Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Derde deel: De productie van de absolute meerwaarde
Het gebruik van de arbeidskracht is de arbeid zelf. De koper van de arbeidskracht consumeert hem door de verkoper van die arbeidskracht te laten werken.
De arbeid is in de eerste plaats een proces tussen de mens en de natuur, een proces waarin de mens zijn stofwisseling met de natuur door zijn eigen activiteit tot stand brengt, regelt en controleert. We gaan uit van die vorm van de arbeid die uitsluitend bij mensen voorkomt. Een spin verricht werkzaamheden die op die van een wever lijken, een bij maakt menig architect beschaamd door de bouw van zijn wascellen. Maar wat de slechtste architect a priori van de beste bij onderscheidt is, dat hij de cel in zijn hoofd gebouwd heeft voordat hij hem in was bouwt. Aan het einde van het arbeidsproces komt een resultaat tot stand dat de arbeider zich bij het begin van dit arbeidsproces al voorgesteld had, dat dus al ideëel aanwezig was. Hij bewerkstelligt niet alleen een vormverandering van het natuurlijke, maar hij verwezenlijkt in het natuurlijke tegelijk zijn doel. Een doel dat hij kent, dat de manier van zijn handelen wetmatig bepaald heeft en waaraan hij zijn wil ondergeschikt moet maken. De enkelvoudige momenten van het arbeidsproces zijn de doelmatige werkzaamheid of de arbeid zelf, het voorwerp van de arbeid en het middel van de arbeid.
De aarde (waaronder economisch ook het water begrepen is), zoals hij de mensen oorspronkelijk van proviand en kant en klare levensmiddelen voorziet, is zonder het toedoen van de mensen als het algemene voorwerp van menselijke arbeid aanwezig. Alle dingen die door de arbeid alleen maar losgemaakt worden van hun directe samenhang met de aarde zijn door de natuur ter beschikking gestelde arbeidsvoorwerpen, bv. de vis, die van zijn levenselement, het water, gescheiden en gevangen wordt; het hout, dat in het oerwoud geveld wordt; het erts, dat uit zijn ader losgebroken wordt. Is het arbeidsvoorwerp daarentegen, door vroegere arbeid zelf al geïnfiltreerd, dan noemen we het grondstof. Bv. het al losgebroken erts, dat nu gewassen wordt. Alle grondstof is arbeidsvoorwerp, maar niet ieder arbeidsvoorwerp is grondstof. Grondstof is het arbeidsvoorwerp slechts, zodra het al een door arbeid tot stand gebrachte verandering ondergaan heeft. Met uitzondering van de extractieve industrie, die haar arbeidsvoorwerp in de natuur aanwezig vindt, zoals mijnbouw, jacht, visvangst, enz. (de landbouw alleen maar in zoverre zij in eerste instantie de maagdelijke grond zelf omploegt) bewerken alle industrietakken een voorwerp, dat grondstof, d.w.z. een al door arbeid geïnfiltreerd arbeidsvoorwerp (dus zelf al arbeidsproduct) is.
Het arbeidsmiddel is een ding of een samenstel van dingen dat de arbeider tussen zichzelf en het arbeidsvoorwerp schuift en dat hem dient als geleider van zijn werkzaamheid op dit voorwerp. Hij benut de mechanische, fysische, chemische eigenschappen van de dingen, om ze als machtsmiddelen op andere dingen, in overeenstemming met zijn doel, te laten werken. Zodra het arbeidsproces slechts enigszins ontwikkeld is, heeft het reeds bewerkte arbeidsmiddelen nodig.
Niet wat gemaakt wordt, maar hoe, met welke arbeidsmiddelen gewerkt wordt, ‘onderscheidt de economische perioden. (Van alle waren zijn de eigenlijke luxe-waren, de minst betekenende voor de technische vergelijking van de verschillende productietijdperken).
In het arbeidsproces brengt dus de werkzaamheid van de mensen door het arbeidsmiddel een van te voren gewenste verandering van het arbeidsvoorwerp tot stand. Het proces verdwijnt in het product. Zijn product is een gebruikswaarde, een door vormverandering voor menselijke behoefte geschikt gemaakte natuurstof. De arbeid heeft zich met zijn voorwerp verbonden. Hij is verstoffelijkt en de stof is ver-arbeid. Wat aan de kant van de arbeider in de vorm van beweging verscheen, verschijnt nu aan de kant van het product als eigenschap van rust, in de vorm van het zijn. Hij heeft gesponnen en zijn product is een spinsel. Als we het gehele proces vanuit het standpunt van het resultaat beschouwen, vanuit het product, dan manifesteren zich beide, arbeidsmiddel en arbeidsvoorwerp, als productiemiddelen (Het schijnt paradoxaal, bv. de vis die nog niet gevangen is, een productiemiddel voor de visvangst te noemen. Tot nu toe is echter niet de kunst uitgevonden vissen te vangen in water waar geen vis is.) en de arbeid zelf als productieve arbeid. (Deze bepaling van productieve arbeid, zoals ze uit het standpunt van het eenvoudige arbeidsproces voortvloeit, is niet voldoende voor het kapitalistische productieproces).
Of een gebruikswaarde als grondstof, arbeidsmiddel of wel als product optreedt, hangt helemaal af van haar specifieke functie in het arbeidsproces, van de plaats die zij inneemt en met het veranderen van plaats veranderen ook die bestemmingen.
De kapitalist koopt op de warenmarkt alle factoren, die voor een arbeidsproces nodig zijn, de stoffelijke factoren, d.w.z. de productiemiddelen, de persoonlijke factor, d.w.z. de arbeidskracht. Onze kapitalist begint nu de door hem gekochte waar, de arbeidskracht te consumeren, d.w.z. hij laat de drager van de arbeidskracht, de arbeider, de productiemiddelen door zijn arbeid consumeren. Het arbeidsproces, zoals het als consumptieproces van de arbeidskracht door de kapitalist plaatsvindt, vertoont nu twee kenmerkende verschijnselen.
De arbeider werkt onder de controle van de kapitalist, aan wie zijn arbeid toebehoort.
Ten tweede echter, het product is het eigendom van de kapitalist en niet van de directe producent, van de arbeider. De kapitalist heeft door de koop van de arbeidskracht, de arbeid zelf als levende giststof ingelijfd bij de hem eveneens toebehorende vormingselementen van het product. Vanuit zijn standpunt is het arbeidsproces alleen maar de consumptie van de door hem gekochte waar (de arbeidskracht) die hij echter slechts consumeren kan door er productiemiddelen aan toe te voegen.
De kapitalist wil niet slechts een gebruikswaarde produceren, maar een waar. Niet slechts gebruikswaarde, maar waarde. Niet slechts waarde, maar ook meerwaarde.
Zoals de waar zelf eenheid is van gebruikswaarde en waarde, moet zijn productieproces eenheid zijn van arbeidsproces en waardevormingsproces. (Wertbildungsprozess)
Als we het waardevormingsproces en het proces van meerwaardevorming (Verwertungsprozess) vergelijken dan is het proces van meerwaardevorming niets anders dan een waardevormingsproces dat voorbij een bepaald punt is voortgezet. Als het waardevormingsproces slechts duurt tot het punt waarop de door het kapitaal betaalde waarde van de arbeidskracht door een nieuw equivalent vervangen is, dan is het een eenvoudig waardevormingsproces. Duurt het waardevormingsproces voorbij dit laatste punt dan wordt het een meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess). We nemen aan: de dagwaarde van een arbeidskracht bedraagt 3 sh., omdat in deze arbeidskracht zelf een halve arbeidsdag belichaamd is, d.w.z. omdat de dagelijks voor de productie van de arbeidskracht nodige bestaansmiddelen een halve arbeidsdag kosten. Maar de vroegere arbeid, die in de arbeidskracht steekt en de levende arbeid die hij presteren kan, de dagelijkse onderhoudskosten van de arbeidskracht en zijn dagelijkse prestatie, zijn twee geheel verschillende grootheden. De eerste bepaalt zijn ruilwaarde, de andere vormt zijn gebruikswaarde. De omstandigheid dat een halve ‘arbeidsdag nodig is om de arbeider gedurende 24 uur in leven te houden verhindert hem helemaal niet een hele dag te werken.
De waarde van de arbeidskracht en het tot waarde maken (Verwertung) ervan in het arbeidsproces zijn dus twee verschillende grootheden. Dit waardeverschil had de kapitalist op het oog toen hij de arbeidskracht kocht. De nuttige eigenschap van de arbeidskracht, dat hij garen of schoenen maakt was slechts een conditio sine qua non (noodzakelijke voorwaarde) omdat arbeid in een nuttige vorm besteed moet worden om waarde te vormen. Beslissend was echter de specifieke gebruikswaarde van deze waar, nl. dat deze gebruikswaarde bron van waarde is en van meerwaarde, dan de arbeidskracht zelf heeft. Dat is de specifieke dienst die de kapitalist van de arbeidskracht verwacht. En hij gaat daarbij overeenkomstig de eeuwige wetten van de warenruil te werk.
Inderdaad realiseert de verkoper van de arbeidskracht, zoals de verkoper van iedere waar, de ruilwaarde en vervreemdt hij de gebruikswaarde van de waar. Hij kan de ene niet krijgen, zonder de andere weg te geven. De gebruikswaarde van de arbeidskracht, dus de arbeid zelf, komt evenmin de verkoper van de arbeidskracht toe, als de gebruikswaarde van de verkochte olie aan de oliehandelaar.
De geldbezitter heeft de dagwaarde van de arbeidskracht betaald. Aan hem behoort daarom het gebruik van de arbeidskracht gedurende de dag, de arbeid van een dag.
De omstandigheid dat het dagelijkse onderhoud van de arbeidskracht slechts een halve arbeidsdag eist, (hoewel de arbeidskracht een hele dag werkzaam kan zijn, arbeiden kan) dat dus de waarde die het gebruik van die arbeidskracht gedurende een gehele dag schept, het dubbele is van de eigen dagwaarde van de arbeidskracht, is een bijzonder geluk voor de koper, maar volstrekt geen onrecht tegenover de verkoper.
De kapitalist heeft deze gunstige omstandigheid voorzien. De arbeider vindt daarom in de werkplaats niet de nodige productiemiddelen voor een zes-urig, maar voor een twaalf-urig arbeidsproces. De kapitalist betaalde als koper iedere waar tegen zijn waarde, de katoen, de spindels en de arbeidskracht. Equivalent werd tegen equivalent geruild. Hij deed dan, wat iedere andere warenkoper doet. Hij consumeert de gebruikswaarde van de waren. Het consumptieproces van de arbeidskracht, dat tegelijk productieproces van de waar is, resulteerde in een product. De kapitalist gaat nu naar de markt terug en verkoopt waren, nadat hij eerst waren gekocht heeft. En toch onttrekt hij 3 shilling meer uit de circulatie, dan hij er oorspronkelijk ingeworpen heeft. Dit gehele verloop, deze verandering van zijn geld in kapitaal, vindt in de circulatiesfeer plaats en vindt er niet in plaats. Door middel van de circulatie, omdat de koop van de arbeidskracht op de warenmarkt de voorwaarde is. Niet in de circulatie, want de circulatie leidt het proces voor meerwaardevorming, dat in de productiesfeer plaatsvindt, slechts in.
Doordat de kapitalist geld in waren verandert, die als materiaal van een nieuw product of als factoren van het arbeidsproces dienen, doordat hij in hun dode stof levende arbeidskracht incorporeert, verandert hij waarde, — vroegere, belichaamde, dode arbeid — in kapitaal (d.w.z. in zichzelf in waarde omzettende waarde — selbst verwertender Wert); een bezield monster, dat begint te ‘arbeiden’, als ware het verliefd geworden. (Goethe, Faust; Auerbach’s wijnkelder in Leipzig vers 2148: ‘Als hätt’ es Lieb’ im Leibe.’)
Vergelijken we het waardevormingsproces met het arbeidsproces, dan bestaat het laatste in de nuttige arbeid, die gebruikswaarde produceert.
De beweging wordt hier kwalitatief beschouwd naar haar bijzondere aard, doel en inhoud. Ditzelfde arbeidsproces manifesteert zich in het waardevormingsproces slechts van zijn kwantitatieve kant. Het gaat alleen nog maar om de tijd, die de arbeid voor zijn verrichtingen nodig heeft of om de tijdsduur gedurende welke de arbeiderskracht nuttig besteed wordt. Hier gelden ook de waren, die het arbeidsproces ingaan niet meer als functioneel bepaalde, stoffelijke factoren van de doelmatig werkende arbeidskracht. Ze tellen slechts als bepaalde hoeveelheden belichaamde arbeid. De arbeid telt nog slechts volgens zijn tijdsduur of die arbeid nu in de productiemiddelen belichaamd is of door de arbeidskracht toegevoegd. Hij bedraagt zoveel uren, dagen, enz. De arbeid telt echter slechts in zover de voor de productie van de gebruikswaarde gebruikte tijd maatschappelijk noodzakelijk is. Dit omvat velerlei zaken.
De arbeidskracht moet onder normale voorwaarden functioneren. Als de spinmachine het maatschappelijke heersende arbeidsmiddel is in de spinnerij, dan mag men de arbeider niet met een spinnenwiel laten werken. In plaats van katoen van normale kwaliteit, moet hij geen uitschot krijgen dat ieder ogenblik breekt. In beide gevallen zou hij meer dan de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd voor de productie van een pond garen nodig hebben, maar dan zou deze overtollige tijd geen waarde of geld vormen. Het normale karakter van de stoffelijke arbeidsfactoren hangt echter niet van de arbeider, maar van de kapitalist af. Een volgende voorwaarde is het normale karakter van de arbeidskracht zelf. In het vak, waarin hij aangewend wordt, moet hij het heersende gemiddelde mate van bekwaamheid, vaardigheid en snelheid bezitten. Maar onze kapitalist kocht op de arbeidsmarkt arbeidskracht van normale kwaliteit. Deze kracht moet met het gebruikelijke gemiddelde mate van inspanning, met de maatschappelijk gebruikelijke graad van intensiteit besteedt worden. Daarover waakt de kapitalist even angstig als over het feit dat geen tijd zonder te arbeiden verspild wordt. Hij heeft de arbeidstijd voor een bepaalde tijdsduur gekocht. Hij staat erop het zijne te krijgen. Hij wil niet bestolen worden. Tenslotte mag er geen ondoelmatige consumptie van grondstoffen en arbeidsmiddelen plaatsvinden.
Men ziet, het vroegere, uit de analyse van de waar ontdekte onderscheid tussen de arbeid, in zover hij gebruikswaarde en dezelfde arbeid, in zover hij waarde schept, manifesteert zich nu als onderscheiding van de verschillende kanten van het productieproces.
Als eenheid van arbeidsproces en waardevormingsproces is het productieproces een productieproces van waren. Als eenheid van arbeidsproces en meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess) is het: kapitalistisch productieproces, kapitalistische vorm van warenproductie.
Voor het meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess) is het volstrekt onverschillig of de door de kapitalist toegeëigende arbeid enkelvoudige maatschappelijke doorsnee-arbeid is of gecompliceerde arbeid, dus arbeid met een hoger soortelijk gewicht. De arbeid die als hogere gecompliceerde arbeid tegenover de maatschappelijk gemiddelde arbeid geldt, is de uiting van een arbeidskracht, waarin hogere vormingskosten vervat zijn, waarvan de productie meer arbeidstijd kost en die daarom een hogere waarde heeft als de eenvoudige arbeidskracht.
Is de waarde van deze kracht hoger, dan uit hij zich ook in hogere arbeid en belichaamt zich dus in dezelfde tijdsruimte, in naar verhouding hogere waarden.
De meerwaarde komt slechts tot stand door een kwantitatief overschot van arbeid, door de verlengde duur van hetzelfde arbeidsproces.