omdat hij zijn functie als kapitalist uitoefent. Dat is nl. de functie, zich te verrijken.
Slechts als gepersonifieerd kapitaal heeft de kapitalist een historische waarde.
Slechts in zover komt zijn eigen voorbijgaande noodzakelijkheid uit de kapitalistische productiewijze voort. Maar in zoverre zijn ook niet gebruikswaarde en genot zijn drijfveer, maar ruilwaarde en de vermeerdering daarvan. Als fanaticus van de vermeerdering (Verwertung) van de waarde dwingt hij de mensheid meedogenloos tot productie terwille van de productie, dus tot een ontwikkeling van de maatschappelijke productieve krachten en tot schepping van materiële productievoorwaarden die slechts de reële basis kunnen vormen voor een hogere maatschappijvorm waarvan het grondprincipe de volledige en vrije ontwikkeling van ieder individu is.
Slechts als personificatie van het kapitaal is de kapitalist achtenswaardig. Als zodanig heeft hij met de schatvormer de absolute verrijkingsdrang gemeen. Wat zich echter bij de laatste als persoonlijke manie manifesteert, is bij de kapitalist de uitwerking van het maatschappelijke mechanisme waarin hij slechts een drijfwiel is.
Daarenboven maakt de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze een voortdurende vergroting van het in de industriële onderneming belegde kapitaal tot een noodzaak en de concurrentie legt iedere afzonderlijke kapitalist de immanente wetten van de kapitalistische productiewijze als van buitenaf komende dwingende wetten op. De accumulatie is echter tegelijk het veroveren van de wereld van de maatschappelijke rijkdom. De accumulatie vergroot met de hoeveelheid van het uitgebuite mensenmateriaal tegelijk de directe en indirecte heerschappij van de kapitalisten.
Maar de erfzonde werkt overal. Met de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze, van de accumulatie en van de rijkdom houdt de kapitalist op de loutere incarnatie van het kapitaal te zijn. Hij voelt een ‘menselijke emotie’ voor zijn eigen Adam en hij wordt zo beschaafd, dat hij over de dweperij voor de ascese als een vooroordeel van de ouderwetse schatvormer lacht. Terwijl de klassieke kapitalist de individuele consumptie als zonde tegen zijn functie en als ‘onthouding’ van accumulatie brandmerkt, is de gemoderniseerde kapitalist in staat, de accumulatie als ‘onthouding’ van zijn genotzucht op te vatten. ‘Twee zielen, ach! wonen in zijne borst, de ene wil zich van de andere scheiden.’
In het historische begin van de kapitalistische productiewijze — en iedere kapitalistische parvenu maakt dit historische stadium individueel door — heersen verrijkingsdrang en inhaligheid als absolute hartstochten. Maar het voortschrijden van de kapitalistische productie schept niet slechts een wereld van genot. De kapitalistische productie opent met de speculatie en het kredietwezen — duizend bronnen van plotselinge verrijking. Op een bepaalde ontwikkelingshoogte wordt een conventionele graad van verspilling, die tegelijk een vertoon van rijkdom en daarmee een bewijs van kredietwaardigheid is, zelfs een zakelijke noodzaak voor de ‘ongelukkige’ kapitalist.
Voor het kapitaal wordt de luxe een deel van de representatiekosten. Hoewel de verspilling van de kapitalist nooit het bonafide karakter van de verspilling van de vlotte feodale heer bezit — op de achtergrond ligt veeleer steeds de smerigste inhaligheid en de meest angstvallige berekening op de loer — groeit toch zijn verspilling met zijn accumulatie, zonder dat de een afbreuk doet aan de ander.
Doordat het kapitaal de beide primaire scheppers van de rijkdom — arbeidskracht en aarde — inlijft, verkrijgt het een expansiekracht die mogelijk maakt de bestanddelen van zijn accumulatie uit te breiden tot voorbij zijn grenzen die schijnbaar bepaald worden zijn eigen grootte. Deze grens wordt weer bepaald door de waarde en de hoeveelheid van de al geproduceerde productiemiddelen, waaruit het kapitaal bestaat.
Een andere belangrijke factor in de accumulatie van het kapitaal is de graad van productiviteit van de maatschappelijke arbeid. Met de productieve kracht van de arbeid groeit de hoeveelheid producten, waarin een bepaalde waarde, dus ook een meerwaarde van gegeven grootte, zich belichaamt. Met het toenemen van de productiviteit van de arbeid gaat het goedkoper worden van de arbeider, dus een groeiende meerwaardevoet, hand in hand, zelfs als het reële arbeidsloon stijgt.
De ontwikkeling van de productieve kracht van de arbeid heeft ook zijn uitwerking op het oorspronkelijke kapitaal of het zich al in het productieproces bevindende kapitaal. Een deel van het functionerende constante kapitaal bestaat uit arbeidsmiddelen, zoals machinerie, die slechts in een langere periode geconsumeerd en dus gereproduceerd of door nieuwe exemplaren van dezelfde soort vervangen worden. Maar ieder jaar sterft een deel van deze arbeidsmiddelen af of bereikt het einddoel van zijn productieve functie. Als de productieve kracht van de arbeid zich in de geboorteplaats van die arbeidsmiddelen vergroot heeft — en deze arbeidsproductiviteit ontwikkelt zich voortdurend met de ononderbroken stroom van de wetenschap en de techniek — dan komen in plaats van de oude machines andere werktuigen, apparaten enz, die doeltreffender zijn en wat hun prestaties betreft goedkoper; het oude kapitaal wordt in een productiever vorm gereproduceerd.
Iedere invoering van betere methodes enz. werkt hier dus gelijktijdig op het additionele kapitaal en het kapitaal dat reeds functioneert. Iedere vooruitgang van de chemie vermenigvuldigt niet alleen het aantal nuttige stoffen en de toepassingen van al bekende stoffen, en breidt dus met de groei van het kapitaal zijn terrein van toepassing uit. Deze vooruitgang leert tegelijk hoe de afvalstoffen van het productie en consumptieproces weer op te nemen en schept dus zonder voorafgaande kapitaaluitgifte nieuwe kapitaalstof. Evenals vergrote uitbuiting van de rijkdom van de natuur door louter hogere inspanning van de arbeidskracht, vormen wetenschap en techniek een uitbreidingsvermogen aan het kapitaal dat onafhankelijk is van de gegeven grootte van het functionerende kapitaal. Dit heeft tevens een uitwerking op het deel van het oorspronkelijke kapitaal dat in zijn vernieuwingsstadium is gekomen. Natuurlijk gaat deze ontwikkeling van de productieve kracht tegelijk gepaard met een gedeeltelijke depreciatie van de functionerende kapitalen. In zoverre deze depreciatie zich door de concurrentie acuut gevoelen doet, valt de last voornamelijk op de arbeiders. De kapitalist probeert zich schadeloos te stellen door de verhoogde uitbuiting van deze arbeiders.
De arbeid draagt de waarde van de door hem geconsumeerde productiemiddelen over op het product. Aan de andere kant groeit, naarmate de arbeid productiever wordt, de waarde en de hoeveelheid van de door een bepaalde hoeveelheid arbeid in beweging gebrachte productiemiddelen. Al voegt dezelfde hoeveelheid arbeid aan zijn product altijd dezelfde som nieuwe waarde toe, toch groeit de oude kapitaalwaarde die hij gelijktijdig op het product overdraagt met de stijgende productiviteit van de arbeid. Het is een natuurlijke eigenschap van levende arbeid dat hij oude waarde in stand houdt, terwijl hij nieuwe waarde schept. Met de groei van de werkzaamheid, de omvang en de waarde van zijn productiemiddelen, dus met de accumulatie die de ontwikkeling van de productieve kracht begeleidt, houdt de arbeid dus een steeds groeiende kapitaalwaarde in stand en vereeuwigt die. Deze natuurlijke kracht van de arbeid manifesteert zich als kracht tot zelfbehoud van het kapitaal waarbij de arbeid ingelijfd is. Precies zoals de maatschappelijke productieve krachten zich als eigenschappen van het kapitaal manifesteren en zoals de voortdurende toe-eigening van de meerarbeid door de kapitalisten zich manifesteert als eigen meerwaardevorming (Selbstverwertung) van het kapitaal. Alle krachten van de arbeid projecteren zich als krachten van het kapitaal, zoals alle waardevormen van de waar zich projecteren als vormen van het geld.
Met de groei van het kapitaal groeit het verschil tussen aangewend kapitaal en geconsumeerd kapitaal. Met andere woorden, de arbeidsmiddelen zoals bouwwerken, machinerie, draineerbuizen, arbeidsvee, allerlei soorten apparaten, die gedurende langere of kortere periode in voortdurend herhaalde productieprocessen in hun gehele omvang functioneren of voor het bereiken van bepaalde nuttige effecten dienen, groeien in waarde en omvang terwijl ze slechts langzamerhand verslijten. Dus hun waarde slechts stuksgewijs verliezen en die ook slechts stuksgewijs op het product overdragen. Omdat de arbeid uit het verleden steeds de gedaante van kapitaal aanneemt (d.w.z. de passiva van de arbeid van A, B, C enz. neemt de gedaante aan van de activa van de niet-arbeider X) zijn burgers en politieke economen vol lof over de verdienste van de arbeid uit het verleden, welke volgens het Schotse genie McCulloch zelfs een eigen beloning (rente, winst) ontvangen moet.
Het steeds groeiende gewicht van de in het levende arbeidsproces onder de vorm van productiemiddelen meewerkende voorbije arbeid krijgt dus een van de arbeider zelf vervreemde gedaante (zijn kapitaalgedaante), terwijl deze voorbije arbeid de voorbije en onbetaalde arbeid van die arbeider is.
Hoe meer het kapitaal door middel van opeenvolgende accumulaties groeit, des te meer groeit ook de waardesom die zich in een consumptiefonds en een accumulatiefonds splitst. De kapitalist kan daarom vlotter leven en tegelijk zich meer ‘ontzeggen’.