Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Tweede deel: De verandering van geld in kapitaal
De warencirculatie is het uitgangspunt van het kapitaal. Warenproductie en ontwikkelde warencirculatie, handel, vormen de historische voorwaarden, waaronder het kapitaal ontstaan kan. De wereldhandel en de wereldmarkt openen in de 16de eeuw de moderne geschiedenis van het kapitaal.
Historisch plaatst het kapitaal zich overal in de eerste plaats tegenover het grondeigendom in de vorm van geld, als geldvermogen, koopmanskapitaal en woekerkapitaal. (De tegenstelling tussen de op persoonlijke knechtschap- en heerschappijverhoudingen berustende macht van het grondeigendom en de onpersoonlijke macht van het geld is duidelijk onder woorden gebracht in twee Franse spreekwoorden: ‘Nulle terre sans seigneur’ (geen land zonder heer) en ‘L'argent n’ a pas de maître.’ (Geld heeft geen meester). ).
We behoeven echter niet terug te gaan tot de wordingsgeschiedenis van het kapitaal om te onderkennen dat het geld zijn eerste verschijningsvorm is. Dezelfde geschiedenis speelt zich dagelijks voor onze ogen af. Ieder nieuw kapitaal betreedt het toneel, d.w.z. de markt, warenmarkt, arbeidsmarkt of geldmarkt, in eerste instantie altijd nog als geld. Geld dat zich door een bepaald proces in kapitaal veranderen moet.
Geld als geld en geld als kapitaal onderscheiden zich aanvankelijk slechts door hun verschillende circulatievorm.
De directe vorm van de warencirculatie is W—G—W, verandering van waar in geld en terugverandering van geld in waar, verkopen om te kopen. Naast deze vorm vinden we echter een tweede, die principieel van de eerste verschilt, de vorm G—W—G, verandering van geld in waar en terugverandering van waar in geld, kopen om te verkopen. Geld, dat in zijn beweging de laatste circulatie beschrijft, verandert zich in kapitaal, wordt kapitaal en is volgens zijn bestemming al kapitaal. Laten we nu de circulatie G—W—G nader bekijken. Deze circulatie doorloopt, net als de eenvoudige warencirculatie, twee tegengestelde fasen. In de eerste fase, G—W, de koop, wordt het geld in waar veranderd. In de tweede fase, W—G, de verkoop, wordt de waar terugveranderd in geld. Het resultaat, waarin het gehele proces te niet gaat, is ruil van geld tegen geld, G—G.
Het circulatieproces G—W—G zou absurd en inhoudsloos zijn als men door middel van die omweg dezelfde geldwaarde tegen dezelfde geldwaarde ruilen wou.
In de circulatie W—G—W wordt het geld tenslotte in een waar veranderd die als gebruikswaarde dient. Het geld is dus definitief uitgegeven. De kringloop G—W—G gaat echter uit van het geld en keert tenslotte tot het geld terug. Zijn drijfveer en doel is daarom de ruilwaarde zelf.
De ene geldsom kan men slechts door zijn grootte van de andere onderscheiden. Het proces G—W—G ontleent zijn inhoud dus niet aan een kwalitatief verschil tussen zijn uiterste termen, want die zijn beide geld, maar aan hun kwantitatief onderscheid.
Tenslotte wordt meer geld aan de circulatie onttrokken dan er eerst ingegooid werd. De volledige vorm van dit proces is daarom G—W—G’, waarin G’=G+△G, d.w.z. gelijk aan de oorspronkelijk voorgeschoten geldsom plus een toeneming. Deze toeneming of dit overschot boven de oorspronkelijke waarde noem ik — meerwaarde (surplus value). De oorspronkelijk voorgeschoten waarde blijft dus niet alleen in de circulatie in stand, maar zij verandert in de circulatie haar waardegrootte, voegt er een meerwaarde bij of wordt waarde (verwertet sich). En deze beweging verandert haar in kapitaal.
De eenvoudige warencirculatie — verkopen om te kopen — dient als middel voor een buiten de circulatie liggend einddoel, de toe-eigening van gebruikswaarden, de bevrediging van de behoeften. De circulatie van het geld als kapitaal echter is een doel op zichzelf, want het tot waarde maken (Verwertung) van de waarde vindt slechts binnen deze steeds hernieuwde beweging plaats. De beweging van het kapitaal heeft daarom geen grenzen.
Als bewuste drager van deze beweging wordt de geldbezitter kapitalist. Zijn persoon, of beter zijn zak, is het uitgangspunt en het punt waarheen het geld terugkeert. De objectieve inhoud van deze circulatie — het tot waarde maken (Verwertung) van de waarde — is zijn subjectief doel, en slechts inzover groeiende toe-eigening van de abstracte rijkdom de enige drijfveer van zijn handelswijze is, functioneert hij als kapitalist of als gepersonificeerd, met een wil en bewustzijn begiftigt kapitaal. De gebruikswaarde is dus nooit te beschouwen als het directe doel van de kapitalist. Ook niet de enkele winst. Maar wel de onafgebroken beweging van het winst maken. Deze volstrekte zucht tot verrijking, deze hartstochtelijke jacht op waarde heeft de kapitalist met de schatvergaarder gemeen. Maar terwijl de schatvergaarder slechts een dwaze kapitalist is, is de kapitalist een rationele schatvergaarder. De onvermoeide vermeerdering van de waarde die de schatvergaarder nastreeft, als hij probeert het geld voor de circulatie te ‘redden’, bereikt de verstandigere kapitalist door het steeds opnieuw aan de circulatie prijs te geven.
De waarde wordt dus aangroeiende waarde, aangroeiend geld en als zodanig kapitaal. De waarde komt voort uit de circulatie en gaat weer in de circulatie terug, houdt zich in de circulatie in stand en verveelvoudigt zich erin, komt er vergroot uit terug en begint dezelfde kringloop steeds weer opnieuw. G—G’, geld dat geld oplevert — money which begets money — zo luidt de beschrijving van het kapitaal bij monde van zijn eerste tolk, de mercantilist. Inderdaad is dus G—W—G’ de algemene vorm van het kapitaal, zoals het zich direct in de circulatiesfeer manifesteert.
De waardeverandering van het geld, dat zich in kapitaal veranderen moet, kan niet in het geld zelf plaatsvinden want als koopmiddel en als betalingsmiddel realiseert het alleen maar de prijs van de waar, die het koopt of betaalt, terwijl het als het zijn eigen vorm handhaaft verstart tot een fossiel met een gelijkblijvende waardegrootte. Evenmin kan de verandering uit de tweede circulatiehelft, het weer verkopen van de waar, voortkomen want deze handeling verandert de waar slechts uit zijn natuurlijke vorm terug in de geldvorm. De verandering kan dus slechts voortkomen uit de gebruikswaarde van de waar als zodanig, dat wil zeggen uit zijn verbruik. Om uit het verbruik van een waar waarde te halen, moest onze geldbezitter zo gelukkig zijn in de circulatiesfeer, op de markt, een waar te ontdekken, waarvan de gebruikswaarde zelf de hoedanigheid heeft, dat zij bron van waarde is, waarvan het feitelijke verbruik dus zelf belichaming van arbeid is en daarom het scheppen van waarde. En de geldbezitter vindt op de markt zo een bijzondere waar — het arbeidsvermogen of de arbeidskracht.
Onder arbeidskracht of arbeidsvermogen verstaan we het geheel van de lichamelijke en geestelijke bekwaamheden die in het lichaam, de levende persoon van een mens bestaan en die hij gebruikt zo vaak hij de een of andere soort gebruikswaarde produceert.
Hij en de geldbezitter ontmoeten elkaar op de markt en treden in relatie met elkaar als gelijkwaardige warenbezitters, die slechts daardoor verschillen dat de een koper en de ander verkoper is, beiden dus juridisch gelijke personen zijn. Het voortduren van deze verhouding vereist dat de eigenaar van de arbeidskracht deze steeds slechts voor een bepaalde tijd verkoopt, want verkoopt hij zijn arbeidskracht met huid en haar eens en voor altijd, dan verkoopt hij zichzelf, dan verandert hij van een vrij mens in een slaaf, van een warenbezitter in een waar.
Als persoon moet hij zijn arbeidskracht steeds als zijn eigendom beschouwen en dus als zijn eigen waar, en dat kan hij alleen maar, in zover hij de koper zijn arbeidskracht slechts tijdelijk, voor een bepaalde tijdspanne gebruiken laat, dus door de vervreemding niet afstand doet van zijn eigendom.
Wil de geldbezitter de arbeidskracht op de markt als waar aantreffen dan moet aan een tweede wezenlijke voorwaarde voldaan zijn, namelijk dat de bezitter van die arbeidskracht in plaats van dat hij waren kan verkopen, waarin zijn arbeid zich belichaamd heeft, integendeel zijn arbeidskracht zelf die slechts in zijn levend lichaam bestaat, als waar te koop aanbieden moet.
Voor de verandering van geld in kapitaal moet de geldbezitter dus de vrije arbeider op de warenmarkt aantreffen. Vrij in de dubbele betekenis, dat hij als vrij persoon zowel over zijn arbeidskracht als zijn waar beschikt als dat hij aan de andere kant geen andere waren te verkopen heeft, kortom dat hij vrij is van alle zaken die voor de verwezenlijking van zijn arbeidskracht noodzakelijk zijn.
Deze bijzondere waar, de arbeidskracht, heeft zoals alle andere waren een waarde. Hoe wordt die bepaald? De waarde van de arbeidskracht wordt, zoals de waarde van elke andere waar, bepaald door de voor de productie, dus ook reproductie van dit specifieke artikel, noodzakelijke arbeidstijd. In zover de arbeidskracht waarde is, vertegenwoordigt hij zelf slechts een bepaalde hoeveelheid in hem belichaamde maatschappelijke doorsneearbeid. De arbeidskracht bestaat slechts als vermogen van het levende individu. Zijn productie vooronderstelt dus het bestaan van dit individu. Als men het bestaan van dit individu als gegeven veronderstelt, bestaat de productie van de arbeidskracht in de eigen reproductie en het onderhoud van het individu. Om zich in stand te houden heeft het individu een bepaalde hoeveelheid bestaansmiddelen nodig. De voor de productie van de arbeidskracht noodzakelijke arbeidstijd komt dus neer op de voor de productie van deze bestaansmiddelen noodzakelijke arbeidstijd, of wel de waarde van de arbeidskracht is de waarde van de voor het in stand houden van de bezitter noodzakelijke bestaansmiddelen. De hoeveelheid bestaansmiddelen moet dus voldoende zijn om het arbeidende individu als arbeidend individu in zijn normale levenstoestand in stand te houden. De natuurlijke behoeften zelf, zoals voeding, kleding, verwarming, woning, enz. verschillen echter al naar gelang het klimaat en andere natuurlijke eigenaardigheden van een land. Aan de andere kant is de omvang van de zogenaamde noodzakelijke behoeften, evenals de wijze van hun bevrediging zelf een historisch product en hangt daarom grotendeels af van de trap van beschaving van een land en onder anderen ook wezenlijk daarvan af, onder welke voorwaarden en dus met welke gewoonten en levenseisen de klasse van de vrije arbeiders zich gevormd heeft.
In tegenstelling tot de andere waren bevat dus de waardebepaling van de arbeidskracht een historisch en zedelijk element. Maar voor een bepaald land en een bepaalde periode is de gemiddelde hoeveelheid noodzakelijke bestaansmiddelen gegeven.
De bijzondere aard van de specifieke waar, de arbeidskracht, brengt mee dat met de afsluiting van het contract tussen koper en verkoper zijn gebruikswaarde nog niet werkelijk in handen van de koper is overgegaan. Zijn waarde was, zoals die van elke andere waar voor hij de circulatie inging bepaald, want een bepaalde hoeveelheid maatschappelijke arbeid werd voor de productie van de arbeidskracht uitgegeven, maar de gebruikswaarde bestaat pas in de latere krachtsinspanning. De vervreemding van de arbeidskracht en zijn werkelijke uiting, dat wil zeggen zijn bestaan als gebruikswaarde, vallen daarom in tijd uiteen. Bij zulke waren echter waarbij de formele vervreemding van de gebruikswaarde door de verkoop en haar werkelijke levering aan de koper in tijd uiteenvallen, functioneert het geld van de koper meestal als betalingsmiddel. In alle landen met kapitalistische productiewijze wordt de arbeidskracht pas betaald, nadat hij reeds gedurende de in het koopcontract vastgestelde termijn gefunctioneerd heeft, d.w.z. aan het einde van de week. Overal schiet dus de arbeider de kapitalist de gebruikswaarde van de arbeidskracht voor; hij laat de arbeidskracht door de koper consumeren, voordat hij zijn prijs betaald krijgt, overal geeft de arbeider de kapitalist dus krediet.
Het consumptieproces van de arbeidskracht is tegelijk het productieproces van waren en meerwaarde. De consumptie van de arbeidskracht geschiedt, zoals de consumptie van elke andere waar, buiten de markt of de circulatiesfeer, binnen de verborgen plaatsen van de productie.