Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Zevende deel: Het accumulatieproces van het kapitaal


XXIII. De algemene wet van de kapitalistische accumulatie

1. Met de accumulatie toenemende vraag naar arbeidskracht bij gelijkblijvende samenstelling van het kapitaal

De samenstelling van het kapitaal is in dubbele zin op te vatten: wat de waarde betreft wordt de samenstelling bepaald door de verhouding waarin het kapitaal zich verdeelt in constant kapitaal (of de waarde van de productiemiddelen), en variabel kapitaal (of de waarde van de arbeidskracht), de totale som van de arbeidslonen. Wat de materie betreft zoals die in het productieproces fungeert, verdeelt ieder kapitaal zich in productiemiddelen en levende arbeidskracht. Deze samenstelling wordt bepaald door de verhouding tussen de hoeveelheid aangewende productiemiddelen enerzijds en de voor die aanwending vereiste hoeveelheid arbeid anderzijds.

Ik noem de eerste de waardesamenstelling, de tweede de technische samenstelling van het kapitaal.

Tussen beide bestaat een enge wederkerige betrekking. Om dit uit te drukken noem ik de waardesamenstelling van het kapitaal, in zover die door de technische samenstelling van het kapitaal bepaalt wordt en de veranderingen van die technische samenstelling weerspiegelt: de organische samenstelling van het kapitaal. Waar kortweg van de samenstelling van het kapitaal gesproken wordt, wordt steeds de organische samenstelling van het kapitaal bedoeld.

De talrijke in een bepaalde productietak geïnvesteerde afzonderlijke kapitalen hebben onderling meer of minder verschillende samenstelling. Het gemiddelde van hun afzonderlijke samenstellingen geeft de samenstelling van het totale kapitaal van een productietak. Tenslotte geeft het totale gemiddelde van de gemiddelde samenstelling van alle productietakken ons de samenstelling van het maatschappelijke kapitaal van een land.

Daarvan is in het hierop volgende slechts sprake.

Groei van het kapitaal sluit de groei van zijn variabel of in arbeidskracht omgezet bestanddeel in. Een deel van de in additioneel kapitaal veranderde meerwaarde moet steeds terug veranderd worden in variabel kapitaal of in additioneel arbeidsfonds. Als we veronderstellen dat onder gelijkblijvende omstandigheden de samenstelling van het kapitaal onveranderd blijft, d.w.z. een bepaalde hoeveelheid productiemiddelen of constant kapitaal steeds dezelfde hoeveelheid arbeidskracht vereist om in beweging gebracht te worden, dan groeit kennelijk de vraag naar arbeid en het fonds van bestaansmiddelen van de arbeiders evenredig met het kapitaal, en wel des te sneller naarmate het kapitaal sneller groeit.

De accumulatiebehoeften van het kapitaal kunnen de groei van de arbeidskracht of van het aantal arbeiders overvleugelen en de vraag naar arbeiders kan het aanbod overvleugelen, waardoor de arbeidslonen stijgen.

Dit heeft een drieledige reden. Het kapitaal produceert jaarlijks een meerwaarde waarvan een deel eveneens jaarlijks in oorspronkelijk kapitaal veranderd wordt. Dit increment groeit zelf jaarlijks met de toenemende omvang van het al fungerende kapitaal. En tenslotte, onder de bijzondere prikkel van de verrijkingsdrang, zoals bv. het openen van nieuwe markten en nieuwe terreinen voor kapitaalbelegging tengevolge van nieuw ontwikkelde maatschappelijke behoeften, is de schaal van de accumulatie plotseling voor uitbreiding vatbaar alleen door veranderde verdeling van de meerwaarde of het meerproduct in kapitaal en revenu.

Zoals de eenvoudige reproductie voortdurend de kapitaalsverhouding zelf reproduceert (kapitalisten aan de ene kant, loonarbeiders aan de andere kant) zo reproduceert de reproductie op vergrote schaal of de accumulatie de kapitaalverhouding op vergrote schaal meer kapitalisten of grotere kapitalisten aan de ene kant, meer loonarbeiders aan de andere. De reproductie van de arbeidskracht die zich onophoudelijk als middel tot meerwaardevorming (Verwertungsmittel) bij het kapitaal moet inlijven, die niet van het kapitaal los kan komen en waarvan de horigheid aan het kapitaal slechts verdoezeld wordt door de wisseling van de afzonderlijke kapitalisten, waaraan deze arbeidskracht zich verkoopt, vormt inderdaad een moment van de reproductie van het kapitaal zelf.

Accumulatie van het kapitaal is dus vergroting van het proletariaat. Onder de tot nu toe veronderstelde en voor de arbeiders gunstige accumulatievoorwaarden neemt hun afhankelijkheidsverhouding tot het kapitaal dragelijke vormen aan. Van hun eigen toenemend meerproduct — dat in toenemende mate in additioneel kapitaal verandert stroomt een groter deel in de vorm van betalingsmiddelen naar de loonarbeiders terug, zodat ze het terrein van hun genoegens kunnen uitbreiden, hun consumptiefonds van kleding, meubelen enz. beter kunnen voorzien en een klein reservefonds aan geld kunnen vormen. Evenmin als echter betere kleding, voeding, behandeling en een groter peculium (zakgeld) de afhankelijkheidsverhouding en de uitbuiting van de slaaf opheffen, evenmin heffen ze die van de loonarbeider op.

Geheel afgezien van het stijgen van het arbeidsloon bij een dalende prijs van de arbeid betekent het stijgen van dit loon in het beste geval slechts een kwantitatieve daling van de onbetaalde arbeid die de arbeider verrichten moet. Deze daling kan nooit doorgaan tot het punt waarop het systeem zelf bedreigd wordt. Afgezien van gewelddadige conflicten over de loonvoet, veronderstelt een uit accumulatie van het kapitaal voortkomende stijging van de arbeidsprijs de volgende alternatieven: of de prijs van de arbeid blijft stijgen, omdat zijn verhoging de voortgang van de accumulatie niet stoort, of, en dit is de andere kant van het alternatief, de accumulatie verslapt tengevolge van de stijgende arbeidsprijs omdat de winstprikkel afstompt. De accumulatie neemt dan af.

Maar met het afnemen van de accumulatie verdwijnt de oorzaak van dit afnemen, namelijk de disproportie tussen kapitaal en voor uitbuiting beschikbare arbeidskracht. De arbeidsprijs valt weer op een niveau, dat overeenkomt met de behoeften tot meerwaardevorming (Verwertungsbedürfnissen) van het kapitaal.

2. Relatieve afneming van het variabele kapitaaldeel bij voortgang van de accumulatie en de daarmee samenhangende concentratie

Met het gebruik van machinerie wordt in dezelfde tijd meer grondstof verwerkt, treedt dus een grotere hoeveelheid grondstof en hulpstof in het arbeidsproces. Dat is het gevolg van de groeiende productiviteit van de arbeid. Aan de andere kant is de hoeveelheid gebruikte machinerie, arbeidsvee, kunstmest, draineringbuizen enz. een voorwaarde voor de stijgende productiviteit van de arbeid. Zo ook de hoeveelheid in bouwwerken, hoogovens, transportmiddelen enz. geconcentreerde productiemiddelen. Onverschillig of het een voorwaarde of een gevolg is, de groeiende omvang van de productiemiddelen in vergelijking met de daarbij ingelijfde arbeidskracht brengt de stijgende productiviteit van de arbeid tot uitdrukking. De stijging van deze productiviteit manifesteert zich dus in de afneming van de hoeveelheid arbeid in verhouding tot de door deze arbeid in beweging gezette hoeveelheid productiemiddelen of in de daling in grootte van de subjectieve factor van het arbeidsproces, in vergelijking met zijn objectieve factoren.

Deze verandering in de technische samenstelling van het kapitaal, de groei van de hoeveelheid productiemiddelen in vergelijking met de hoeveelheid arbeidskracht die hun leven inblaast, weerspiegelt zich in zijn waardesamenstelling dus in de toename van het constante bestanddeel van het kapitaal ten koste van zijn variabel bestanddeel. Deze wet van de stijgende groei van het constante kapitaaldeel in verhouding tot het variabele wordt in iedere fase bevestigd door de vergelijkende analyse van de warenprijzen, onverschillig of wij verschillende economische perioden bij een en dezelfde natie vergelijken, of verschillende naties in dezelfde periode. De relatieve grootte van het prijselement, dat slechts de waarde van de verteerde productiemiddelen of het constante kapitaaldeel vertegenwoordigt zal in een directe verhouding staan tot de vooruitgang van de accumulatie. De relatieve grootte van het andere deel van het prijselement, dat de arbeid betaalt of het variabele kapitaaldeel vertegenwoordigt, zal in het algemeen in omgekeerde verhouding staan tot de voortgang van de accumulatie.

Het afnemen van het variabele kapitaaldeel ten opzichte van het constante of de veranderde samenstelling van de waarde van het kapitaal toont slechts bij benadering de verandering aan in de samenstelling van de stoffelijke bestanddelen. Met de groeiende productiviteit van de arbeid stijgt niet alleen de omvang van de door die arbeid gebruikte productiemiddelen, maar daalt hun waarde in vergelijking met hun omvang. De toename van het verschil tussen constant en variabel kapitaal is dus veel kleiner dan de toename van het verschil tussen de hoeveelheid productiemiddelen waarin het constante kapitaal en de hoeveelheid arbeidskracht, waarin het variabele kapitaal omgezet wordt.

Het eerste verschil neemt toe met het laatste, maar in mindere mate. Als de voortgang van de accumulatie de stijging van de absolute grootte van het variabele kapitaaldeel vermindert, sluit deze accumulatie daarmee de stijging van de absolute grootte van het variabele kapitaaldeel niet uit.

Ieder afzonderlijk kapitaal is een grotere of kleinere concentratie van productiemiddelen met overeenkomstig commando over een groter of kleiner legertje arbeiders. Iedere accumulatie wordt het middel tot nieuwe accumulatie. Zij vergroot met de vermeerderde hoeveelheid van de als kapitaal fungerende rijkdom de concentratie van die rijkdom in de handen van afzonderlijke kapitalisten, c.q. de basis van de productie op grotere schaal en van de specifieke kapitalistische productiemethoden. De groei van het maatschappelijke kapitaal voltrekt zich door de groei van vele afzonderlijke kapitalen. Als men alle overige omstandigheden gelijkblijvend veronderstelt, groeien de afzonderlijke kapitalen en daarmee de concentratie van de productiemiddelen in de verhouding waarin zij aliquote delen van het maatschappelijk totaalkapitaal vormen.

De accumulatie manifesteert zich aan de ene kant als groeiende concentratie van de productiemiddelen en van het commando over arbeid en aan de andere kant als het onderling afstoten van vele afzonderlijke kapitalen. De versplintering van het maatschappelijk totaal-kapitaal in vele afzonderlijke kapitalen, of het onderling afstoten van de delen ervan, werkt tegengesteld aan hun aantrekking. Dit is niet meer eenvoudige met de accumulatie identieke concentratie van productiemiddelen en commando over arbeid. Het is concentratie van al gevormde kapitalen, opheffing van hun afzonderlijke zelfstandigheid, onteigening van kapitalist door kapitalist, verandering van vele kleinere in minder grotere kapitalen.

Dit proces verschilt van het eerste doordat het slechts veranderde verdeling van reeds voorhanden en functionerend kapitaal betekent. Zijn marge is dus niet beperkt door de absolute groei van de maatschappelijke rijkdom of de absolute grens van de accumulatie. Het kapitaal zwelt hier in één hand tot grote hoeveelheden omdat het ginds in veel handen verloren gaat. Het is de eigenlijke centralisatie ter onderscheiding van de accumulatie en concentratie. De concurrentiestrijd wordt gevoerd door het goedkoper maken van de waren. Het goedkoper zijn van de waren hangt, ceteris paribus (onder overigens gelijkblijvende omstandigheden) af van de productiviteit van de arbeid, maar deze hangt van de schaal van de productie af. De grotere kapitalen winnen het dus van de kleinere.

Met de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze groeit de minimum-omvang van het afzonderlijke kapitaal dat nodig is om een zaak onder normale omstandigheden te drijven. Met de kapitalistische productiewijze vormt zich een geheel nieuwe macht, het kredietwezen, dat in het begin heimelijk als bescheiden hulp van de accumulatie binnensluipt, door onzichtbare draden die over de gehele maatschappij in grote of kleine hoeveelheden versplinterde geldmiddelen in de handen van afzonderlijke of geassocieerde kapitalisten trekt, maar spoedig een nieuw en machtig wapen in de concurrentiestrijd wordt en zich tenslotte in een ontzaglijk sociaal mechanisme voor de centralisatie van de kapitalen verandert.

In een bepaalde bedrijfstak zou de centralisatie haar uiterste grens bereikt hebben, als alle daarin geïnvesteerde kapitalen tot een enkel kapitaal versmolten zouden zijn. In een gegeven maatschappij zou deze grens pas bereikt zijn op het ogenblik, dat het totale maatschappelijke kapitaal verenigd zou zijn in handen van hetzij een enkele kapitalist, hetzij een enkele kapitalistische combinatie.

De centralisatie vult het werk van de accumulatie aan doordat zij de individuele kapitalisten in staat stelt de schaal van hun werkzaamheden uit te breiden. Of de centralisatie zich op de gewelddadige wijze voltrekt door annexatie of dat de versmelting van een aantal reeds gevormde kapitalen plaatsvindt door middel van de soepelere methode van de vorming van naamloze vennootschappen, de economische werking blijft dezelfde: de verder gaande verandering van afzonderlijke en traditioneel gelijke productieprocessen in maatschappelijk gecombineerde en wetenschappelijk geleide productieprocessen.

De door de centralisatie zo snel samengevoegde hoeveelheden kapitaal reproduceren en vermeerderen zich zoals de andere, maar sneller, en worden daardoor tot een nieuwe en machtige hefboom van de maatschappelijke accumulatie. De in de loop van de normale accumulatie gevormde additionele kapitalen dienen bij voorkeur als middel voor de exploitatie van nieuwe uitvindingen en ontdekkingen, industriële vervolmakingen in het algemeen. Maar ook het oude kapitaal bereikt met de tijd het moment van zijn vernieuwing van hoofd en leden, waarop het vervelt en eveneens herboren wordt in de vervolmaakte technische gedaante, waarin een geringere hoeveelheid arbeid voldoende is om een grotere hoeveelheid machinerie en grondstoffen in beweging te zetten. De hieruit noodzakelijk voortvloeiende absolute afneming van de vraag naar arbeid wordt vanzelfsprekend des te groter, naarmate de kapitalen die dit vernieuwingsproces doormaken, al door de centraliserende beweging tot grote hoeveelheden opgehoopt zijn.

3. Groeiende productie van een relatieve overbevolking of van een industrieel reserveleger

De specifiek kapitalistische productiewijze, de daarmee overeenkomende ontwikkeling van de productieve kracht van de arbeid en de daardoor veroorzaakte verandering in de organische samenstelling van het kapitaal, houden niet alleen gelijke tred met de voortgang van de accumulatie of de groei van de maatschappelijke rijkdom. Zij gaan veel sneller omdat de eenvoudige accumulatie of de absolute uitbreiding van het totaalkapitaal door de centralisatie van zijn afzonderlijke elementen en de technische omvorming van het additionele kapitaal door technische omvorming van het oorspronkelijke kapitaal begeleid wordt. Met de voortgang van de accumulatie verandert dus de verhouding tussen het constante en het variabele kapitaaldeel.

Omdat de vraag naar arbeid niet door de omvang van het totale kapitaal maar door de omvang van zijn variabel bestanddeel bepaald wordt, daalt deze vraag dus progressief met de groei van het totale kapitaal, in plaats van in verhouding daarmee te stijgen. De kapitalistische accumulatie produceert veeleer, en wel in verhouding tot haar energie en haar omvang, voortdurend een relatieve, d.w.z. voor de gemiddelde behoefte tot meerwaardeproductie (Verwertungsbedürfnisse) voor het kapitaal overtollige, dus overvloedige of additionele arbeidersbevolking.

Als maatschappelijk totaalkapitaal beschouwd heeft de beweging van zijn accumulatie nu eens periodieke verandering ten gevolge, dan weer verdelen haar momenten zich gelijktijdig over de verschillende productiesferen. In enkele sferen vindt verandering in de samenstelling van het kapitaal plaats, zonder groei van zijn absolute grootte, tengevolge van louter concentratie. In andere is de absolute groei van het kapitaal verbonden met absolute afneming van zijn variabel bestanddeel of met de daardoor geabsorbeerde arbeidskracht.

In andere groeit het kapitaal een tijdlang op zijn gegeven technische basis door en trekt het in verhouding tot zijn groei additionele arbeidskracht aan, om dan een organische verandering te ondergaan en zijn variabel bestanddeel in te krimpen. In alle sferen is de groei van het variabele kapitaaldeel, en daarom het aantal tewerkgestelde arbeiders, steeds verbonden met heftige fluctuaties en tijdelijke productie van overbevolking.

De arbeidersbevolking produceert met de door zichzelf geproduceerde accumulatie van het kapitaal dus in groeiende omvang het middel, waardoor zij zichzelf relatief overbodig maakt.

Dit is een bevolkingswet die typerend is voor de kapitalistische productiewijze, zoals inderdaad iedere historische productiewijze zijn eigen bijzondere, historisch geldende bevolkingswetten heeft. Een abstracte bevolkingswet bestaat slechts voor planten en dieren in zover de mens niet historisch ingrijpt. Als een overbevolking van arbeiders echter een noodzakelijk product van de accumulatie of van de ontwikkeling van de rijkdom op kapitalistische basis is, wordt deze overbevolking omgekeerd tot hefboom van de kapitalistische accumulatie, c.q. tot een bestaansvoorwaarde voor de kapitalistische productiewijze.

Deze overbevolking vormt een beschikbaar industrieel reserveleger, dat even absoluut het kapitaal toebehoort, alsof het kapitaal dit leger op zijn eigen kosten grootgebracht had. Deze overbevolking schept voor de wisselende behoefte tot meerwaardevorming (Verwertungsbedürfnisse) van het kapitaal het steeds voor uitbuiting beschikbare mensenmateriaal, onafhankelijk van de grenzen van de werkelijke bevolkingstoename.

De karakteristieke levensloop van de moderne industrie, de vorm van een door kleinere schommelingen onderbroken tienjarige cyclus van perioden van middelmatige bedrijvigheid, productie onder hoge druk, crisis en stagnatie, berust op de voortdurende vorming, op de grotere of kleinere absorptie en het opnieuw vormen van het industriële reserveleger of de overbevolking. Op hun beurt rekruteren de schommelingen van de industriële cyclus de overbevolking en worden ze tot een van hun meest energieke reproductie oorzaken. De gehele bewegingsvorm van de moderne industrie komt dus voort uit de voortdurende verandering van een deel van de arbeidersbevolking in werkloze of half werkloze handen.

De oppervlakkigheid van de politieke economie blijkt o.a. daaruit, dat zij de uitbreiding en inkrimping van het krediet, het loutere symptoom van de wisselende periodes van de industriële cyclus, tot de oorzaak ervan maakt. Net zoals hemellichamen die eenmaal in een bepaalde beweging geslingerd zijn deze steeds herhalen, zo gaat het ook met de maatschappelijke productie zodra ze eenmaal in die beweging van wisselende uitbreiding en inkrimping geworpen is. Gevolgen worden op hun beurt tot oorzaken en de schommelingen van het gehele proces dat zijn eigen bewegingen steeds reproduceert nemen de vorm van de periodiciteit aan.

De ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze en de productieve kracht van de arbeid — tegelijk oorzaak en gevolg van de accumulatie — maakt het de kapitalisten mogelijk, met dezelfde uitgaven aan variabel kapitaal door grotere extensieve of intensieve uitbuiting van de afzonderlijke arbeidskrachten meer arbeid liquide te maken. Verder koopt hij met dezelfde kapitaalwaarde meer arbeidskrachten als hij steeds meer geschoolde arbeiders door ongeschoolde vervangt.

De productie van een relatieve overbevolking of het vrijmaken van arbeiders gaat daarom nog vlugger dan de toch al met de voortgang van de accumulatie versnelde technische omvorming van het productieproces en de corresponderende verhoudingsgewijze afneming van het variabele kapitaaldeel tegenover het constante. Wanneer de productiemiddelen, als ze in omvang en werkingskracht toenemen, in mindere mate middelen worden om arbeiders tewerk te stellen, wordt deze verhouding zelf weer gewijzigd doordat de toevoer van arbeiders voor het kapitaal sneller stijgt dan de vraag naar arbeiders naarmate de productieve kracht van de arbeid groeit.

Het overwerk van het tewerkgestelde deel van de arbeidersklasse maakt dat de rij van hun reserve aanzwelt, terwijl omgekeerd de vermeerderde druk die de laatste door hun concurrentie op het eerste uitoefent, dit deel tot overwerk en onderwerping aan de dictatuur van het kapitaal dwingt. De verdoeming van een deel van de arbeidersklasse tot gedwongen lediggang door overwerk van het andere deel, en omgekeerd, wordt een middel tot verrijking van de afzonderlijke kapitalist en versnelt tegelijk de productie van het industriële reserveleger in een mate die overeenkomt met de voortgang van de maatschappelijke accumulatie. Algemeen worden de algemene bewegingen van het arbeidsloon uitsluitend geregeld door de uitbreiding en inkrimping van het industriële reserveleger, die corresponderen met de periodewisseling van de industriële cyclus. Ze zijn dus niet bepaald door de beweging van het absolute aantal van de arbeidersbevolking, maar door de wisselende verhouding waarin de arbeidersklasse in een actief leger en een reserveleger uiteenvalt, door de toename en het afnemen van de relatieve omvang van de overbevolking door de mate waarin ze dan weer geabsorbeerd, dan weer vrijgemaakt wordt. Het industriële reserveleger drukt gedurende de periode van stagnatie en matige bedrijvigheid op het actieve arbeidersleger en houdt hun aanspraken gedurende de periode van overproductie en van koortsachtige activiteiten in toom. De relatieve overbevolking is daarom de achtergrond waartegen de wet van vraag en aanbod van arbeid zich beweegt. Ze perst de speelruimte van deze wet binnen grenzen die de exploitatielust en heerszucht van het kapitaal absoluut gedoogt.

4. Verschillende bestaansvormen van de relatieve overbevolking; de algemene wet van de kapitalistische accumulatie

De relatieve overbevolking bestaat in alle mogelijke schakeringen. Iedere arbeider behoort er toe gedurende de tijd, dat hij half of helemaal niet tewerkgesteld is. Afgezien van de grote, periodiek terugkerende vormen, die de fasewisseling van de industriële cyclus haar opdringt, zodat ze zich nu eens als een acuut verschijnsel in een crisis manifesteert, dan weer als een chronisch verschijnsel in slappe tijden, heeft ze voortdurend drie vormen: een beweeglijke, een latente en een stilstaande vorm.

In het centrum van de moderne industrie — fabrieken, manufacturen, hoogovens, mijnen enz. — worden de arbeiders nu eens afgestoten, dan weer in grotere omvang aangetrokken, zodat over het algemeen het aantal tewerkgestelden toeneemt, zij het ook in steeds afnemende verhouding tot de productieschaal. De overbevolking bestaat hier in vloeiende vorm.

De consumptie van de arbeidskracht door het kapitaal geschiedt bovendien zo vlug dat een arbeider van middelbare leeftijd meestal al min of meer afgeleefd is. Juist bij de arbeiders in de grootindustrie stoten wij op de korte levensduur. Vandaar een snelle opeenvolging van generaties arbeiders.

Zodra de kapitalistische productie zich meester heeft gemaakt van de landbouw neemt — afhankelijk van de mate waarin dit is geschied — met accumulatie van het hier functionerende kapitaal de vraag naar arbeid voor de arbeidersbevolking op het platteland absoluut af, zonder dat haar afstoting zoals in de niet-agrarische industrie door een grote aantrekkingskracht opgevangen wordt. Een deel van de plattelandsbevolking bevindt zich dus voortdurend op het punt van overgang naar stedelijk of manufactuurproletariaat en het wachten is slechts op gunstige omstandigheden voor deze verandering. Deze bron van de relatieve overbevolking vloeit voortdurend. Maar de doorlopende stroom naar de steden veronderstelt op het land zelf een voortdurende latente overbevolking, waarvan de omvang alleen zichtbaar wordt zodra de afvoerkanalen bij uitzondering wijd open staan. De landarbeider wordt daarom op het minimum salaris teruggebracht en staat met een voet steeds in het moeras van het pauperisme.

De derde categorie van de relatieve overbevolking, de stilstaande, vormt een deel van het actieve arbeidersleger, maar met in het algemeen onregelmatige tewerkstelling. Zij wordt dus voortdurend gerekruteerd uit de overtolligen van de grote industrie en landbouw en vooral uit ondergaande industrietakken waarin het ambachtsbedrijf door het manufactuurbedrijf, en dit door het machinale bedrijf verslagen wordt. Haar omvang neemt toe naarmate met de omvang en energie van de accumulatie het ‘overtollig maken’ verder gaat. Maar ze vormt tegelijk een zichzelf reproducerend en vereeuwigend element van de arbeidersklasse, dat een naar verhouding groter aandeel in de totale groei van de arbeidersklasse neemt dan de overige elementen.

Inderdaad staan niet alleen het aantal geboorten en sterfgevallen, maar ook de absolute grootte van de gezinnen in omgekeerde verhouding tot de hoogte van het arbeidsloon, dus tot de hoeveelheid bestaansmiddelen waarover de verschillende categorieën arbeiders beschikken.

Deze wet van de kapitalistische maatschappij zou onder wilden en zelfs beschaafde kolonisten voor onzinnig gelden. Het herinnert aan de massale reproductie van individueel zwakkere en veel vervolgde diersoorten.

De onderste laag van de relatieve overbevolking tenslotte leeft in de sfeer van het pauperisme. Afgezien van vagebonden, misdadigers en prostituees, kortom het eigenlijke lompenproletariaat, bestaat deze maatschappelijke laag uit drie categorieën. Ten eerste: zij die in staat zijn te werken. Ten tweede, wezen en kinderen van paupers. Ten derde, verwaarloosden, havelozen en arbeidsongeschikten.

Hoe groter de maatschappelijke rijkdom, het functionerende kapitaal en de omvang en energie van zijn groei, dus ook de absolute grootte van het proletariaat en de productieve kracht van zijn arbeid, des te groter het industriële reserveleger. De beschikbare arbeidskracht wordt door dezelfde oorzaken ontwikkeld als de uitbreidingskracht van het kapitaal. De relatieve grootte van het industriële reserveleger groeit dus met de krachten van de rijkdom. Hoe groter echter dit reserveleger in verhouding tot het actieve arbeidersleger, des te massaler de geconsolideerde overbevolking waarvan de ellende in omgekeerde verhouding staat tot de kwelling van de arbeid. Hoe groter tenslotte de lazaruslaag van de arbeidersklasse en het industriële reserveleger is, des te groter het officiële pauperisme. Dit is de absolute, algemene wet van de kapitalistische accumulatie. Hij wordt, zoals alle andere wetten bij zijn werking gewijzigd door vele omstandigheden waarvan de analyse hier niet thuis hoort.

Daaruit volgt dus dat naarmate het kapitaal accumuleert de toestand van de arbeiders, wat ook hun betaling mag zijn, hoog of laag, zich verslechteren moet. De wet tenslotte die de relatieve overbevolking of het industriële reserveleger steeds in evenwicht houdt met de omvang en de energie van de accumulatie, smeedt de arbeiders vaster aan het kapitaal dan Prometheus door de ketenen van Hephaestus aan de rotsen. Accumulatie van kapitaal vereist accumulatie van ellende. De accumulatie van rijkdom aan de ene kant is dus tegelijk accumulatie van ellende, kwelling van arbeid, slavernij, onwetendheid, brutalisering en morele degradatie aan de andere kant, d.w.z. aan de kant van de klasse die zijn eigen product als kapitaal produceert.