Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Derde deel: De productie van de absolute meerwaarde
De verschillende factoren van het arbeidsproces nemen op verschillende manieren deel aan de vorming van de productenwaarde. De arbeider voegt aan het arbeidsvoorwerp nieuwe waarde toe, door de toevoeging van een bepaalde hoeveelheid arbeid, afgezien van de bepaalde inhoud, het doel en het technische karakter van zijn arbeid. Aan de andere kant vinden we de waarde van de verbruikte productiemiddelen terug als bestanddelen van de productenwaarde, bv. de waarden van katoen en spindels in de garenwaarde. De waarde van de productiemiddelen wordt dus in stand gehouden door haar overdracht op het product. Dit overdragen geschiedt gedurende de verandering van de productiemiddelen in product, in het arbeidsproces. Dit overdragen wordt door de arbeid tot stand gebracht. Maar hoe?
Omdat de toevoeging van nieuwe waarde aan het arbeidsvoorwerp en het in stand houden van de oude waarde in het product echter twee geheel verschillende resultaten zijn, die de arbeider in dezelfde tijd tot stand brengt — hoewel hij slechts eenmaal in dezelfde tijd arbeidt — kan deze tweezijdigheid van het resultaat, klaarblijkelijk slechts uit de tweezijdigheid van zijn arbeid zelf verklaard worden. Op hetzelfde tijdstip moet hij door deze eigenschap waarde scheppen en door de andere eigenschap waarde in stand houden of overdragen.
In zijn abstracte algemene eigenschap, als besteding van menselijke arbeidskracht, voegt de arbeid van de spinner aan de waarde van katoen en spindels nieuwe waarde toe en in zijn concrete, bijzondere, nuttige eigenschap als spinproces draagt de arbeid de waarde van deze productiemiddelen over op het product en bestendigt zo hun waarde in het product. Vandaar de tweezijdigheid van het resultaat op hetzelfde ogenblik.
Door enkele kwantitatieve toevoeging van arbeid wordt nieuwe waarde toegevoegd, door de kwaliteit van de toegevoegde arbeid wordt de oude waarde van de productiemiddelen in het product in stand gehouden. Deze dubbelzijdige werking van dezelfde arbeid tengevolge van het tweezijdige karakter manifesteert zich duidelijk door verschillende verschijnselen.
Hoe meer noodzakelijke arbeidstijd gedurende het spinnen op dezelfde hoeveelheid katoen gaat, des te groter de nieuwwaarde, die aan het katoen toegevoegd wordt, maar hoe meer ponden katoen in dezelfde arbeidstijd versponnen wordt, des te groter de oude waarde, die in het product bestendigd wordt.
Laten we omgekeerd aannemen dat de productiviteit van de spinarbeid onveranderd blijft, de spinner dus als tevoren dezelfde tijd nodig heeft om een pond katoen in garen te veranderen. Maar de ruilwaarde van het katoen zelf verandert. In beide gevallen gaat de spinner dan voort aan dezelfde hoeveelheid katoen dezelfde arbeidstijd toe te voegen, dus dezelfde waarde. Hij produceert dus evenveel garen. Toch is de waarde die hij van het katoen op het garen — het product — overdraagt veranderd met de ruilwaarde van het katoen.
Evenzo als de arbeidsmiddelen duurder of goedkoper worden, maar steeds dezelfde dienst in het arbeidsproces verrichten. Onder gelijkblijvende productieverhoudingen houdt de arbeider meer waarde in stand naarmate hij meer waarde toevoegt, maar hij houdt niet meer waarde in stand omdat hij meer waarde toevoegt, maar omdat hij die waarde onder gelijkblijvende en van zijn arbeid onafhankelijke voorwaarden toevoegt. Natuurlijk kan in relatieve zin gezegd worden dat de arbeider steeds in dezelfde verhouding oude waarden in stand houdt, waarin hij nieuwe waarde toevoegt.
In het arbeidsproces gaat de waarde van het productiemiddel over op het product inzover het productiemiddel met zijn zelfstandige gebruikswaarde ook zijn ruilwaarde verliest. Het geeft slechts de waarde aan het product af, die het als productiemiddel verliest. De stoffelijke factoren van het arbeidsproces gedragen zich echter in dat opzicht verschillend.
De kolen, waarmee de machine gestookt wordt, verdwijnen spoorloos, evenals de olie waarmee men de as van het wiel smeert enz. De verf en andere hulpstoffen verdwijnen, maar tonen hun eigenschappen in het product. De grondstof vormt de substantie van het product, maar heeft zijn vorm veranderd. Grondstoffen en hulpstoffen verliezen dus de zelfstandige gedaante, waarmee ze als gebruikswaarden het arbeidsproces ingingen. Met de eigenlijke arbeidsmiddelen staat het anders.
Een instrument, een machine, een fabrieksgebouw, een vat enz. dienen in het arbeidsproces slechts zolang ze hun oorspronkelijke gedaante bewaren en morgen weer in dezelfde vorm het arbeidsproces ingaan als gisteren. Zoals ze gedurende hun leven, gedurende het arbeidsproces, hun zelfstandige gedaante tegenover het product bewaren, zo ook na hun dood. Gedurende zijn gehele arbeidsperiode is de gebruikswaarde van het arbeidsmiddel volledig door de arbeid verteerd en zijn ruilwaarde dus volledig op het product overgegaan. De levensperiode van een arbeidsmiddel omvat dus een groter of kleiner aantal steeds opnieuw herhaalde arbeidsprocessen.
Het maximale waardeverlies dat de productiemiddelen in het arbeidsproces kan lijden, is blijkbaar beperkt door de oorspronkelijke waardegrootte waarmee ze in het arbeidsproces intreden of wel door de voor hun eigen productie vereiste arbeidstijd. Productiemiddelen kunnen daarom niet meer waarde aan het product toevoegen dan ze bezitten, onafhankelijk van het arbeidsproces waarin ze dienen. Een factor van het arbeidsproces, een productiemiddel, gaat dus geheel op in het arbeidsproces maar slechts ten dele in het meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess). Aan de andere kant kan een productiemiddel geheel in het meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess) opgaan, maar slechts gedeeltelijk in het arbeidsproces.
Dit geldt voor alle afval van het arbeidsproces, tenminste in die mate waarin dat afval niet weer een nieuw productiemiddel en dus een nieuwe gebruikswaarde vormt.
In de waarde van het product keert de waarde van de productiemiddelen terug, maar deze waarde van de productiemiddelen wordt — exact geformuleerd — niet gereproduceerd. Wat geproduceerd wordt is de nieuwe gebruikswaarde, waarin de oude ruilwaarde zich weer manifesteert. (Het is niet de prijs van het brood die zich in de vernieuwde kracht opnieuw manifesteert, maar de bloedvormende substantie van het brood. Wat zich daarentegen als waarde van de kracht opnieuw manifesteert zijn niet de bestaansmiddelen, maar hun waarde. Dezelfde bestaansmiddelen zouden, als ze maar de helft zouden kosten, precies evenveel spieren, beenderen, enz. produceren, kortom dezelfde kracht, maar niet kracht van dezelfde waarde. Dit omzetten van ‘waarde’ in ‘kracht’ en de hele farizeïsche vaagheid verbergen de in elk opzicht vergeefse poging uit het enkele zich opnieuw manifesteren van voorgeschoten waarde een meerwaarde uit te ziften).
Terwijl arbeid door zijn doelmatige vorm de waarde van de productiemiddelen, of van het product, overdraagt en in stand houdt, vormt ieder moment van zijn beweging additionele waarde, nieuwe waarde. Zij is de enige originele waarde, die binnen dit proces ontstaat, het enige waardedeel van het product dat door het proces zelf geproduceerd is. Natuurlijk vervangt zij deels het door de kapitalist bij de koop van de arbeidskracht voorgeschoten, door de arbeider zelf in levensmiddelen uitgegeven geld. De nieuwe waarde verschijnt (voor zover ze een equivalent voor de waarde van de arbeidskracht produceert) met betrekking tot de uitgegeven 3 shilling voor de waarde van de arbeidskracht slechts als reproductie. Maar zij is werkelijk gereproduceerd, niet slechts schijnbaar, zoals de waarde van de productiemiddelen. De vervanging van de ene waarde door de andere is hier tot stand gekomen door een nieuwe waardeschepping. Het overschot van de totale waarde van het product boven de waardesom van zijn vormingselementen is het overschot van het met meerwaarde toegenomen kapitaal (des verwerteten Kapitals) boven de oorspronkelijk voorgeschoten kapitaalwaarde. Productiemiddelen aan de ene kant en arbeidskracht aan de andere kant zijn slechts de verschillende bestaansvormen die de oorspronkelijke kapitaalwaarde aannam bij het afstropen van haar geldvorm en haar verandering in de factoren van het arbeidsproces. Het deel van het kapitaal dus, dat zich in productiemiddelen d.w.z. in grondstoffen, hulpstoffen en arbeidsmiddelen omzet, verandert zijn waardegrootte niet in het productieproces. Ik noem het daarom het constante kapitaaldeel of korter constant kapitaal. Het in arbeidskracht omgezette deel van het kapitaal verandert daarentegen zijn waarde in het productieproces. Het produceert zijn eigen equivalent en bovendien een overschot, meerwaarde, dat zelf veranderen kan, groter en kleiner kan zijn. Van een constante grootte verandert dit deel van het kapitaal zich voortdurend in een variabele. Ik noem het daarom het variabel kapitaaldeel of korter variabel kapitaal.
Dezelfde bestanddelen van het kapitaal, die zich vanuit het standpunt van het arbeidsproces als objectieve en subjectieve factoren, als productiemiddelen en arbeidskracht onderscheiden, onderscheiden zich vanuit het standpunt van het meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess) als constant en variabel kapitaal.