Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Eerste deel: Waar en geld
De eerste functie van het goud is deze: aan de warenwereld het materiaal voor zijn waardeuitdrukking te leveren of de warenwaarden als gelijknamige grootheden, als kwalitatief gelijke en kwantitatief vergelijkbare, voor te stellen. Zo functioneert het als algemene waardemaat en slechts door deze functie wordt goud, de specifieke equivalentwaar, pas tot geld.
De waren worden niet door het geld onderling meetbaar. Omgekeerd: omdat de waren als waarden belichaamde menselijke arbeid zijn, dus op zichzelf onderling meetbaar, kunnen ze hun waarden gemeenschappelijk in dezelfde specifieke waar meten en deze daardoor in hun gemeenschappelijke waardemaat of geld veranderen. Geld als waardemaat is de noodzakelijke verschijningsvorm van de innerlijke waardemaat van de waren, van de arbeidstijd.
De waardeuitdrukking van een waar in goud is zijn geldvorm of prijs. De prijs of de geldvorm van waren is, evenals zijn waardevorm in het algemeen, een van zijn tastbare, reële lichaamsvorm onderscheiden, dus slechts ideële of denkbeeldige vorm. De waarde van ijzer, linnen, tarwe etc. bestaat, hoewel onzichtbaar, in deze dingen zelf. Zij wordt voorgesteld door hun gelijkheid aan goud, een betrekking tot goud, die zo te zeggen slechts in hun hoofd spookt. De warenhoeder moet ze daarom een etiket opplakken om hun prijs aan de buitenwereld mee te delen. Omdat de uitdrukking van de warenwaarde in goud ideëel is, is voor deze operatie ook alleen denkbeeldig of ideëel goud bruikbaar. Iedere warenhoeder weet, dat hij zijn waren nog lang niet in goud heeft omgezet, als zij hun waarde de vorm van de prijs of de denkbeeldige goudvorm geeft, en dat hij geen greintje werkelijk goud nodig heeft, om miljoenen aan warenwaarde in goud te schatten.
Als twee verschillende waren, bv. goud en zilver gelijktijdig als waardemaat dienen, dan hebben alle waren twee verschillende prijsuitdrukkingen, nl. goudprijzen en zilverprijzen, die rustig naast elkaar optreden, zolang de waardeverhouding van zilver en goud onveranderd blijft.
De warenwaarden zijn dus veranderd in denkbeeldige hoeveelheden goud van verschillende grootte, dus, ondanks de bonte verscheidenheid van de warenlichamen, in gelijknamige grootheden: goudgrootheden. Als dusdanig verschillende hoeveelheden goud worden ze onderling vergeleken en gemeten en ontstaat technisch de noodzakelijkheid ze op een vastgestelde hoeveelheid goud als hun maateenheid te betrekken. Deze maateenheid zelf wordt door verdere verdeling in aliquote (gelijke) delen verder ontwikkeld tot een maatstaf. Voordat ze geld worden, bezitten goud, zilver en koper al zulke maatstaven in hun metaalgewichten, zodat bv. een pond als maateenheid dient en aan de ene kant weer in onzen verdeeld en aan de andere kant tot centenaren etc. samengevoegd wordt. Bij elke circulatie, die op metaal berust, vormen dus de aangetroffen namen van de gewichtsmaatstaf ook de oorspronkelijke namen van de geldmaatstaf of van de maatstaf der prijzen.
Als waardemaat en als maatstaf van de prijzen verricht het geld twee geheel verschillende functies. Het is waardemaat als de maatschappelijke incarnatie van de menselijke arbeid, maatstaf van de prijzen als een vastgesteld metaalgewicht. Als waardemaat dient het om de waarden van de uiteenlopende en verschillende waren in prijzen te veranderen, in denkbeeldige hoeveelheden goud; als maatstaf van de prijzen meet het deze hoeveelheden goud. Door de waardemaat worden de waren als waarden gemeten, de maatstaf van de prijzen meet daarentegen de hoeveelheden goud met een hoeveelheid goud, niet de waarde van een hoeveelheid goud met het gewicht van een andere hoeveelheid goud. Voor de maatstaf van de prijzen moet een bepaald goudgewicht als maateenheid gefixeerd worden. De maatstaf van de prijzen vervult zijn functies des te beter naar mate een en dezelfde hoeveelheid goud onveranderlijker als maateenheid dient. Als waardemaat kan goud slechts dienen omdat het zelf arbeidsproduct is, dus potentieel een veranderlijke waarde.
Het is duidelijk, dat een waardeverandering van het goud zijn functie als maatstaf van de prijzen op geen enkele wijze beïnvloedt. Hoe de goudwaarde ook verandert, de verschillende hoeveelheden goud blijven steeds in dezelfde waardeverhouding tot elkaar staan.
De warenprijzen kunnen bij gelijkblijvende waarde van het geld slechts algemeen stijgen als de waarden van de waren stijgen. Bij gelijkblijvende waarden van de waren kunnen de warenprijzen slechts algemeen stijgen als de waarde van het geld daalt. Omgekeerd, de warenprijzen kunnen bij gelijkblijvende waarde van het geld slechts algemeen dalen als de waarden van de waren dalen. Zij kunnen bij gelijkblijvende waarden van de waren slechts algemeen dalen als de waarde van het geld stijgt.
Daarom kan men niet de gevolgtrekking maken dat een stijgende waarde van het geld een evenredig dalen van de warenprijzen en een dalende waarde van het geld een evenredig stijgen van de warenprijzen veroorzaakt. Dit geldt slechts voor waren met onveranderde waarde. Die waren bv. waarvan de waarde gelijkmatig en gelijktijdig stijgt met de geldwaarde behouden dezelfde prijs. De geldnamen van de metaalgewichten scheiden zich om verschillende redenen langzamerhand van hun oorspronkelijke gewichtsnamen. Het pond was bv. geldnaam voor een werkelijk pond zilver. Toen het goud het zilver als waardemaat verdrong bleef dezelfde naam misschien aan 1/15 etc. pond goud hangen, net hoe de waardeverhouding van goud en zilver was. Het pond als geldnaam en als gebruikelijke gewichtsnaam van het goud zijn nu gescheiden. Omdat de geldmaatstaf aan de ene kant zuiver conventioneel is, en aan de andere kant algemeen gangbaar moet zijn, wordt hij tenslotte bij de wet geregeld. Een bepaald gewichtsdeel van het edele metaal, bv. een ons goud, wordt officieel opgedeeld in aliquote delen, die wettelijke doopnamen krijgen zoals pond, daalder enz. Zo een aliquoot deel, dat dan als de eigenlijke maateenheid van het geld geldt, wordt onderverdeeld in andere aliquote delen met wettelijke doopnamen, zoals shilling, penny enz. Net als voordien blijven bepaalde metaalgewichten de maatstaf van het metaalgeld. Wat er veranderd is, is de indeling en de naamgeving.
De waren drukken zo in hun geldnamen uit wat ze waard zijn en het geld dient als rekengeld, zo vaak het erom gaat een zaak als waarde en dus in de geldvorm te fixeren.
De prijs is de geldnaam van de in de waar belichaamde arbeid. Het stellen van de gelijkwaardigheid van de waar en van de hoeveelheid geld, waarvan de naam de prijs van de waar is, is dus een tautologie, zoals trouwens de relatieve waardeuitdrukking van een waar steeds de uitdrukking van de gelijkwaardigheid van twee waren is. Indien evenwel de prijs, als exponent van de waardegrootte van een waar, exponent is van zijn ruilverhouding met geld dan volgt daaruit niet omgekeerd dat de exponent van zijn ruilverhouding met geld noodzakelijk de exponent van zijn waardegrootte moet zijn.
Als maatschappelijk noodzakelijke arbeid van gelijke grootte belichaamd wordt in 1 quarter tarwe en in £ 2 (ongeveer een 1/2 ons goud) dan zijn die £ 2 de gelduitdrukking van de waardegrootte van de quarter tarwe of zijn prijs. Als de omstandigheden het nu mogelijk maken de tarwe voor £ 3 te noteren of ertoe dwingen de tarwe voor £ 1 van de hand te doen, dan zijn die £ 1 en £ 3 als uitdrukking van de waardegrootte van de tarwe te klein of te groot, maar ze zijn toch de prijs van de tarwe, want ten eerste zijn ze zijn waardevorm, nl. geld en ten tweede exponenten van zijn ruilverhouding met geld. Bij gelijkblijvende productievoorwaarden of gelijkblijvende productieve kracht van de arbeid moet als tevoren voor de reproductie van de quarter tarwe evenveel maatschappelijke arbeidstijd besteedt worden. Deze omstandigheid hangt noch van de wil van de tarweproducent noch van de andere warenbezitters af.
De waardegrootte van de waar drukt dus een noodzakelijke, aan zijn vormingsproces immanente verhouding tot de maatschappelijke arbeidstijd uit. Met de verandering van de waardegrootte in prijs manifesteert deze noodzakelijke verhouding zich als ruilverhouding van een waar met de buiten hem bestaande geldwaar. In deze verhouding kan zich echter zowel de waardegrootte van de waar uitdrukken, als het meerdere of het mindere, waaronder hij in de gegeven omstandigheden vervreemdbaar is. De mogelijkheid van een kwantitatieve ongelijkheid tussen prijs en waardegrootte, of de afwijking van de prijs van de waardegrootte, ligt dus in de prijsvorm zelf. Dit is geen gebrek van deze vorm, maar maakt hem omgekeerd tot de geëigende vorm van een productiewijze waarin de regel zich slechts doorzetten kan als een in den blinde werkende doorsnee-wet van de regelloosheid.
De prijsvorm opent niet alleen de mogelijkheid tot kwantitatieve ongelijkheid tussen waardegrootte en prijs, d.w.z. tussen de waardegrootte en haar eigen gelduitdrukking, maar kan een kwalitatieve tegenspraak bevatten, zodat de prijs zonder meer ophoudt waardeuitdrukking te zijn, hoewel geld alleen maar de waardevorm van de waren is.
Dingen die op zichzelf geen waren zijn, bv. geweten, eer, enz. kunnen door hun bezitters voor geld worden verkocht en zo door hun prijs de warenvorm krijgen. Een ding kan daarom formeel een prijs hebben, zonder een waarde te hebben. De prijsuitdrukking wordt hier imaginair, zoals bepaalde grootheden van de wiskunde. Aan de andere kant kan ook de imaginaire prijsvorm, zoals bv. de prijs van niet in cultuur gebrachte grond, die geen waarde heeft omdat er geen menselijke arbeid in belichaamd is, een werkelijke waardeverhouding of daarvan afgeleide betrekking verbergen. De prijsvorm sluit de vervreemdbaarheid van waren tegen geld en de noodzakelijkheid van deze vervreemding in. Aan de andere kant functioneert goud slechts als ideële waardemaat, omdat het reeds als geldwaar in het ruilproces verkeert. In de ideële maat van de waarde ligt dus het hardvochtige geld op de loer.
Voorzover het ruilproces waren overdraagt uit handen van hem, voor wie ze niet-gebruikswaarden zijn, in handen van hem waarin ze gebruikswaarden zijn, is dit ruilproces een maatschappelijke stofwisseling. Het product van de ene nuttige wijze van arbeiden vervangt dat van de andere. Is de waar eenmaal aangekomen op de plaats waar hij als gebruikswaarde dient, dan valt hij uit de sfeer van de warenruil in de consumptiesfeer. Alleen de sfeer van de warenruil interesseert ons hier. We moeten dus het hele proces naar de vorm beschouwen, dus alleen de vormverandering of de metamorfose van waren, waardoor de maatschappelijke stofwisseling tot stand komt.
De beslist gebrekkige opvatting van deze vormverandering is, afgezien van de verwarring over het waardebegrip zelf, aan de omstandigheid te wijten dat iedere vormverandering van een waar zich in de ruil van twee waren voltrekt; van een gewone waar en de geldwaar. Als men alleen aan dit stoffelijke moment, aan de ruil van een waar met goud vasthoudt, dan ziet men juist over het hoofd wat men moet zien, namelijk wat er met de vorm gebeurt. Men ziet over het hoofd dat goud als waar zonder meer geen geld is en dat de andere waren zichzelf in hun prijzen op goud betrekken als hun eigen geldgedaante.
De waren gaan aanvankelijk onverguld, onopgesmukt, zoals ze zijn ontstaan het ruilproces in. Dit ruilproces produceert een verdubbeling van de waar in waar en geld, een uiterlijke tegenstelling waarin zij hun innerlijke tegenstelling van gebruikswaarde en waarde manifesteren. In deze tegenstelling komen de waren als gebruikswaarden tegenover het geld als ruilwaarde te staan. Aan de andere kant zijn beide kanten van deze tegenstelling waren, dus eenheden van gebruikswaarde en waarde. Maar deze eenheid van verschillen manifesteert zich op ieder van de beide polen omgekeerd en manifesteert daardoor tegelijk hun wederkerige relatie. De waar is reëel gebruikswaarde, zijn waarde-zijn manifesteert zich slechts ideëel in de prijs die hem met het ertegenover staande goud, als zijn reële waardegedaante, in relatie brengt. Omgekeerd geldt het goudmateriaal slechts als belichaming van de waarde, als geld. Het is dus reëel ruilwaarde.
Zijn gebruikswaarde manifesteert zich nog slechts ideëel in de reeks van relatieve waardeuitdrukkingen, waarin het geld zich op de ertegenover staande waren als het complex van zijn reële gebruiksgedaanten betrekt. Deze tegengestelde vormen van de waren zijn de werkelijke bewegingsvormen van hun ruilproces. Het ruilproces van de waren voltrekt zich in twee tegengestelde en elkaar aanvullende metamorfosen en in de volgende vormverandering:
waar — geld — waar
(W)—————— (G) ——————(W)
Maar het schijnbaar enkelvoudige proces is een tweezijdig proces. Van de pool van de warenbezitter is het verkoop, van de tegenpool van de geldbezitter is het koop. Ofwel verkoop is koop, W—G is tegelijk G—W. Als agent van de verkoop wordt de warenbezitter verkoper, als agent van de koop wordt hij koper.
De totaal-metamorfose van een waar veronderstelt in haar eenvoudigste vorm, vier uitersten en drie personae dramatis (handelende personen).
Eerst plaatst de waar zich tegenover het geld als zijn waardegedaante, die ginds in de zak van de ander, zakelijke, harde werkelijkheid bezit. Zo plaatst de warenbezitter zich tegenover een geldbezitter.
Zodra de waar nu in geld verandert, wordt dit geld de verdwijnende equivalentvorm van de waar, waarvan de gebruikswaarde of inhoud in andere warenlichamen bestaat. Als eindpunt van de eerste warenomzetting is het geld tegelijk uitgangspunt van de tweede. Zo wordt de verkoper van de eerste handeling tot koper in de tweede, waar een derde warenbezitter zich als verkoper tegenover hem plaatst.
De beide omgekeerde bewegingsfasen van de warenmetamorfose vormen een kringloop: warenvorm, afleggen van de warenvorm, terugkeer tot de warenvorm. Ongetwijfeld is de waar hier zelf tegenovergesteld bepaald. Aan het vertrekpunt is hij voor zijn bezitter niet-gebruikswaarde, aan het eindpunt gebruikswaarde. Zo verschijnt het geld eerst als het vaste waardekristal, waarin de waar zich verandert om daarna als zijn enkele equivalentvorm te vervliegen.
De kringloop die de reeks metamorfosen van iedere waar beschrijft, verstrengelt zich met de kringlopen van andere waren. Het totale proces vormt de warencirculatie. De warencirculatie is niet slechts formeel, maar in wezen iets anders dan de directe ruil van producten. Niets is onnozeler dan het dogma dat de warencirculatie een noodzakelijk evenwicht van verkopen en kopen met zich mee brengt, omdat iedere verkoop koop is en vice versa. Betekent dit, dat het aantal verkopen dat werkelijk plaatsgevonden heeft gelijk is aan hetzelfde aantal kopen, dan is het een platte tautologie. Maar het wil bewijzen dat de verkoper zijn eigen koper op de markt brengt. Verkoop en koop zijn een identieke daad als wederkerige betrekking tussen twee polairtegengestelde personen, de warenbezitter en de geldbezitter. De identiteit van verkoop en koop sluit daarom in dat de waar nutteloos zou worden als hij — in de alchemistische retort van de circulatie geworpen — niet als geld eruit komt, niet door de warenbezitter verkocht wordt, dus niet door een geldbezitter gekocht wordt. Die identiteit houdt verder in dat het proces (als het gelukt) een rustpunt en een levensperiode van de waar vormt die korter of langer duren kan. Niemand kan verkopen zonder dat een ander koopt. Maar niemand moet direct kopen omdat hij zelf verkocht heeft. De circulatie doorbreekt de tijdelijke, plaatselijke en persoonlijke grenzen van de productenruil juist daardoor dat zij de hier bestaande directe identiteit tussen de ruil van het eigen en het inruilen van het vreemde arbeidsproduct splitst in de tegenstelling van verkoop en koop.
Dat de zelfstandig tegenover elkaar optredende processen een innerlijke eenheid vormen, betekent eveneens dat hun innerlijke eenheid zich in uiterlijke tegenstellingen beweegt. Gaat de uiterlijke verzelfstandiging van de innerlijk onzelfstandigen — omdat ze elkaar aanvullen — tot een bepaald punt door, dan doet de eenheid zich met geweld gelden door een crisis. (Als de tijdsafstand tussen de twee elkaar aanvullende fasen van de complete metamorfose van een waar te groot wordt, als de breuk tussen koop en verkoop te geprononceerd wordt, dan laat het innerlijke verband tussen de twee zich gelden door een crisis te produceren. { * Deze zin komt uit de Engelse uitgave van Het kapitaal.} )
De beweging van de waren is een kringloop. Aan de andere kant sluit deze vorm de kringloop van het geld uit. Zijn resultaat is de voortdurende verwijdering van het geld van zijn uitgangspunt en niet de terugkeer erheen. In de eerste circulatiehelft verwisselt de waar van plaats met het geld. Daarmee valt tegelijk zijn gebruiksgedaante uit de circulatie in de consumptie. Zijn waardegedaante of geldmasker neemt zijn plaats in. De tweede circulatiehelft doorloopt hij niet meer in zijn eigen natuurlijke huid, maar in zijn goudhuid. De continuïteit van de beweging blijft daarbij geheel aan de kant van het geld en dezelfde beweging, die voor de waar twee tegengestelde processen inhoudt, houdt als eigen beweging van het geld steeds hetzelfde proces in, nl. plaatsverwisseling met steeds andere waren.
Het resultaat van de warencirculatie, de vervanging van waren door andere waren manifesteert zich daarom niet als door hun eigen vormverandering tot stand gekomen, maar door de functie van het geld als circulatiemiddel, dat de op zichzelf bewegingsloze waren laat circuleren, ze overdraagt uit de hand waarin ze niet-gebruikswaarden zijn, in de hand waarin ze gebruikswaarden zijn, steeds in tegenovergestelde richting als de eigen loop van het geld.
Het geld verwijdert de waren voortdurend uit de circulatiesfeer doordat het voortdurend hun plaats in de circulatie inneemt en zich daarmee van zijn eigen uitgangspunt verwijdert. Hoewel de geldbeweging dus slechts de uitdrukking van de warencirculatie is, manifesteert de warencirculatie zich omgekeerd slechts als het resultaat van de geldbeweging. Aan de andere kant komt het geld slechts de functie van circulatiemiddel toe omdat het de belichaamde waarde van de waren is. Zijn beweging als circulatiemiddel is dus in feite slechts de eigen vormbeweging van de waren. Iedere waar valt bij zijn eerste stap in de circulatie, bij zijn eerste vormverandering valt hij weer uit de circulatie, waarin steeds nieuwe waren treden.
Het geld echter huist als circulatiemiddel voortdurend in de circulatiesfeer, het draait daar voortdurend rond. De vraag rijst dus, hoeveel geld deze sfeer bij voortduring opneemt.
Omdat nu de directe circulatievorm, die we hier bekeken hebben, waar en geld steeds tegenover elkaar plaatst, de een op de pool van de verkoop, de ander op de tegenpool van de koop, is de hoeveelheid circulatiemiddelen die vereist is voor het circulatieproces van de warenwereld reeds bepaald door de prijssom van de waren. Inderdaad vertegenwoordigt het geld slechts reëel de in de prijssom van de waren al ideëel uitgedrukte goudsom. De gelijkheid van de beide sommen is dus vanzelfsprekend. We weten echter dat de prijzen van de waren bij gelijkblijvende waarde van de waren met de waarde van het goud (van het geldmateriaal) evenredig stijgen, als de waarde van het goud daalt en dat de prijzen evenredig dalen als de waarde van het goud stijgt. Al naar gelang de prijssom van de waren dus stijgt of daalt, moet de hoeveelheid circulerend geld dus evenredig stijgen of dalen. De verandering in de hoeveelheid circulatiemiddelen komt hier zonder twijfel uit het geld zelf voort. Maar niet uit zijn functie als circulatiemiddel, maar uit zijn functie als waardemaat. De prijs van de waren verandert eerst omgekeerd evenredig met de waarde van het geld en dan verandert de hoeveelheid circulatiemiddelen recht evenredig met de prijs van de waren.
Precies hetzelfde verschijnsel zou plaatsvinden als bv. niet de waarde van het goud zou dalen, maar zilver het goud als waardemaat zou vervangen, of niet de waarde van het zilver zou stijgen, maar goud het uit zijn functie als waardemaat zou verdringen. In beide gevallen zou de waarde van het geldmateriaal veranderd zijn, d.w.z. van de waar, die als waardemaat functioneert dus de prijsuitdrukking van de waarde van de waren; dus de hoeveelheid geld die in omloop is en die voor de realisering van deze prijzen dient.
Als we de waarde van het goud als gegeven beschouwen en we beschouwen tevens de prijs van iedere waar als gegeven, dan hangt de prijssom van de waren kennelijk af van de hoeveelheid waren die zich in de circulatie bevindt. Als de hoeveelheid waren gegeven is, neemt de hoeveelheid geld die in omloop is toe en af met de prijsfluctuaties van de waren. De hoeveelheid geld stijgt en daalt omdat de prijssom van de waren tengevolge van de prijsverandering toe of afneemt. In de omloopsnelheid van het geld manifesteert zich de snelheid van de vormverandering van de waren, het continue in elkaar grijpen van de reeks metamorfosen, de snelheid van de stofwisseling, het snelle verdwijnen van de waren uit de circulatiesfeer en hun evenzo snelle vervanging door andere waren. Omgekeerd manifesteert zich in de vertraging van de geldomloop de scheiding van deze processen in geïsoleerde tegengestelde fasen, de stagnatie van de vormverandering en dus van de stofwisseling.
De totale hoeveelheid geld die in iedere tijdsruimte als circulatiemiddel fungeert wordt aan de ene kant bepaald door de prijssom van de circulerende waren en aan de andere kant door het langzamere of snellere tempo van de tegengestelde circulatieprocessen, waarvan het afhangt welk gedeelte van de prijssom door dezelfde geldstukken gerealiseerd kan worden.
De drie factoren, prijsbeweging, hoeveelheid circulerende waren en de omloopsnelheid van het geld, kunnen echter in verschillende richting en in verschillende verhouding veranderen. De te realiseren prijssom en daarom de hoeveelheid circulatiemiddelen die door deze prijssom bepaald wordt, kunnen dus zeer talrijke combinaties doormaken.
De muntgedaante van het geld komt voort uit zijn functie als circulatiemiddel. Het in de prijs of de geldnaam van de waren voorgestelde gewichtsdeel goud moet zich in de circulatie als gelijknamig goudstuk of munt tegenover de waar plaatsen. Evenals de vaststelling van de maatstaf van de prijzen, is het munten een zaak van de staat.
In hun omloop slijten de gouden munten, de een meer dan de ander. De goudnaam en de goudsubstantie, het nominale gehalte en het werkelijke gehalte beginnen hun scheidingsproces. Gelijknamige goudmunten krijgen een ongelijke waarde, omdat ze een verschillend gewicht hebben. Daarvoor bestaat latent de mogelijkheid het metaal in zijn functie als munt te vervangen door geldstukken uit ander materiaal of symbolen. Naast het goud komen de pasmunten voor betaling van delen van de kleinste gouden munt.
Het metaalgewicht van de zilver- of koperstukken wordt willekeurig bij de wet bepaald. In de omloop verslijten ze nog vlugger dan de gouden munten. Relatief waardeloze dingen zoals papieren biljetten, kunnen in hun plaats als munt functioneren. Het betreft hier alleen door de staat uitgegeven papiergeld met gedwongen koers. Tenslotte rijst de vraag waarom het goud vervangen kan worden door louter waardeloze symbolen van zichzelf. Het is echter slechts te vervangen voorzover het in zijn functie als munt of circulatiemiddel afgezonderd of verzelfstandigd wordt. Louter munt of circulatiemiddel zijn de goudstukken alleen maar zolang ze werkelijk in omloop zijn.
Wat zeker niet voor de enkele goudmunt geldt, geldt wel voor de door papiergeld vervangbare minimum hoeveelheid goud. Deze blijft constant in de circulatie, functioneert voortdurend als circulatiemiddel en bestaat daarom uitsluitend als drager van deze functie. Haar beweging stelt daarom alleen het voortdurende in elkaar omslaan van de tegengestelde processen van de warenmetamorfose W — G — W voor, waarin de waar zich slechts tegenover zijn waardegedaante plaatst, om direct weer te verdwijnen.
Het zelfstandige optreden van de ruilwaarde van de waar is hier slechts een vluchtig verschijnsel. Direct wordt ze weer door andere waren vervangen. Daarom is ook in een proces dat het geld voortdurend van de ene hand in de andere doet overgaan, het symbolische bestaan van het geld voldoende. Zijn functioneel bestaan absorbeert zo te zeggen zijn materieel bestaan. Als verdwijnende objectieve reflex van de prijzen van de waren functioneert het alleen nog als teken van zichzelf en kan daarom ook door een teken vervangen worden. Het symbool van het geld heeft slechts behoefte aan zijn eigen objectieve maatschappelijke geldigheid en die krijgt het papieren symbool door de gedwongen koers.
Maar zodra de reeks van metamorfosen onderbroken wordt versteent het geld tot een schat. De schatvorming vervult verschillende functies in de economie van de metaalcirculatie. Wil de werkelijk in omloop zijnde hoeveelheid geld in overeenstemming zijn met de verzadigingsgraad van de circulatiesfeer, dan moet de hoeveelheid goud of zilver die in een land aanwezig is groter zijn dan de hoeveelheid die als munt functioneert. Deze voorwaarde wordt vervuld door de schatvorm van het geld. De reservoirs van schatten dienen tegelijk als af- en aanvoerkanalen van het circulerende geld, dát daardoor nooit zijn omloopkanalen doet overlopen.
De ontwikkeling van het geld als betalingsmiddel maakt accumulatie van geld voor de vervaltermijnen van de schulden nodig. Terwijl de schatvorming als zelfstandige vorm van de verrijking met de voortgang van de burgerlijke maatschappij verdwijnt, groeit ze omgekeerd met de vooruitgang van deze maatschappij in de vorm van een reservefonds van betalingsmiddelen. Het kredietgeld komt direct voort uit de functie van het geld als betalingsmiddel, doordat de schuldbewijzen voor de verkochte waren zelf weer voor de overdracht van schuldvorderingen circuleren. Bij een bepaalde hoogte en omvang van de warenproductie reikt de functie van het geld als betalingsmiddel verder dan de sfeer van de warencirculatie. Het wordt algemene waar van de overeenkomsten.
Met het verlaten van de binnenlandse circulatiesfeer ontdoet het geld zich weer van de daar aangenomen plaatselijke vormen van maatstaf van de prijzen, munt, pasmunt en waardeteken en valt het terug in de oorspronkelijke vorm van een baar edel metaal. In de wereldhandel ontplooien de waren hun waarde universeel. Hun zelfstandige waardegedaante plaatst zich tegenover hen als wereldgeld. Pas op de wereldmarkt functioneert het geld in zijn volle omvang als de waar wiens natuurlijke vorm tegelijkertijd direct maatschappelijke vorm van de verwezenlijking van de menselijke arbeid in abstracto is.