Otto Rühle / Karl Marx
Het Kapitaal
Derde deel: De productie van de absolute meerwaarde
In dit hoofdstuk wordt de waarde van de arbeidskracht, dus het voor de reproductie of instandhouding van de arbeidskracht noodzakelijke deel van de arbeidsdag, als een gegeven en constante grootheid verondersteld.
Dit vooropgesteld, is met de meerwaardevoet gelijk de hoeveelheid meerwaarde gegeven, die de enkele arbeider in een bepaalde tijd aan de kapitalist levert. Bedraagt bv. de noodzakelijke arbeid dagelijks 6 uur, uitgedrukt in een hoeveelheid goud van 3 shilling (= 1 daalder), dan is die daalder de dagwaarde van een arbeidskracht of de bij de aankoop van een arbeidskracht voorgeschoten kapitaalwaarde. Is verder de meerwaardevoet 100%, dan produceert dit variabele kapitaal van 1 daalder een hoeveelheid meerwaarde van 1 daalder, of de arbeider levert dagelijks een hoeveelheid meerarbeid van 6 uur. De hoeveelheid geproduceerde meerwaarde is gelijk aan de grootte van het voorgeschoten variabele kapitaal vermenigvuldigd met de meerwaardevoet of is bepaald door de samengestelde verhouding tussen het aantal door dezelfde kapitalist gelijktijdig uitgebuite arbeidskrachten en de uitbuitingsgraad van de enkele arbeidskracht. Voor de productie van een bepaalde hoeveelheid meerwaarde kan dus de afneming van de ene factor door de toename van een andere opgevangen worden. Vermindering van het variabele kapitaal kan dus gecompenseerd worden door evenredige verhoging van de uitbuitingsgraad van de arbeidskracht of de afneming van het aantal tewerkgestelde arbeiders door evenredige verlenging van de arbeidsdag. Binnen bepaalde grenzen wordt de toevoer van arbeid die door het kapitaal uitgebuit kan worden dus onafhankelijk van de toevoer van arbeiders.
Omgekeerd laat een daling van de meerwaardevoet de hoeveelheid geproduceerde meerwaarde onveranderd als de grootte van het variabele kapitaal of het aantal aangewende arbeiders evenredig stijgt.
Toch heeft de vervanging van het aantal arbeiders of de grootte van het variabele kapitaal door een verhoogde meerwaardevoet of verlenging van de arbeidsdag onoverkomelijke grenzen. De absolute grens van de gemiddelde arbeidsdag, die van nature altijd kleiner is dan 24 uur, vormt een absolute grens voor de vervanging van het verminderde variabele kapitaal door een verhoogde meerwaardevoet of van een verlaagd aantal uitgebuite arbeiders door een verhoogde uitbuitingsgraad van de arbeidskracht.
Deze voor de hand liggende tweede wet is belangrijk voor de verklaring van veel verschijnselen, die voortkomen uit de later te ontwikkelen tendens van het kapitaal om het aantal tewerkgestelde arbeiders of zijn variabel in arbeidskracht omgezet bestanddeel, zoveel als mogelijk te reduceren in tegenstelling tot zijn andere tendens, de grootst mogelijke hoeveelheid meerwaarde te produceren. Omgekeerd zal de hoeveelheid geproduceerde meerwaarde dalen als de hoeveelheid ingezette arbeidskrachten of de grootte van het variabele kapitaal wel groeit, maar niet in verhouding tot de daling van de meerwaardevoet.
Een derde wet komt voort uit de bepaling van de hoeveelheid geproduceerde meerwaarde door de twee factoren, meerwaardevoet en grootte van het voorgeschoten variabele kapitaal. Als de meerwaardevoet of de uitbuitingsgraad van de arbeidskracht en de waarde van de arbeidskracht of de grootte van de noodzakelijke arbeidstijd gegeven is, is het vanzelfsprekend dat de hoeveelheid geproduceerde waarde en meerwaarde groter is naargelang het variabele kapitaal groter is. Is de grens van de arbeidsdag gegeven en eveneens de grens van het noodzakelijke bestanddeel van de arbeidsdag, dan hangt de hoeveelheid waarde en meerwaarde die een afzonderlijke kapitalist produceert, kennelijk uitsluitend af van de hoeveelheid arbeid die hij in beweging zet. Deze hangt onder de gegeven veronderstellingen af van de hoeveelheid arbeidskracht of van het aantal arbeiders dat hij uitbuit en dit aantal wordt weer bepaald door de grootte van het door hem voorgeschoten variabele kapitaal. Bij een gegeven meerwaardevoet en een gegeven waarde van de arbeidskracht verhouden de hoeveelheden geproduceerde meerwaarde zich dus recht evenredig met de hoeveelheden van de voorgeschoten variabele kapitalen.
Nu weet men echter dat de kapitalist zijn kapitaal in twee delen verdeelt. Eén deel belegt hij in productiemiddelen, dit is het constante deel van zijn kapitaal. Het andere deel zet hij in levende arbeidskracht om, dit deel vormt zijn variabel kapitaal.
Hoe nu een gegeven kapitaal ook in een constant of variabel bestanddeel uiteenvalt, of het laatste zich tot het eerste verhoudt als 1:2, als 1:10 of als 1:x, de zo-even opgestelde wet wordt er niet door aangetast, omdat de waarde van het constante kapitaal weliswaar in de productenwaarde weer tevoorschijn komt maar geen deel uitmaakt van het nieuw gevormde waardeproduct.
De hierboven geconstateerde wet neemt dus de volgende vorm aan: de door verschillende kapitalen geproduceerde hoeveelheden waarde en meerwaarde verhouden zich bij een gegeven waarde en een even grote uitbuitingsgraad van de arbeidskracht recht evenredig met de hoeveelheden van de variabele bestanddelen van deze kapitalen, d.w.z. hun in levende arbeidskracht omgezette bestanddelen.
Deze wet is kennelijk in strijd met alle op waarneming gebaseerde ervaringen. Iedereen weet dat een katoenspinner die — naar de procentdelen van het aangewende kapitaal berekend — relatief veel constant kapitaal aanwendt, daarom geen kleinere winst of meerwaarde in de wacht sleept dan een bakker, die relatief veel variabel kapitaal en weinig constant kapitaal in beweging zet. Voor de oplossing van deze schijnbare tegenspraak zijn nog veel tussenschakels vereist. (Zie het derde deel van Das Kapital)
Niet iedere willekeurige geld- of waardesom kan in kapitaal veranderd worden. Voor deze verandering moet een bepaald minimum aan geld of ruilwaarde zich in handen van de afzonderlijke geld- of warenbezitter bevinden.
Het minimum aan variabel kapitaal is de kostprijs van een enkele arbeidskracht, die het gehele jaar, dag in dag uit, voor het verwerven van meerwaarde gebruikt wordt. Als deze arbeider in het bezit van zijn eigen productiemiddelen was en als hij er genoegen mee zou nemen als arbeider te leven, dan zou hij kunnen volstaan met de arbeidstijd, die noodzakelijk is voor de reproductie van zijn bestaansmiddelen, laten we zeggen 8 uur per dag. Hij heeft dus ook maar voor 8 uur productiemiddelen nodig. De kapitalist echter, die hem buiten deze 8 uur laten we zeggen 4 uur meerarbeid laat verrichten, heeft een additionele geldsom nodig voor de aanschaffing van de additionele productiemiddelen. Volgens onze veronderstellingen echter moet hij al 2 arbeiders in dienst nemen om van de dagelijks door hem toegeëigende meerwaarde als een arbeider te leven, d.w.z. om zijn noodzakelijke behoeften te kunnen bevredigen. In dit geval zou alleen het levensonderhoud het doel van zijn productie zijn en niet de vermeerdering van de rijkdom en dat laatste wordt verondersteld bij de kapitalistische productie. Alleen al om dubbel zo goed als een gewone arbeider te leven en de helft van de geproduceerde meerwaarde in kapitaal terug te veranderen moet hij tegelijk met het aantal arbeiders het minimum voorgeschoten kapitaal verachtvoudigen. Weliswaar kan hij zelf, evenals zijn arbeider, direct in het productieproces de handen uit de mouw steken, maar hij is dan ook slechts een middending tussen kapitalist en arbeider, een ‘kleine meester’. Een bepaalde ontwikkelingsgraad van de kapitalistische productie vereist echter, dat de kapitalist gedurende de gehele tijd, dat hij als kapitalist d.w.z. als gepersonifieerd kapitaal functioneert, deze tijd voor de toe-eigening en dus de controle van vreemde arbeid en voor de verkoop van de producten van deze arbeid gebruiken kan. De verandering van de ambachtelijke meesters in kapitalisten probeerde het gildenwezen in de middeleeuwen met geweld te verhinderen door het aantal arbeiders, dat door een afzonderlijke meester tewerk mocht worden gesteld, tot een zeer laag minimum te beperken.
De geld- of warenbezitter verandert eerst werkelijk in een kapitalist wanneer het voor de productie voorgeschoten minimum som ver boven het middeleeuwse maximum staat. Hier wordt, evenals in de natuurwetenschap, de juistheid van de door Hegel in zijn Logik ontdekte wet bevestigd, dat louter kwantitatieve veranderingen op een bepaald punt in kwalitatieve verschillen omslaan.
De minimale waardesom, waarover de afzonderlijke geld- of warenbezitter beschikken moet, om zich als een kapitalist te ontpoppen verandert op verschillende ontwikkelingstrappen van de kapitalistische productie en is bij een gegeven ontwikkelingstrap in diverse productiesferen verschillend, naargelang de bijzondere technische voorwaarden. Bepaalde productiesferen vereisen al in het begin van de kapitalistische productie een minimum aan kapitaal dat zich nog niet in handen van afzonderlijke individuen bevindt. Dit geeft deels aanleiding tot staatssubsidies aan zulke particulieren (zoals in het Frankrijk van Colbert en zoals in menige Duitse staat tot in de huidige tijd). Deels geeft het aanleiding tot de vorming van maatschappijen met een wettelijk monopolie voor het uitoefenen van bepaalde industrie- en handelstakken — de voorlopers van de moderne naamloze vennootschappen.
Binnen de grenzen van het productieproces verkreeg het kapitaal het commando over de arbeid, d.w.z. over de actieve arbeidskracht of de arbeider zelf. Het gepersonifieerde kapitaal, de kapitalist, past op dat de arbeider zijn werk naar behoren en met de gebruikelijke mate van intensiteit verricht.
Het kapitaal ontwikkelt zich verder tot een dwangverhouding, die de arbeidersklasse dwingt meer arbeid te verrichten dan de nauwe grens van zijn levensbehoeften voorschrijft. En als producent van vreemde werkzaamheid, als uitzuiger van meerarbeid en uitbuiter van arbeidskracht overtreft het kapitaal alle vroegere op directe dwangarbeid berustende productiesystemen aan energie, mateloosheid en werkzaamheid.
Het is niet meer de arbeider, die de productiemiddelen gebruikt, maar het zijn de productiemiddelen die de arbeider gebruiken. In plaats van het verbruiken van de productiemiddelen door de arbeider, als stoffelijke elementen van zijn productieve werkzaamheid, verbruiken de productiemiddelen de arbeider als gistmiddel in hun eigen levensproces en het levensproces van het kapitaal bestaat slechts in zijn eigen beweging als zichzelf vergrotende waarde (sich selbst verwertender Wert).