Inhoudsopgave

Hoofdstuk 2: de eerste revolutie

Klassenstrijd in Rusland

Het dictatoriale bewind van de tsaren verhinderde geenszins dat Rusland onderhevig was aan de klassenstrijd, integendeel. Studentenprotesten in 1902 werden gevolgd door stakingen van de arbeidersklasse. Na de politieke algemene staking in juli en augustus van 1903 was er een korte adempauze. In de zomer van 1904 brak opnieuw een golf van politieke stakingen uit in Petersburg, Ivanno-Voznesenk, Nihzy Novgorod. De stakingen in de Kaukasus waren bijzonder groot, met als hoogtepunt een grote beweging in het oliecentrum Baku in december. Onder druk van de arbeidersklasse begon de liberale burgerij ook haar eigen eisen te stellen, in het bijzonder de eis voor een grondwetgevende vergadering.

Plehve, de minister van binnenlandse zaken schreef cynisch aan generaal Kuropatkin, de minister van defensie: “wat wij nodig hebben om revolutie tegen te houden is een overwinning in een kleine oorlog” Dat is hetgeen ze kregen, maar helemaal niet op de verwachte manier.

Oorlog met Japan

Ondanks zijn achterlijkheid was Rusland een van de belangrijkste imperialistische grootmachten bij het begin van de twintigste eeuw. De tsaren hadden een onstilbare honger naar gebiedsuitbreiding. In het bijzonder lieten zij hun oog vallen op China. Daar was het keizerrijk uiteen aan het vallen, in het bijzonder na de zogenaamde Bokseropstand van 1900. In Port Arthur, een natuurlijke haven in het noorden van China, hadden zij de basis van hun vloot. Die roofzuchtige uitbreidingspolitiek in Azië bracht hen in botsing met de opkomende macht Japan, die ook delen van het Aziatische vasteland wilde veroveren. In februari 1904 viel Japan ’s nachts de Russische vloot in Port Arthur aan, daarbij exact dezelfde tactieken gebruikend als later bij de aanval op Pearl Harbour in de tweede wereldoorlog. Het verzekerde Japan de superioriteit op zee en na een strijd van 11 maanden viel Port Arthur. Het begin van de oorlog heeft tijdelijk de klassenstrijd verlamd. Maar dat sloeg om in zijn tegendeel toen duidelijk werd dat het machtige Russische leger als een kaartenhuisje ineenstortte bij de eerste serieuze test. Het regime van de tsaren begon barsten te vertonen en poogde dat te verhelpen door toegevingen te doen aan de liberale oppositie. Maar het zou niet de liberale burgerij zijn, maar de arbeidersklasse die de eerste Russische revolutie zou in gang zetten.

De revolutie van 1905

“Sire, wij arbeiders, onze kinderen en vrouwen, de hulpeloze oude mensen die onze ouders zijn, wij zijn naar U gekomen Sire om rechtvaardigheid en bescherming te zoeken. Wij leven in grote armoede, wij worden onderdruk en gaan gebukt onder arbeid die onze kracht te boven gaat. Wij worden beledigd, niet erkend als menselijke wezens, wij worden behandeld als slaven die hun lot in stilte moeten dragen. We hebben dat verdragen, maar nu worden we nog dieper tot de bedelstaf gedreven, tot wetteloosheid en onwetendheid. Despotie en willekeur zijn ons aan het versmachten. Sire, onze krachten zijn op! De limieten van ons geduld zijn bereikt: het verschrikkelijke ogenblik is aangebroken dat het voor ons beter is om te sterven dan verder deze onverdraaglijke kwellingen te ondergaan.”

Met deze woorden maakte de Russische arbeidersklasse voor het eerst haar beslissende intrede in de geschiedenis. Het waren de eerste zinnen van een petitie waarin ze clementie wilden vragen aan de tsaar, die “Goede Vader” . In de morgen van 9 januari 1905 vertrokken zij naar het winterpaleis, de residentie van de tsaar: een indrukwekkende massa, ongeveer 140.000 deelnemers, de arbeiders met hun gehele gezin, vreedzaam, ongewapend ... Het was eerder een processie dan een manifestatie: de arbeiders droegen portretten van de tsaar en kerkvaandels, zij zongen liederen...

Aan het hoofd liep een priester, de Pope Gapon. Hij was verbonden aan de geheime dienst Ochrana en had een vakbond opgericht met afdelingen in alle wijken van Petersburg. Ondanks het feit dat Gabon aan het hoofd van een politievakbond stond moest hij tegemoet komen aan het enorme ongenoegen van de arbeiders. Hij deed daarom het voorstel tot deze vreedzame betoging om de tsaar een smeekschrift over te maken. Maar de arbeiders, mede onder de invloed van sociaaldemocratische militanten hadden de petitie ook aangevuld met klasse-eisen zoals stakingsrecht en de achturendag. Daarnaast bevatte ze verregaande democratische eisen zoals persvrijheid, de vrijheid van vereniging, het beëindigen van de oorlog en het bijeenroepen van een grondwetgevende vergadering.

De betoging van 9 januari kwam bovenop een grote stakingsbeweging die begonnen was op 3 januari in de Putilov fabriek. Op 7 januari waren er al 140.000 stakers. Vreemd genoeg deed de politie geen enkele poging om de vergaderingen waar de petitie werd opgesteld uiteen te drijven. Op de dag zelf van de manifestatie bleek de reden hiervoor: het regime was bewust uit op een bloedbad. Overal botsten de betogers op troepen. Ze smeekten, trachtten door de barricaden te breken. Heel de dag lang vuurden de militairen op hen. Het aantal doden liep in de honderden, het aantal gekwetsten in de duizenden. Een precies aantal geven was onmogelijk: de politie begroef de lijken ’s nachts in het geheim.

In plaats van de beweging af te remmen werkte het bloedbad als een zweepslag die de revolutie ontketende. Het vernietigde alle illusies in een ingebeelde goede tsaar en maakte duidelijk dat de arbeiders en de tsaren dodelijke vijanden waren. Ook in Moskou, Warschau, Riga, Bakoe, en veel andere steden braken stakingen uit. In januari 1905 telde men 440.000 stakers, meer dan in de tien voorgaande jaren samen. De beroering hield het hele jaar aan en ging in stijgende lijn. Deze gebeurtenissen werden later algemeen beschouwd als de generale repetitie van de revolutie van 1917. Bekende hoogtepunten zijn de muiterij van de panterkruiser Potemkin in juni, waarheidsgetrouw uitgebeeld in de film van Eisenstein en de mislukte gewapende opstand van de arbeiders in Moskou in december. In heel het land waren er ook boerenopstanden. Menig huis van landeigenaars ging in vlammen op, terwijl de graanvoorraden uit zijn schuren onder de boeren werd verdeeld. Maar één verschijnsel van Rusland’s eerste revolutie moeten we toch grondiger bespreken omdat het zo nieuw was en zo belangrijk voor de toekomst.

Stichting van de sovjets

De belangrijkste sovjet was ongetwijfeld die van Petersburg. Ze ontstond als een soort stakingscomité, gesticht op initiatief van een van de twee afdelingen van sociaaldemocraten in de stad. Op de eerste vergadering waren niet meer dan dertig tot 40 aanwezigen. Toch werd onmiddellijk besloten tot een politieke algemene staking en een oproep aan de arbeiders om zich te verenigen in de Sovjet. Het was een teken aan de wand dat die oproep, unaniem en vrijwel zonder discussie gelanceerd, onmiddellijk respons kreeg van de hele arbeidersklasse van Petersburg. Tegen het eind van de week was de staking vrijwel algemeen. Op zijn hoogtepunt, in de tweede helft van november telde de sovjet 562 afgevaardigden die 147 fabrieken vertegenwoordigden, naast 34 kleinere werkplaatsen en 16 vakbonden. Dit waren verkozen afgevaardigden. De regels waren dat de grote fabrieken één afgevaardigde kozen per 500 arbeiders. Kleinere werkplaatsen (drukkerijen bijvoorbeeld) verenigden zich om samen een afgevaardigde aan te duiden. In veel aspecten functioneerde de Sovjet als een soort arbeidersregering, die de autoriteit van de bestaande machten betwiste. Op die manier werden de Sovjets gezien, zowel door de arbeiders als door de reactionaire tegenstanders. Op 18 oktober kwam het eerste resultaat: de tsaar vaardigde een manifest voor een grondwet uit.

Wat de liberale oppositie niet had kunnen bereiken door jarenlange smeekbeden had de algemene staking in één week bereikt. Maar de arbeiders lieten zich niet in slaap wiegen door beloften. Ze zagen die eerste toegeving als een teken van zwakte en gingen verder met meer concrete eisen. De eerste was die van algemene amnestie voor de politieke gevangenen, de tweede die van persvrijheid. Deze werden beiden door revolutionair initiatief afgedwongen. De arbeiderspers, vroeger enkel met veel moeite in clandestiniteit uitgegeven kende een enorme bloei. Er werden twee sociaaldemocratische bladen gedrukt in Petersburg, die vanaf de eerste dagen van hun verschijning meer dan 50.000 abonnees hadden, evenals een goedkoper exemplaar waarvan al binnen de drie weken 100.000 exemplaren werden verkocht. De tijdschriften van de Sociaal-revolutionairen (een partij die vooral de boeren vertegenwoordigde) kende ook een zeer grote verspreiding. Anderzijds werd de pers van de tegenstanders door de sovjets aan banden gelegd.

Zo vertelt Trotski in zijn boek 1905 het volgende verhaal:

De arbeiders in een drukkerij kwamen in het bezit van een pamflet van “een groep arbeiders” die opriepen om in verzet te komen tegen de “nieuwe tsaren”, bedoeld werd de sociaaldemocraten. Er zouden 100.000 exemplaren van moeten gedrukt worden. Het origineel van deze proclamatie droeg de namen van hertog Orlov-Davidov en hertogin Musin-Pushkin. De letterzetters wenden zich tot de Sovjet voor richtlijnen. Het uitvoerend bureau van de sovjet antwoordde: “stop de persen, vernietig de stereotypen en confisqueer alle gedrukte pamfletten” Later werd de tekst van deze adellijke hooligans in een blad van de sociaaldemocaten gepubliceerd, voorzien van de nodige commentaar.

De sovjets breidden zich ook uit in de rest van het land, in 50 verschillende steden. Dit gebeurde echter niet tegelijkertijd, waardoor de tegenstander zijn pijlen achtereenvolgens op de een en dan op de ander kon richten. Zo werd de sovjet van Moskou slechts opgericht op 21 november, een paar weken voor de Petersburgse sovjet in zijn geheel werd gearresteerd. In december leidde de Sovjet van Moskou dan een poging tot militaire opstand. Die mislukte, mede omdat er geen of niet voldoende steun kwam uit Petersburg, waar men nog niet bekomen was van de recente tegenslag.

De reactie gaat in de tegenaanval

Uiteindelijk heeft de revolutie van 1905 het niet gehaald. Lange tijd leek het regime van de tsaar uitgeteld, maar uiteindelijk slaagde het erin de situatie opnieuw in handen te krijgen. Hierbij werden de smerigste methoden gebruikt, zoals de pogroms waarbij allerlei crapuul werd opgetrommeld om, achter het banier van de tsaar en met de zegen van de kerk op te trekken naar de wijken van de joden en daar te moorden en te vernielen. Andere maatregelen van de tsaar kwamen over als een toegeving, maar waren duidelijk bedoeld om de beweging in te kapselen en de wind uit de zeilen te halen. Zo werd in April 1906 de eerste Doema verkozen, een parlementair orgaan met wetgevende macht. Maar enkele maanden later bleek het om een machteloos orgaan te gaan. De kiezers werden in vier “curieën” ingedeeld (grondheren, bourgeoisie, boeren, arbeiders). De curie van de grondheren had één afgevaardigde voor 2000 personen, die van de bourgeoisie één voor 7000, die van de boeren één voor 30.000 en die van de arbeiders één voor 90.000 stemgerechtigden. Nog lange tijd is de afloop van het revolutionair proces onduidelijk geweest. Heel het jaar 1906 en een flink deel van 1907 werd nog gekenmerkt door revolutionaire beroeringen. Maar geleidelijk aan ging het elan verloren. De revolutie had de sociaaldemocratie in de jaren 1905 en 1906 in ieder geval volledig uit haar isolement gehaald.

Sociaaldemocratie uit haar kinderschoenen

Toen de revolutie uitbrak trokken de arbeiders zich niet veel aan van de discussies die zo hevig werden gevoerd de voorbije jaren. Bolsjewieken en mensjewieken trokken in alle gevechten zij aan zij op en forceerden zo vanuit de basis de eenmaking van de RSDAP. Plaatselijke comités fusioneerden gewoon, zonder de goedkeuring van de top af te wachten. Het moet ook gezegd worden dat het merendeel van de mensjewieken in 1905 sterk naar links zwenkte en de leiding nam van de gebeurtenissen. Evengoed vormden de bolsjewieken lang niet altijd de voorhoede, ja soms vertoonden ze conservatieve trekjes. Zo duurde het lang voor ze het belang inzagen van de sovjets (tot ontzetting van Lenin trouwens). Veel bolsjewieken hadden het moeilijk om los te komen van de sfeer van de clandestiene comités die met zoveel opofferingen opgebouwd waren. Maar naast de mensjewieken en de bolsjewieken was er nog een derde groep. Die groep werd destijds de “verzoeners” genoemd omdat ze probeerden bruggen te slaan tussen bolsjewieken en mensjewieken. Ze was de minst talrijke, maar daarom niet minder invloedrijk. De belangrijkste figuur was ongetwijfeld Trotski, die in 1904 gebroken had met de mensjewieken. Na de arrestatie van de eerste voorzitter kwam Trotski in oktober aan de leiding van de Petersburgse sovjet. Amper 26 jaar, werd hij een van de invloedrijkste figuren (zo niet dé invloedrijkste) van de revolutie van 1905. Zijn meest tot de verbeelding sprekende verwezenlijking was wellicht het uitgeven van het blad “Nachalo” (Begin). Dit was een populaire en militante arbeiderskrant, die aan 1 kopek verkocht werd. Het haalde onmiddellijk verkoopcijfers van 30.000, oplopend tot 100.000 en tot 500.000 in december, met voorsprong het best verkopende revolutionaire blad.

In deze revolutionaire periode hield de RSDAP twee congressen: in Stockholm van 10 tot 25 april 1906 en in Londen de eerste drie weken van mei 1907. In het eerste hadden de mensjewieken de meerderheid, in het tweede de bolsjewieken. De RSDAP was een massapartij geworden, die nu ook verenigd was met de sociaaldemocratische partijen uit de onderdrukte naties die deel uitmaakten van het tsarenrijk (Polen, Littouwen, Letland, Finland, Oekraïne, de Bund en de Bulgaarse SDRP). In het Stockholm congres waren er 112 deelnemers met volledig stemrecht en 22 met raadgevende stem. Zij vertegenwoordigden 62 organisaties. De grootte van de partij valt af te leiden uit het feit dat elke afgevaardigde 300 leden vertegenwoordigde. Vele afgevaardigden waren er ook niet in geslaagd het congres te bereiken. Het totale ledenaantal bedroeg op dat ogenblik meer dan 100.000. Nog indrukwekkender was het congres in Londen. Op dat ogenblik was het aantal partijleden gestegen tot 150.000. Ditmaal werd er één afgevaardigde verkozen per 500 leden. Op het congres waren er 303 afgevaardigden met stemrecht en 39 met raadgevende stem. De vrij grote eensgezindheid die er was bij het uitbreken van de revolutie bleek tijdens deze congressen verdwenen te zijn. Van zodra de revolutie in het defensief kwam werd de scheiding tussen bolsjewieken en mensjewieken weer duidelijk. En ditmaal gingen de meningsverschillen niet langer over organisatorische problemen, maar over politieke. Het voornaamste discussiepunt was de houding van de sociaaldemocraten tegenover de burgerlijke partijen. De mensjewieken beschuldigden de bolsjewieken van “eenzijdige vijandigheid” tegenover de liberale partijen, zoals de Cadetten.[3]

De bolsjewieken antwoordden dat het nutteloos was te hopen dat de burgerlijke partijen een positieve rol zouden spelen in de strijd tegen de tsaar. De arbeidersklasse moest de leiding nemen van de revolutie, die alleen kon slagen als ze ook een groot deel van de boeren achter zich kreeg. In het congres van 1907 kregen de bolsjewieken voor dat standpunt een ruime meerderheid, dankzij de steun van de niet-Russische partijen die meestal aan de linkerkant stonden. Een goed voorbeeld was de tussenkomst van Rosa Luxemburg, afgevaardigde voor de Poolse sociaaldemocraten[4]:

Er wordt gezegd dat er een revolutionair liberalisme bestaat, dat de macht wil nemen en waaraan we de tactieken van het proletariaat moeten aanpassen. Om hen gunstig te stemmen zijn de mensjewieken bereid de eisen van het proletariaat te milderen. Wel dit revolutionaire Russische liberalisme bestaat niet in de realiteit, maar enkel in hun verbeelding (applaus). En deze politiek, gebaseerde op levenloze schema’s, geen rekening houdend met de speciale taken van het proletariaat noemt zichzelf “revolutionair realisme”.

Minder gekend, maar ook interessant zijn de besluiten van het Stockholm congres over de organisatiestructuur. Het ontwerp werd voorgesteld door Lenin en zonder veel discussie aangenomen. Het is een van de beste beschrijvingen van de principes van het democratisch centralisme, ditmaal bedoeld voor een massapartij die in legale omstandigheden kan werken. Opvallend is dat Lenin de nadruk legde op de lokale organisaties, die de belangrijkste rol moeten spelen in de partij (niet alleen op papier maar ook in de praktijk zei hij erbij). Alle functies in de partij moesten verkozen worden, waren verantwoording verschuldigd aan hun kiezers en permanent afzetbaar. Er moest een volkomen vrijheid van kritiek zijn, zolang ze niet in de weg staat van een actie waartoe democratisch besloten is. Ook de rechten van minderheden moeten gewaarborgd worden bijvoorbeeld in partijpublicaties. Totale vrijheid van discussie en kritiek, eenheid in actie.

De aandachtige lezer zal opmerken dat de klemtonen die Lenin legt verschillend zijn en op zekere vlakken zelfs tegengesteld aan de standpunten die hij innam in de discussie van 1903. De oorzaak ligt bij de veranderde situatie. Toen benadrukte hij het centrale gezag, nu de plaatselijke afdelingen. Waar het in 1903 belangrijk was de zeer verspreide en uiteenlopend reagerende plaatselijke groepen op één lijn te brengen, was het nu, in een massaorganisatie belangrijk de plaatselijke afdelingen uit te bouwen en zuurstof te geven. Maar ongetwijfeld wilde Lenin de revolutionairen aan de basis ook beschermen tegen de conservatieve invloed van een deel van de partijbureaucratie. Hij had in de praktijk gezien dat in een revolutionaire situatie de basis veel linkser en dynamischer was dan vele partijkaders, die in het verleden bleven hangen. De discussie over de soort organisatie die nodig is in een bepaalde periode is belangrijk. Maar er bestaan geen rigide en altijd geldende wetten voor de organisatie van een partij. Alles hangt af de praktische omstandigheden en de politieke doelstellingen. We kunnen veel leren van de geschiedenis van de bolsjewieken, maar enkel als we ze in hun geheel bekijken en goed het verband zien met de periode waarin bepaalde partijstructuren bestonden. Heel dikwijls wordt de discussie over de betekenis van het “democratisch centralisme” zwaar overschat. Dit gebeurt zowel door de voorstanders, die er magische krachten aan toekennen als de tegenstanders die er de bron in zien van alle kwaad.

Uit het voorgaande zouden we kunnen besluiten dat, nu er zo’n sterke arbeiderspartij gevormd was, het succes van de revolutie niet kon uitblijven. Ongetwijfeld was dat een illusie die velen in Rusland hadden in die jaren. Maar dit strookte niet met de werkelijkheid. Het probleem zit hem in de verhouding tussen de actieve militanten – wat in het marxisme de voorhoede wordt genoemd – en het geheel van de arbeidersklasse. Heel dikwijls lopen die twee niet synchroon. De leden van de RSDAP waren in 1906 en 1907 ongetwijfeld de voorhoede van het Russische proletariaat. Midden 1907 was deze voorhoede pas tot volle sterkte gekomen in aantal, organisatie en bewustzijn op het ogenblik dat de meerderheid van de arbeiders moe geworden was van zo’n lange strijd zonder overtuigende overwinning. De meerderheid van de arbeiders verviel in passiviteit en moedeloosheid. Het resultaat was niet revolutie maar zwarte reactie.

Voetnoten

[3] De Cadetten, de voornaamste liberale partij, hadden – dankzij het onrechtvaardig kiessysteem – de grootste fractie in de Doema. Zij deden daar pathetische oproepen aan de tsaar om deel te mogen uitmaken van de regering, maar waren totaal niet in staat om een serieus gevecht te voeren om dit doel te bereiken. Meer en meer keerden zij zich zelfs tegen de revolutie. Toen de arbeiders van Petersburg door stakingen een achturendag afdwongen kozen zij resoluut de kant van de tsaar om die beweging te breken. De tsaar trok hieruit zijn eigen conclusies: op 9 juli 1906 werd de Doema opgeheven. Op 20 februari 1907 zou een tweede Doema verkozen worden.

[4] In andere tijden zoals tijdens de eerste wereldoorlog zal Rosa Luxemburg opduiken in Duitsland. Polen was op dat ogenblik geen onafhankelijke staat maar deels Duits, deels Oostenrijks, deels Russisch. Maar het toont vooral dat in die tijd het begrip “vaderland” voor de revolutionaire sociaaldemocraten geen enkele betekenis had. Zij waren actief daar waar zij dachten dat het internationale socialisme hen het meest nodig had.