Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Derde deel: De productie van de absolute meerwaarde
De som van de noodzakelijke arbeid en de meerarbeid, de tijdsspanne waarin de arbeider de vervangingswaarde van zijn arbeidskracht en de meerwaarde produceert, vormt de absolute grootte van zijn arbeidsdag (working day).
De arbeidsdag is geen constante maar een variabele grootheid. Een van zijn delen wordt weliswaar bepaald door de arbeidstijd die nodig is voor de voortdurende reproductie van de arbeider zelf, maar zijn totale grootte wisselt met de lengte of de duur van de meerarbeid. De arbeidsdag is bijgevolg bepaalbaar, maar als zodanig onbepaald. De minimumgrens van de arbeidsdag is echter niet bepaalbaar. Daarentegen heeft de arbeidsdag wel een maximumgrens. Hij kan boven een bepaalde grens niet verlengd worden. Een mens kan gedurende 24 uur van een natuurlijke dag slechts een bepaalde hoeveelheid levenskracht besteden. Gedurende een gedeelte van de dag moet de kracht rusten en slapen. Gedurende een ander gedeelte moet de mens andere lichamelijke behoeften bevredigen, zich voeden, reinigen, kleden enz. Buiten deze zuiver lichamelijke grenzen stuit de verlenging van de arbeidsdag op morele grenzen. De arbeider heeft tijd nodig voor de bevrediging van geestelijke en sociale behoeften, waarvan de omvang en het aantal bepaald zijn door het algemene beschavingspeil. De variatie van de arbeidsdag beweegt zich binnen lichamelijke en sociale grenzen. Beide grenzen zijn echter van een zeer rekbare aard en geven de grootste speelruimte.
De kapitalist heeft de arbeidskracht tegen zijn dagwaarde gekocht. De gebruikswaarde van de arbeidskracht behoort hem gedurende een arbeidsdag. Hij heeft dus het recht gekregen de arbeider gedurende een dag voor zich te laten werken. Maar wat is een arbeidsdag? In ieder geval minder dan een natuurlijke levensdag. Maar hoeveel minder? De kapitalist heeft zijn eigen mening over deze Ultima Thule (uiterste grens), de noodzakelijke grens van de arbeidsdag. Als kapitalist is hij slechts gepersonifieerd kapitaal. Zijn ziel is de ziel van het kapitaal. Het kapitaal heeft echter maar één levensdrang: de drang zich in waarde te doen toenemen (sich zu verwerten), meerwaarde te scheppen, de drang om met zijn constant deel, met de productiemiddelen, de grootst mogelijke hoeveelheid meerarbeid op te zuigen.
Kapitaal is dode arbeid, die zoals een vampier, slechts tot leven komt door het opzuigen van levende arbeid en des te meer leeft naarmate hij meer arbeid opzuigt. De tijd dat de arbeider werkt, is de tijd waarin de kapitalist de door hem gekochte arbeidskracht consumeert. Als de arbeider zijn beschikbare tijd voor zichzelf verbruikt besteelt hij de kapitalist. De kapitalist beroept zich dus op de wet van de warenruil. Hij tracht evenals iedere andere koper het grootst mogelijke nut uit de gebruikswaarde van zijn waar te slaan.
Plotseling verheft de stem van de arbeider zich echter:
‘De waar die ik verkocht onderscheidt zich van het andere warengespuis daardoor dat zijn gebruik waarde schept en wel grotere waarde dan hij zelf gekost heeft. Dat was de reden waarom je hem kocht. Wat aan jouw kant zich als waardetoeneming (Verwertung) van het kapitaal manifesteert, is aan mijn kant extra-besteding van arbeidskracht. Jij en ik, kennen op het marktplein maar één wet, die van de warenruil. En de consumptie van de waar komt niet toe aan de verkoper, die de waar vervreemdt, maar aan de koper die hem verwerft. Jou komt dus het gebruik van mijn dagelijkse arbeidskracht toe. Maar door middel van zijn dagelijkse verkoopsprijs moet ik hem dagelijks kunnen reproduceren en dus opnieuw kunnen verkopen. Afgezien van de natuurlijke slijtage door ouderdom enz. moet ik in staat zijn morgen met dezelfde normale staat van kracht, gezondheid en frisheid te werken als vandaag. Je predikt mij voortdurend het evangelie van de ‘spaarzaamheid’ en de ‘onthouding’. Ik wil als een verstandige, spaarzame huisvader mijn enige vermogen, de arbeidskracht, beheren en mij onthouden van elke dwaze verspilling ervan. Ik wil er dagelijks maar zoveel van liquide maken, ervan in beweging, in arbeid omzetten als in overeenstemming is met zijn normale duur en gezonde ontwikkeling. Door mateloze verlenging van de arbeidsdag kan je in één dag een grotere hoeveelheid van mijn arbeidskracht liquide maken dan ik in drie dagen vervangen kan. Wat jij zo aan arbeid wint, verlies ik aan arbeidssubstantie. Het gebruik van mijn arbeidskracht en het plunderen van mijn arbeidskracht zijn twee geheel verschillende zaken. Als de gemiddelde periode die een doorsnee arbeider bij een verstandige mate van arbeid leven kan 30 jaar bedraagt, is de waarde van mijn arbeidskracht, die je mij van dag tot dag betaalt
van zijn totale waarde.
Als je die arbeidskracht echter in 10 jaar consumeert, dan betaal je me dagelijks 1/10950 in plaats van 1/3650 van zijn totale waarde, dus maar 1/3 van zijn dagwaarde en je besteelt me dus dagelijks voor 2/3 van de waarde van mijn waar.
Je betaalt me de arbeidskracht van één dag, terwijl je de arbeidskracht van drie dagen verbruikt. Dat is in strijd met onze overeenkomst en de wet van de warenruil. Ik eis dus een arbeidsdag van normale duur en ik eis dat zonder een beroep te doen op je gemoed, want bij geldzaken houdt de gemoedelijkheid op. Je kan wel een modelburger zijn, misschien lid van de vereniging voor dierenbescherming, en bovendien in de reuk van de heiligheid staan, maar in de borst van de zaak die jij tegenover mij vertegenwoordigt slaat geen kloppend hart. Mijn eigen hartslag schijnt daarin te slaan. Ik eis de normale arbeidsdag, omdat ik — evenals iedere andere verkoper — de waarde van mijn waar opeis.’
Men ziet, afgezien van de zeer elastische grenzen, volgt uit de aard van de warenruil zelf geen grens van de arbeidsdag, dus geen grens van de meerarbeid. De kapitalist houdt zijn recht als koper staande, als hij de arbeidsdag zo lang mogelijk maakt en — waar mogelijk — van één arbeidsdag er twee probeert te maken. Aan de andere kant stelt de specifieke aard van de verkochte waar paal en perk aan de consumptie door de koper, en de arbeider houdt zijn recht als verkoper staande als hij de arbeidsdag tot een bepaalde normale grootte beperken wil. Hier is dus sprake van een antinomie (tegenstrijdigheid tussen twee wetten), recht tegen recht, beide gelijkmatig door de wet van de warenruil bezegelt. Tussen gelijke rechten beslist het geweld. En zo manifesteert de normalisering van de arbeidsdag zich in de geschiedenis van de kapitalistische productie als strijd om de grenzen van de arbeidsdag — een strijd tussen de gezamenlijke kapitalisten, d.w.z. de klasse van de kapitalisten en de gezamenlijke arbeiders of de arbeidersklasse.
De meerarbeid is geen uitvinding van het kapitaal. Overal waar een deel van de maatschappij het monopolie van de productiemiddelen bezit moet de arbeider, vrij of onvrij, aan de voor zijn eigen onderhoud noodzakelijke arbeidstijd extra-arbeidstijd toevoegen om de bestaansmiddelen voor de eigenaar van de productiemiddelen te produceren, ongeacht of deze eigenaar nu een Atheens aristocraat, Etruskisch theocraat, civis romanus (Romeins burger), Normandische baron, Amerikaanse slavenhouder, Walachyse bojaar, moderne landlord (grootgrondbezitter) of kapitalist is. Intussen is het duidelijk dat wanneer in een economische maatschappelijke orde niet de ruilwaarde maar de gebruikswaarde van de producten prevaleert, de meerarbeid door een nauwere of ruimere grens van de behoeften beperkt is, maar dat uit het karakter van de productie zelf geen onbegrensde behoefte aan meerarbeid voortvloeit. In de oudheid blijkt dan ook de over-arbeid verschrikkelijk te zijn, als het er om gaat de ruilwaarde in zijn zelfstandige geldgedaante, in de productie van goud en zilver te winnen. Werken met geweld ‘tot de dood toe’ is hier de officiële vorm van de over-arbeid.
Zodra echter volkeren waarvan de productie zich nog op de lagere trappen van slavenarbeid en herendienst enz. beweegt, worden getrokken binnen een door de kapitalistische productiewijze beheerste wereldmarkt, die de verkoop van de producten van deze volkeren in het buitenland tot het overheersende belang maakt, wordt de geciviliseerde gruwel van de over-arbeid geënt op de barbaarse gruwel van de slavernij, lijfeigenschap, enz. Daarom behield de negerarbeid in de zuidelijke staten van de Amerikaanse Unie een gematigd patriarchaal karakter zolang de productie hoofdzakelijk op de directe eigen behoeften gericht was. Naarmate echter de katoenexport een levensbelang van de staten werd, werd de overmatige arbeid van de negers — hier en daar de consumptie van zijn leven in 7 arbeidsjaren — een factor van een berekend en berekenend systeem. Het ging er niet meer om een bepaalde hoeveelheid nuttige producten uit de arbeiders te slaan. Het ging om de productie van de meerwaarde zelf. Niets is in dit opzicht typerender dan dat de arbeiders die de gehele dag werken ‘full-times’, en de kinderen onder 13 jaar die maar 6 uur mogen werken, ‘half-times’ worden genoemd. De arbeider is hier slechts de gepersonifieerde arbeidstijd. Alle individuele verschillen lossen zich op in ‘voltijders’ en ‘halftijders’.
Het constante kapitaal, de productiemiddelen, zijn vanuit het standpunt van het meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess) beschouwd, slechts aanwezig om arbeid en met iedere druppel arbeid een evenredige hoeveelheid meerarbeid op te zuigen. Voorzover de productiemiddelen dat niet doen, vormt louter hun bestaan een negatief verlies voor de kapitalisten, want ze vertegenwoordigen gedurende de tijd dat ze braakliggen een nutteloos kapitaalvoorschot en dit verlies wordt positief zodra de onderbreking additionele voorschotten nodig maakt om het werk opnieuw te beginnen. Het verlengen van de arbeidsdag boven de grenzen van de natuurlijke dag in de nacht werkt slechts als een palliatief (lapmiddel), het lest slechts enigszins de vampiersdorst naar levend arbeidsbloed. Het immanente instinct van de kapitalistische productie is de toe-eigening van arbeid gedurende al de 24 uren van de dag. Omdat het fysiek onmogelijk zou zijn dezelfde arbeidskrachten dag en nacht voortdurend uit te zuigen is het, om de fysieke hindernissen te overwinnen, nodig de bij dag en nacht verslonden arbeidskrachten af te wisselen. Deze afwisseling laat verschillende methodes toe. Ze kan bv. zo geregeld zijn dat een deel van het arbeidspersoneel een week dagdienst en het andere nachtdienst heeft enz.
‘Wat is een arbeidsdag?’ Hoe groot is de tijd dat het kapitaal de arbeidskracht, waarvan het de dagwaarde betaalt, consumeren mag? Hoever kan de arbeidsdag verlengd worden boven de voor de reproductie van de arbeidskracht zelf noodzakelijke arbeidstijd? We hebben gezien dat het kapitaal op deze vragen antwoordt: de arbeidsdag telt dagelijks de volle 24 uur na aftrek van de weinige rusturen, zonder welke de arbeidskracht zijn hernieuwde dienst volstrekt zou weigeren. Het spreekt vóór alles vanzelf dat de arbeider gedurende zijn gehele leven slechts arbeidskracht is, dat dus al zijn beschikbare tijd van nature en van rechtswege arbeidstijd is, dus de eigen meerwaardevorming (Selbstverwertung) van het kapitaal toebehoort.
Tijd voor menselijke vorming, voor geestelijke ontwikkeling, voor het vervullen van sociale functies, voor maatschappelijk verkeer, voor het vrije spel van de lichamelijke en geestelijke levenskrachten, zelfs de rusttijd van de zondag — en dat in het land van de sabbatheiligen — niets dan onzin! (In Engeland bv. wordt altijd nog hier en daar op het land een arbeider tot gevangenisstraf veroordeeld wegens ontheiliging van de sabbat door arbeid in zijn tuintje voor zijn huis. Dezelfde arbeider wordt wegens contractbreuk gestraft als hij ‘s zondags, zelfs als het vanwege een religieuze gril is, van de metaal-, papier- of glasfabriek wegblijft).
Maar in zijn mateloze, blinde drang en zijn ‘weerwolfs-geeuwhonger’ naar meerarbeid, holt het kapitaal niet alleen de morele, maar ook de zuiver fysieke maximale grenzen van de arbeidsdag voorbij. Het kapitaal usurpeert (legt wederrechtelijk beslag op) de tijd voor de groei, de ontwikkeling en de gezonde instandhouding van het lichaam. Het kapitaal rooft de tijd die nodig is voor de consumptie van vrije lucht en zonneschijn. Het knaagt aan de maaltijd en lijft die waar mogelijk bij het productieproces in, zodat de arbeider als louter productiemiddel spijzen worden toegediend, zoals de stoommachine kolen en de machinerie vet en olie krijgt. De gezonde slaap voor het verzamelen, het vernieuwen en de verfrissing van de levenskracht reduceert het kapitaal op zoveel uur verdoving, als voor het weer tot leven komen van een absoluut uitgeput organisme onontbeerlijk is. In plaats dat het normale onderhoud van de arbeidskracht hier de grens van de arbeidsdag bepaalt, bepaalt omgekeerd de grootst mogelijke dagelijkse besteding van arbeidskracht, hoe ziekelijk gewelddadig en pijnlijk ook, de grens van de rusttijd van de arbeider. Het kapitaal vraagt niet meer naar de levensduur van de arbeidskracht. Het kapitaal is enkel en alleen geïnteresseerd in het maximum aan arbeidskracht dat in een arbeidsdag liquide gemaakt kan worden. Het bereikt dit doel door verkorting van de duur van de arbeidskracht zoals een inhalige boer een verhoogde opbrengst uit de bodem haalt door deze van zijn vruchtbaarheid te beroven.
De kapitalistische productie, die in wezen productie van meerwaarde, opzuiging van meerarbeid is, produceert dus door de verlenging van de arbeidsdag niet alleen het wegkwijnen van de menselijke arbeidskracht, die van zijn normale morele en fysieke voorwaarden voor ontwikkeling en tewerkstelling beroofd wordt. De kapitalistische productie produceert de voortijdige uitputting en het voortijdige afsterven van de arbeidskracht zelf. De kapitalistische productie verlengt de productietijd van de arbeider gedurende een zekere periode door verkorting van zijn levenstijd.
De waarde van de arbeidskracht omvat echter de waarde van de waren, die voor de reproductie van de arbeider of voor de voortplanting van de arbeidersklasse vereist zijn. Als dus de tegennatuurlijke verlenging van de arbeidstijd, die het kapitaal in zijn mateloze drang naar eigen meerwaardevorming (Selbstverwertung) noodzakelijk nastreeft, de levensperiode van de individuele arbeider en daarmee de duur van zijn arbeidskracht verkort, wordt een snellere vervanging van het versletene nodig, dus bevat de reproductie van de arbeidskracht grotere slijtagekosten, net zoals het waardedeel van een machine dat dagelijks gereproduceerd moet worden groter is naarmate de machine sneller slijt. Het kapitaal schijnt dus door zijn eigen belang op een normale arbeidsdag aangewezen te zijn.
Het kost eeuwen voor de ‘vrije’ arbeider tengevolge van de ontwikkelde kapitalistische productiewijze zich er vrijwillig toe bereid verklaart, dat wil zeggen maatschappelijk gedwongen, voor de prijs van zijn gebruikelijke bestaansmiddelen zijn gehele actieve levenstijd, ja zijn geschiktheid tot werken, zelfs zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzen te verkopen. Wat in de 19e eeuw in de staat Massachusetts, als wettelijke grens voor de arbeid van kinderen onder de 12 jaar geproclameerd is, was in Engeland in het midden van de 17e eeuw nog de normale arbeidsdag voor krachtige handarbeiders, robuuste boerenknechten en forse smeden.
De vaststelling van de normale arbeidsdag is het resultaat van een eeuwenlange strijd tussen kapitalist en arbeider. De eerste ‘Statute of Labourers’ (Eduard III, 1349) ontstond onder het directe voorwendsel (niet zijn oorzaak, want wetgeving van deze soort duurt nog eeuwen door zonder het voorwendsel) van de grote pest die de bevolking decimeerde zodat, zoals een Tory-schrijver zegt, ‘de moeilijkheid, arbeiders tegen een redelijke prijs’ (d.w.z. tegen prijzen die de gebruikers een redelijke hoeveelheid meerwaarde leveren) ‘aan het werk te zetten, inderdaad onverdraaglijk werd’. Redelijke lonen werden dus met wettelijke dwang gedicteerd, evenals de grens van de arbeidsdag.
Nadat het kapitaal eeuwen nodig had gehad om de arbeidsdag tot zijn normale maximumgrens en dan daar bovenuit, tot de grens van de natuurlijke dag van 12 uur te verlengen, volgde nu sinds de geboorte van de grote industrie in de laatste 30 jaar van de 18e eeuw een gewelddadige en mateloze overdrijving. Iedere grens van gewoonte en natuur, leeftijd en geslacht, dag en nacht werd te buiten gegaan. Het kapitaal vierde zijn orgieën.
Zodra de arbeidersklasse, die door het lawaai van de productie om de tuin was geleid, weer enigszins tot bezinning kwam, begon zij — het eerst in het geboorteland van de grote industrie, Engeland — zich te verzetten. Gedurende 30 jaar bleven de door haar afgedwongen concessies echter slechts theorie. Het parlement nam tussen 1802 en 1833 vijf arbeidswetten aan, maar was zo slim geen cent uit te trekken om hun uitvoering af te dwingen en evenmin voor de nodige ambtenaren. De wetten bleven een dode letter.
‘Een feit is, dat voor de wet van 1833, kinderen en jonge mensen de hele nacht, de hele dag of beide ad libitum (naar welgevallen) afgebeuld werden.’
Een normale arbeidsdag voor de moderne industrie bestaat pas sinds de fabriekswet van 1833, die gold voor de katoen-, wol-, vlas- en zijdefabrieken. Niets karakteriseert de geest van het kapitaal beter dan de geschiedenis van de Engelse fabriekswetgeving van 1833 tot 1864! De wet van 1833 bepaalt dat de gewone arbeidsdag in de fabriek ‘s morgens half 6 moet beginnen en ‘s avonds om half 9 moet eindigen en binnen deze grenzen — een tijdsduur van 15 uur — is het volgens de wet geoorloofd jonge mensen (d.w.z. personen tussen 13 en 18 jaar) onverschillig welk deel van de dag te gebruiken, altijd met dien verstande dat één en dezelfde persoon niet langer dan 12 uur op een dag arbeidt, behalve in bepaalde met name genoemde gevallen. De wetgevers waren zo weinig van plan de vrijheid van het kapitaal om de volwassen arbeidskracht uit te zuigen, of zoals zij het noemden ‘de vrijheid van de arbeid’, aan te tasten, dat zij een systeem uitbroedden dat geëigend was om zulke gevolgen — die iemand de haren te berge doen rijzen — van de fabriekswet te voorkomen.
‘Het grote euvel van het fabriekswezen zoals het tegenwoordig werkt’, heet het in het eerste rapport van de Centrale Raad van de Commissie van 25 juni 1833, ‘heeft ons duidelijk gemaakt dat het de noodzaak meebrengt de arbeid van kinderen te verlengen tot de uiterste duur van die van de volwassenen. Het enige middel tegen dit euvel, buiten de begrenzing van de arbeid voor volwassenen, wat volgens onze mening een groter euvel is, dan het euvel dat we trachten te verhelpen, schijnt het plan te zijn om met dubbele groepen kinderen te werken.'
Dit ‘plan’ werd onder de naam ‘System of Relays’ (relay betekent zowel in het Frans als in het Engels: het wisselen van de postpaarden op verschillende stopplaatsen) uitgevoerd.
Als beloning voor het feit dat de heren fabrikanten alle gedurende de laatste 22 jaar afgekondigde wetten over kinderarbeid op de meest brutale wijze genegeerd hadden, werd de pil nu voor ze verguld. Het parlement bepaalde dat na 1 maart 1834 geen kind onder de 11 jaar, na 1 maart 1835 geen kind onder de 12 jaar en na 1 maart 1836 geen kind onder de 13 jaar langer dan 8 uur in een fabriek werken mocht.
Hetzelfde ‘verlichte’ parlement, dat uit fijngevoeligheid voor de heren fabrikanten kinderen onder de 13 jaar nog jarenlang in de hel van de 72-urige fabrieksarbeid per week vasthield, verbood echter in de Emancipation Act, die ook al druppelsgewijs de vrijheid toediende, de planters onmiddellijk een negerslaaf langer dan 45 uur per week te laten werken!
De jaren 1846/1847 openen een nieuw tijdperk in de economische geschiedenis van Engeland. Herroeping van de graanwetten, de invoerrechten op katoen en andere grondstoffen worden afgeschaft, de vrijhandel wordt tot leidraad van de wetgeving verklaard! Kortom het duizendjarige rijk begon. Aan de andere kant bereikten in dezelfde jaren de Chartistenbeweging en de agitatie voor de 10-urendag hun hoogtepunt.
De 10-urenwet trad op 1 mei 1848 in werking. Tot goed begrip moeten wij eraan herinneren dat geen van de fabriekswetten van 1833, 1844 en 1847 de arbeidsdag van de mannelijke arbeider boven 18 jaar beperkte en dat sinds 1833 de 15-urige periode van ‘s morgens half 6 tot ‘s avonds half 9 de wettelijke ‘dag’ bleef, waarbinnen eerst de 12, en later de 10-urige arbeid van jonge mensen en vrouwen onder de voorgeschreven bepalingen verricht moest worden.
De drang van het kapitaal naar mateloze niets ontziende verlenging van de arbeidsdag werd het eerst bevredigd in de industrieën die door water, stoom en machinerie het eerst revolutionair werden omgebogen naar moderne productiewijze: de katoen-, wol-, vlas-, zijdespinnerijen en weverijen. De veranderde materiële productiewijze en de daarmee corresponderende veranderde sociale verhoudingen van de producenten scheppen eerst de mateloze buitensporigheid en roepen dan als tegenstelling de maatschappelijke controle in het leven, die de arbeidsdag met zijn onderbrekingen wettelijk begrenst, regelt en uniformeert. Deze controle verschijnt dus gedurende de eerste helft van de 19e eeuw louter als uitzonderingswetgeving.
De geschiedenis van de regeling van de arbeidsdag in enige productietaken, terwijl in andere de strijd voor deze regeling nog voortduurt, bewijst overtuigend dat de afzonderlijke arbeider, de arbeider als ‘vrije’ verkoper van zijn arbeidskracht, op een bepaalde graad van ontwikkeling van de kapitalistische productie weerloos het onderspit delft. Het tot stand brengen van een normale arbeidsdag is dus het product van een langdurige, meer of minder bedekte burgeroorlog tussen de kapitalistenklasse en de arbeidersklasse. De Engelse fabrieksarbeiders waren niet alleen de voorvechters van de Engelse, maar algemeen van de moderne arbeidersklasse, zoals ook hun theoretici de theorie van het kapitaal het eerst de handschoen toewierpen (Robert Owen).
Frankrijk hinkt langzaam achter Engeland aan. De Februari-revolutie was nodig voor de totstandkoming van de 12-urenwet, die veel gebrekkiger is dan zijn Engelse voorbeeld. Toch heeft de Franse revolutionaire methode ook haar eigen goede kant.
In de Verenigde Staten bleef iedere zelfstandige arbeidersbeweging verlamd, zolang de slavernij een deel van de republiek ontsierde. De arbeid in witte huid kan zich niet vrijmaken, waar hij in zwarte huid gebrandmerkt wordt. Maar uit de dood van de slavernij ontsproot direct een nieuw verjongd leven. De eerste vrucht van de burgeroorlog was de agitatie voor de 8-urendag, die zich met de 7-mijlslaarzen van een locomotief van de Atlantische tot aan de Stille Oceaan verbreidde, van Nieuw-Engeland tot aan Californië.
Men moet toegeven dat onze arbeider anders uit het productieproces te voorschijn komt dan hij erin ging. Op de markt kwam hij als bezitter van de waar ‘arbeidskracht’ tegenover andere warenbezitters te staan, warenbezitter tegenover warenbezitter. De overeenkomst waardoor hij zijn arbeidskracht aan de kapitalist verkocht, bewees zo te zeggen zwart op wit, dat hij vrij over zichzelf beschikte. Nadat de handel gesloten is, wordt ontdekt dat hij geen ‘vrije agent’ was, dat de tijd waarvoor het hem vrijstaat zijn arbeidskracht te verkopen, de tijd is waarvoor hij gedwongen is deze te verkopen, dat in feite zijn uitzuiger hem niet loslaat ‘zolang nog één spieg, één pees, één druppel bloed uit te buiten valt’.
Ter ‘bescherming’ tegen de slang van hun kwellingen moeten arbeiders hun koppen bij elkaar steken en als klasse een staatswet afdwingen, een overmachtige maatschappelijke hindernis, die hen zelf verhindert zich en hun soort door een vrijwillige overeenkomst met het kapitaal in dood en slavernij te verkopen. In plaats van de pronkerige catalogus van de ‘onvervreemdbare rechten van de mens’ treedt de bescheiden Magna Charta van een wettelijk beperkte arbeidsdag die ‘eindelijk duidelijk maakt, wanneer de tijd die de arbeider verkoopt, eindigt en wanneer de tijd die zichzelf toebehoort begint.’ Quantum mutatus ab illo! (Hoe is hij veranderd vergeleken bij wat hij vroeger was!)