Even recapituleren. In Afghanistan zijn jarenlang de Taliban aan de macht geweest. Deze laatsten controleerden het grootste deel van Afghanistan en dompelden de bevolking onder in een nachtmerrie van geweld, moordpartijen en plunderingen. Na de aanslagen van 11 september konden de Verenigde Staten opeens de kreten van het volk horen dat voorheen reeds jarenlang zwaar onderdrukt werd door het Talibanregime (met stilzwijgend medeweten en financiële steun van de VS nota bene) en ving de zgn. ‘oorlog tegen het terrorisme’ aan. Al gauw werden door de Amerikanen zoals gewoonlijk al even grote bandieten als de Taliban, namelijk de Noordelijke Alliantie, ingeschakeld om deze laatsten te elimineren. Dit lukte ook, althans gedeeltelijk.

Verdeling van de buit

Zoals we in een vorig artikel (Vonk nummer 192) immers stelden, zou de oorlog pas echt beginnen met de nederlaag van de Taliban: “Deze zgn. Alliantie is allesbehalve verenigd, maar bestaat uit de meest diverse en tegenstrijdige splintergroepjes, die elkaar vroeger vaak bevochten hebben naar aloude Afghaanse traditie. Nu de gemeenschappelijke vijand verdwenen is, zullen de aanwezige tegenstellingen weer aan de oppervlakte komen. Het adagium ‘de vijand van mijn vijand is mijn vriend’ (een cynisch principe waar de VS-imperialisten overigens heer en meester in zijn), is niet langer geldig. Een bloedige burgeroorlog ligt in het verschiet, waarbij jammer genoeg de gewone bevolking weer eens zal moeten lijden onder de plunderingen, verkrachtingen en enge belangen van kleine groepen fundamentalisten.” (18/11/01)

Tragisch genoeg lijkt deze voorspelling uit te komen. De bandieten die buiten de regering staan doen er alles aan om de regering ten val te brengen, terwijl de krijgsheren die een poot hebben in de huidige regering zich enkel relatief koest houden om te kunnen profiteren van de internationale financiële hulp. Ze weten ook dat de internationale donors een zeker geweld door de vingers zullen zien. Maar openlijke oorlogsvoering zou het dichtdraaien van de geldkraan betekenen.

Er zijn wel degelijk al verschillende gevechten uitgebroken tussen rivaliserende partijen binnen de Noordelijke Alliantie, die anti-Taliban is. De Afghaanse Islamitische Pers meldde dat er op 20 en 21 januari strijd geleverd werd in de noordelijke provincie Kunduz tussen de beruchte Oezbeekse krijgsheer Abdul Rashid Dostum en verschillende Tadzjiekische groeperingen. Eens blijkt dat er echt geen geld meer te rapen valt, zullen Dostum en konsoorten weer in hun oude gewoonten hervallen (wat dus al gedeeltelijk zo is, getuige de verschillende bronnen die melden dat het drieduizendkoppige leger van Dostum weer aan het plunderen is gegaan).

Afghanistan wordt momenteel verdeeld onder dezelfde etnische groepen die het land controleerden in de jaren ’90. Ismail Khan, een krijgsheer uit Herat, wordt in het westen gesteund door Iran; Dostum heeft het noorden (Mazar-i-Sharif) onder controle en heeft de steun van Rusland; Tadzjieken onder leiding van Rabbani controleren het noordoosten; Gul Agha heeft in het zuiden de zegen van de Verenigde Staten. Hier wordt dus een heel vuil spel gespeeld. De facto wordt hier de buit verdeeld tussen de verschillende partijen. In Jalalabad (het oosten) is het de krijgsheer die gesteund werd (en wordt) door de VS die de feitelijke controle uitoefent op het gebied, in plaats van de gouverneur die aangesteld werd door Karzai. Inderdaad, het arme land is weer eens het slachtoffer van een meedogenloos gevecht om invloedssferen en markten.

Daarom ook dat de Pathanen nu verdreven worden uit het noorden van Afghanistan. Sinds december zijn al meer dan 20.000 mensen moeten vluchten uit dit gebied. De Pathaanse bevolkingsgroep vormde tot vorig jaar de kern van de Taliban. In de media wordt veelal gewag gemaakt van wraak ten gevolge van de misdaden van de Taliban. Dit is inderdaad een factor van belang, maar hierbij wordt over het hoofd gezien dat de gedwongen verhuizing ook een efficiënt middel is om de macht van de krijgsheren te consolideren. Zo wordt potentiële rebellie al op voorhand de kop ingedrukt en kunnen de fundamentalistische leiders makkelijker hun gang gaan.

Opportunistisch overlopen

In Afghanistan is het al vaak voorgekomen dat verschillende partijen van kant verwisselden, op een zelfde manier als een treinreiziger zich verplaatst van een rokers- naar een niet-rokerscoupé. Veel hangt af van wie aan de winnende hand is. De overweldigende militaire macht van de VS heeft vele Taliban wellicht overtuigd zich gedeisd te houden en hun moment af te wachten. Al Qaeda mag dan grotendeels verwijderd zijn uit Afghanistan, de Taliban zijn méér dan Al Qaeda. Deze reactionaire fundamentalisten verklaarden bijvoorbeeld verschillende malen dat ze Kandahar tot de laatste man zouden verdedigen. Maar hoe krankzinnig hun overtuiging ook moge zijn, deze heren zijn niet dom. Volgens bovenvermelde ‘Afghaanse traditie’ liepen ze zonder verpinken over naar de Noordelijke Alliantie, de mannen met het geld…gekregen van de VS.

Waarom immers je leven op het spel zetten als de zaken afgehandeld kunnen worden bij een gezellig kopje koffie? Ze kwamen al gauw tot een overeenkomst met de ‘vijand’ waarin Kandahar overgegeven zou worden op voorwaarde dat de levens van de Taliban gespaard zouden worden en dat mullah Omar, een van de leidende figuren van de Taliban, amnestie zou krijgen die hem in staat moest stellen een veilig onderkomen te vinden, alwaar hij kon mediteren over zijn zonden en genieten van zijn pensioen, uitgekeerd door de drugsbarons en zijn oude vrienden bij de transportmaffia. Een mens mag al eens sarcastisch zijn, nietwaar.

Doodgeboren regering

Ondanks alle moeite en promotiecampagnes is men er nog niet in geslaagd een noemenswaardige regering op de been te brengen in Afghanistan. De interimregering van Hamid Karzai blijkt geen enkele autoriteit te bezitten en is gedoemd om ten onder te gaan. Reeds van bij het begin van de onderhandelingen (of beter: koehandel) in Bonn, kwamen de interne tegenstellingen tussen de verschillende groepen aan de oppervlakte. Wat we in november en december vorig jaar bij de regeringsvorming in Bonn zagen, was een huwelijk tussen partners die elkaar niet kunnen horen of zien. Abdul Rashid Dostum, de zelfverklaarde leider van de Oezbeken in Afghanistan, verklaarde meteen dat zijn deel van de taart te klein was. Een maand later was dit individu met zijn bende al verwikkeld in een strijd met andere partijen uit de ‘Alliantie’. Om het met de woorden van Guido Gezelle te zeggen: “Trouwen en is geen kinderspel. Die getrouwd zijn weten het wel.”

Niet dat het voor de meeste partijen ooit de bedoeling was om samen te blijven. De logica van sommigen binnen de regering onder leiding van interimpresident Karzai is er een van “neemt wat gij bijeen kunt scharrelen”. Laten we niet vergeten dat het hier in bepaalde gevallen gaat over krijgsheren die in het verleden meerdere slachtpartijen aangericht hebben – onder de bevolking maar ook gewoon onder elkaar. Natuurlijk zou het verkeerd zijn alle partijen over dezelfde kam te scheren – Karzai meent waarschijnlijk oprecht met een nobel project bezig te zijn, hoewel hij uiteindelijk een burgerlijke marionet van de VS blijft – toch is het nogal duidelijk dat deze regering allesbehalve stabiel is, laat staan dat ze het land zou kunnen heropbouwen na de terreur onder de Taliban en de bombardementen van de Amerikanen. Zelfs de CIA moest recentelijk toegeven dat het land op de rand van een burgeroorlog tussen rivaliserende krijgsheren staat (De Standaard, 23 februari)

De enige troef die de interimregering heeft is de mogelijkheid om geld uit te delen, afkomstig uit de fondsen van de ‘internationale coalitie tegen het terrorisme’. Maar zoals maar al te vaak gebeurt met geld bestemd voor ontwikkelingssamenwerking komt dit geld niet altijd terecht waar bedoeld. Er lopen namelijk nogal wat ‘politici’ met een bedenkelijk verleden rond in Karzais regering. De interimpremier zit bijgevolg in een lastig parket. Als hij te vrijgevig is met zijn poen zullen de krijgsheren hem niet langer nodig hebben (en doen wat ze willen). Als hij anderzijds te zuinig is met de fondsen bestaat het risico dat de krijgsheren zullen denken dat ze het geld sowieso nooit zullen krijgen. Waarom zouden ze dan nog langer in de pas lopen en niet zoals vroeger beginnen plunderen en moorden?

Het meest frustrerende in de berichtgeving van de traditionele media (of om het minder omfloerst te zeggen: de burgerlijke pers) is het gebrek aan een degelijke analyse van de huidige situatie in Afghanistan, gekoppeld aan een onwaarschijnlijk naïef vertrouwen in de ‘gematigde’ en ‘hervormingsgezinde’ regering Karzai. Pittig detail is dat de invloed van de interimpremier beperkt is tot hoofdstad Kabul, en er hierbuiten volledige wetteloosheid heerst. Na even de schijn opgehouden te hebben zijn de verschillende clans maar weer eens overgegaan tot onderlinge gevechten. De Verenigde Naties mogen dan wel met het vingertje wijzen naar de regering, veel zoden zal dit niet aan de dijk brengen in dit spel van botte krachtsverhoudingen.

Drugs = big business

Het Bureau voor Drugsbeheersing en Misdaadpreventie van deze laatste (United Nations Office for Drug Control and Crime Prevention) publiceerde onlangs een jaarlijks rapport over de papaverteelt. Daaruit bleek dat een nieuwe heroïnegolf dreigde uit het land dat voor 75 procent instaat voor de wereldwijde heroïneproductie. Op het eerste gezicht vreemd, want een maand geleden verbood de regering van Karzai de papaverteelt om de opium- en heroïnehandel onder controle te krijgen. Hoeft dit echter te verwonderen?

Het is zeer onwaarschijnlijk dat de lokale krijgsheren ook maar enige inspanning zullen leveren om de lucratieve opiumproductie van Afghanistan in te perken. Eerder dienen de mooie intenties gezien te worden als zoethoudertje voor de internationale geldschieters. Het verbod zal enkel selectief worden toegepast, wat wellicht nu al het geval is. De internationale drugkartels zullen immers niet zomaar toestaan dat hun toevoer nu opeens afgesneden wordt. Bovendien is de papaverteelt heel winstgevend voor de Afghanen, aangezien drugstrafiek zowat de enige economische activiteit is van het (letterlijk en figuurlijk) geruïneerde land.

De aantallen verschillen, maar de VN schatten dat de opiumproductie in 1999 250 miljoen dollar binnenbracht. Dit is veel minder dan de 900 miljoen dollar die het land per jaar krijgt aan buitenlandse hulp, maar het voordeel van drugshandel is dat hier minder controle op is en de winsten – in tegenstelling tot kapitaal van de geldschieters – niet verdeeld worden via een centrale regering. Bovendien is een inkomen uit drugtrafiek gegarandeerd, terwijl buitenlandse financiële hulp op ieder moment kan ophouden. Zo zal de zwakke regering nog meer buitenspel gezet worden, als de lokale krijgsheren besluiten zaken te doen met het buitenland of externe sponsors als Iran, Pakistan en Oezbekistan.

Het toezicht op de opiumproductie behoort niet toe aan één bepaalde etnische groep of leider. Bekende papavertelers uit het verleden zijn Ahmed Shah Masood – de voormalige commandant van de Noordelijke Alliantie die vermoord werd net voor de aanslagen van 11 september – en de huidige Pathaanse leider Hazrat Ali. Ook de nieuwe interimregering heeft banden met het drugsmilieu. Volgens de Londense krant The Observer is de recentelijk aangestelde gouverneur van Kandahar, Gul Agha (wiens woordvoerder ironisch genoeg het verbod uitsprak op verdere papaverteelt) gelinkt aan de opiumhandel. Zijn thuisbasis Kandahar was overigens de grootste papaverproducent onder zijn eerdere gouverneurschap in de jaren ’90.

Alles wel beschouwd plegen de lokale krijgsheren dus lippendienst aan het verbod op de opiumproductie. Dit neemt niet weg dat de belofte op zich al de zgn. internationale gemeenschap voor eventjes gunstig kan stemmen en de dollars het land dus blijven binnenstromen. De VN zullen het moeilijk hebben om toe te zien op het verbod, aangezien de meeste delen van het land simpelweg te gevaarlijk zijn voor inspecteurs. Met andere woorden, de huidige regering staat totaal machteloos tegenover de krijgsheren die ieder hun eigen belangen nastreven.

Het behoeft niet veel verbeelding om te zien dat de verschillende partijen het verbod kunnen aanwenden om de opiumvelden van rivaliserende krijgsheren te vernielen, met de goedkeuring van de internationale gemeenschap! Enkele geslepen gangsters kunnen misschien wel wat geld afpingelen van het drugbestrijdingfonds van de VN…

Geen beterschap in zicht

Na meer dan twintig jaar oorlog is Afghanistan de Middeleeuwen in gekatapulteerd. De meeste dokters zijn het land ontvlucht en 85 procent van de leraars hebben ofwel veiliger oorden opgezocht of zijn vermoord. Op 21 februari meldde Artsen Zonder Grenzen dat de voedselcrisis in het noorden van Afghanistan alarmerende proporties begint aan te nemen. Eén op zes kinderen lijdt al aan ondervoeding.

Dit tragische gegeven kan niet losgezien worden van de tussenkomst van buitenlandse strijdmachten die het land steevast behandeld hebben als wingewest. De huidige situatie is niet anders. De arrogante tussenkomst van het Amerikaanse imperialisme heeft volstrekt niets opgelost, maar luidt enkel een nieuwe periode van bloedvergieten, ellende en instabiliteit in. De verliezer is, zoals steeds, het gewone volk.

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Onze boeken

Onze boeken