In een vorig artikel hebben we de algemene principes uiteengezet van een marxistische benadering van de nationale kwestie (de marxistische term voor hetgeen we in België de communautaire kwestie noemen).

Marxisten zijn geen nationalisten maar internationalisten. Proletariërs aller landen verenigt u, zo luidt de beroemde laatste zin van het Communistisch Manifest van Marx. Socialisme wil de nationale staten overstijgen. Wij zijn voorstander van een Europese socialistische federatie en later een wereldfederatie. Dat zou de economische en sociale voorwaarde zijn voor uitbanning van armoede en onderontwikkeling, voor het redden van ons milieu en voor een nooit geziene welvaart en ontwikkeling voor iedereen. Dat is de weg vooruit, niet het terugplooien op de eigen kerktoren. Zelfs in het kapitalisme zijn er al tekenen die wijzen op de noodzaak van internationalisering. De Europese Unie (EU) is er één van. Terwijl een socialistische federatie echter een bondgenootschap zou zijn om samen vooruit te gaan, is de kapitalistische EU hoogstens een poging van de Europese kapitalisten om stand te houden tegen de Amerikaanse en Aziatische concurrentie, dikwijls ten koste van de eigen werkende bevolking.

En ja, in veel gevallen zou een socialistisch Europa neerkomen op verplaatsing van de beslissingsmacht naar een hoger niveau, samen met meer democratie op plaatselijk vlak. Sommige zaken worden nu eenmaal het meest efficiënt georganiseerd op een zo hoog mogelijk niveau. Eén voorbeeld maar: in een socialistische Verenigde Staten van Europa zouden nutsvoorzieningen zoals spoor en post Europese overheidsbedrijven zijn, beheerd door en voor de werkende bevolking. De huidige, kapitalistische EU verplicht de nationale staten hun post en spoorwegen te privatiseren en op te splitsen "om vrije concurrentie mogelijk te maken". We leven in een klassenmaatschappij, waar steeds meer rijkdom in handen komt van steeds minder mensen en tegelijkertijd een groter wordend deel van de bevolking uit de boot valt.

Wat geldt voor Europa, geldt nog veel meer voor de nationale kwestie. Er bestaat niet zoiets als (kapitalistisch) "goed bestuur", er bestaan alleen groter wordende tegenstellingen tussen de winsten van het Vlaamse, Belgische, internationale kapitaal en de groeiende stress, onzekerheid en (voor een deel) verpaupering van de werkende bevolking. Voor de werkende bevolking is de eenheid hun voornaamste wapen. Hun kracht ligt immers in hun aantal en in de beslissende plaats die zij innemen in het productieproces. Om het nog eens met een oude slagzin te zeggen : "heel het land staat stil als uw machtige arm dat wil", zoals te lezen viel op een oude 1-mei-affiche van de BWP (Belgische Werklieden Partij, de voorganger van de sp.a). Voor het kapitaal is het opkloppen van nationalistische ("communautaire") tegenstellingen dus een gedroomd middel om die tegenstander te verdelen. De enige rem daarop is dat het kapitalisme gebaat is met een zo groot mogelijke afzetmarkt en het proces van verdeling dus niet te ver mag gaan.

Nationale problemen zijn zeer sterk gebonden aan de klassenstrijd. In het kapitalisme zijn de twee grootste klassen de arbeidersklasse en de burgerij (de eigenaars van productiemiddelen en kapitaal). Zij reageren totaal verschillend op de nationale kwestie. Toegegeven, in normale omstandigheden kan het nationalistische vergif soms voet krijgen bij de minst bewuste lagen van de arbeidersklasse. Maar zodra er een verhoogde fase komt van de klassenstrijd, een algemene staking bijvoorbeeld, verdwijnen de nationale tegenstellingen als sneeuw voor de zon. Volledig het tegengestelde fenomeen speelt zich af bij de kapitalistische klasse. Als hun belangen werkelijk in het gedrang komen, dan aarzelen zij niet om aan te sturen op de splitsing van een land, zoals tijdens de Russische revolutie of vandaag de tendens tot afsplitsing van de rijke provincies in Bolivia als reactie op de regering van Morales, die bepaalde socialistische maatregelen neemt. Het nationaal probleem wordt heel dikwijls gebruikt om de werkelijke beweegredenen van een klasse te verdoezelen. Niets is wat het lijkt en nationale tegenstellingen kan je doorgaans slechts begrijpen als je de onderlinge klassentegenstellingen blootlegt. Laat ons de koe bij de horens vatten en direct overgaan tot vandaag. Hoe staat het vandaag met de klassenstrijd in België?

Een gevaarlijke patstelling

Op Europees vlak is de burgerij ervan overtuigd dat ze de internationale concurrentiestrijd enkel aankan door een aanval op de verworvenheden van de arbeidersbeweging. Sociale zekerheid en dergelijke vormen een "competitief nadeel", die moeten worden afgeschaft en/of geprivatiseerd. De overheid moet op dieet. Met name de buurlanden Nederland en Duitsland zijn daarin verder gegaan dan België de laatste vijf jaar. De besparingen, de afbouw van de sociale zekerheid, de verlenging van de werktijd hebben er geleid tot recessie of zeer zwakke groei in de jaren 2000-2005. In België was de groei groter in die periode, maar dat interesseert de Belgische kapitalisten niet. Evenmin willen ze horen dat de winsten in 2006 en 2007 historisch hoog waren. Het enige wat hen bezig houdt, is dat de kapitalisten van de buurlanden door sociale afbraak hun concurrentiepositie versterkt hebben en nog meer dan België geprofiteerd hebben van het aantrekken van de Europese economie in 2006 en 2007. In feite hebben de Vlaamse en Belgische patroons geprobeerd dezelfde politiek te voeren als hun Nederlandse en Duitse collega's. Ze zijn echter op onverwacht sterk verzet gestuit van de arbeidersbeweging, eerst met de stakingen voor een interprofessioneel akkoord in 2005 en vervolgens bij de stakingen tegen het Generatiepact. Overwinningen voor de arbeidersbeweging zijn dat zeker niet geweest, maar evenmin zijn de patroons zover kunnen gaan als ze wilden. We bevinden ons dus in een soort patsituatie, altijd gevaarlijk voor het opduiken van de nationale kwestie.

Dat onze sociale zekerheid het in Europese vergelijking slecht doet (zie de publicaties van Bea Cantillon) bewijst dat uitspraken als "onze sociale zekerheid is de beste van de wereld" gerust naar het rijk van de fabeltjes kunnen verwezen worden. De Belgische manier om de sociale verworvenheden af te bouwen is de salamipolitiek. Veel hervormingen zijn nauwelijks voelbaar de eerste jaren, maar beginnen pas te bijten na enige tijd. Uiteindelijk moeten we constateren dat veel van onze uitkeringen tot de laagste van Europa behoren (pensioenen in de privé!) en we steeds meer zelf moeten betalen, bijvoorbeeld voor onze gezondheidszorg.

De eisenprogramma's die de patroonsorganisaties stelden na de verkiezingen van 10 juni waren verassend eensluidend: meer, beter opgeleide en minder dure arbeidskrachten; een beter werkende overheid met minder personeel; verlaging van de fiscale en parafiscale druk; en verlaging van de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid. Het enige verschil tussen de Belgische patroonsorganisatie (VBO) en de Vlaamse (VOKA en UNIZO) is dat de laatste dat willen bekomen via meer Vlaamse autonomie, terwijl de eerste het houdt bij het Belgische kader.

Bijkomend probleem voor het patronaat is ongetwijfeld de vergrijzing, die maar ten volle vanaf 2010 begint te spelen. Traditioneel wordt dit voorgesteld als een gevaar voor de betaalbaarheid van de pensioenen en de sociale zekerheid. Alhoewel ze het niet zeggen is dat voor het patronaat zeker niet het belangrijkste probleem. Zij hebben vooral schrik dat door de pensionering van de babyboomgeneratie de werkloosheid zou verdwijnen en zo de onderhandelingspositie van de werkende klasse drastisch zou verbeteren. Als de patroon niet meer tegen zijn werkkrachten kan zeggen "als het u hier niet aanstaat, er staan tien in de rij om uw plaats in te nemen", dan heeft die patroon een probleem. Voor de arbeidersklasse is dat echter een verbetering van hun positie: voor het eerst sedert decennia zullen ze beter in staat zijn hun deel van de winsten op te eisen. Dat mag wel, vermits sedert 2006 het aandeel van de winsten in de Belgische rijkdom voor het eerst groter is geworden dan het aandeel van de lonen. De stakingsgolf gestart bij de toeleveringsbedrijven van Ford Genk toont al een dergelijke evolutie. Het patronaat is als de dood hiervoor en wil nu al maatregelen nemen om de "krapte op de arbeidsmarkt" tegen te gaan (langer werken) of het vangnet van werkloosheid en brugpensioen nog onaantrekkelijker te maken en het stakingsrecht te beperken (minimale dienstverlening). Ook de uitbreiding van Europa, onder andere met zeer arme staten zoals Bulgarije en Roemenië, kan men voor een groot deel uitleggen als de jacht op voldoende, goedkope en gewillige werkkrachten.

Zoals gezegd: het Vlaamse patronaat wil dit bereiken via een staatshervorming, zoniet splitsing van het land. Daarom heeft het VOKA Leterme ook ingefluisterd dat de regeringsonderhandelingen zo lang mochten duren als nodig was voor een "grote staatshervorming". Het resultaat hebben we gezien. Ongelukkig genoeg worden zij daarin gevolgd door sp.a-ers als Vandenbroucke en Vande Lanotte, die pleiten voor een "sociale staatshervorming". Daarom willen we het even hebben over de belangrijkste aspecten van de voorstellen tot staatshervorming: de sociale zekerheid en het arbeidsmarktbeleid.

Arbeidsmarktbeleid

"We vragen een transparante en responsabiliserende solidariteit. Een slimme staatsstructuur die meer financiële verantwoordelijkheid naar de gewesten overdraagt, zal er immers voor zorgen dat elk gewest zijn volle verantwoordelijkheid zal nemen voor de eigen sociaaleconomische ontwikkeling. Binnen een periode van 10 jaar moeten de andere gewesten hun achterstand op het Europese gemiddelde ingelopen hebben en zo de transfers uit Vlaanderen in grote mate overbodig maken." ( 11 juli-boodschap 2007 van Voka-voorzitter Urbain Vandeurzen)

Meestal worden federaliseringsvoorstellen op die manier verpakt: "wat de gewesten zelf doen, doen ze beter", "regionalisering en financiële verantwoordelijkheid leiden tot beter bestuur". Laat ons dat eens toetsen aan een eis die ook sterk gesteund word door sp.a-kopstukken als Vandenbroucke en Vande Lanotte: de regionalisering van het arbeidsmarktbeleid. Nu is het zo dat de gewesten (Vlaanderen, Wallonië, Brussel) verantwoordelijk zijn voor de arbeidsbemiddeling via de VDAB (Forem en Actiris in Wallonië en Brussel). De RVA is de federale dienst die zich bezig houdt met de organisatie van de werkloosheidsverzekering en het al dan niet toekennen ervan. Het feit dat er "grote verschillen bestaan in de arbeidsmarkt tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel" wordt aangebracht als argument om de RVA te regionaliseren en zo "homogene bevoegdheidspakketten te bekomen".

Het valt niet te ontkennen dat er grote verschillen bestaan tussen de werkloosheid in Vlaanderen, Brussel en Wallonië. De situatie van de arbeidsmarkt is echter ook totaal verschillend in bijvoorbeeld Oostende en Roeselare (werkloosheidsgraad 9,2 % tegen 5%; cijfers VDAB 2007) of Waals-Brabant en Charleroi. Niemand denkt er natuurlijk aan te gaan splitsen binnen dezelfde provincie. Tijdens heel de vorige kiescampagne pakte sp.a-voorzitter Vande Lanotte uit met de "successen" van de bestrijding van de werkloosheid in Oostende. Ook al hadden die methodes zoals later bleek geen noemenswaardig resultaat (het was een verkeerde telling van de cijfers) toch bleek hieruit één ding: het is perfect mogelijk andere methodes van arbeidsbegeleiding toe te passen binnen het huidige systeem, zonder splitsing van de RVA. Als puntje bij paaltje komt, blijft er maar één reden over: het Vlaamse patronaat, daarin gevolgd door de Vlaamse politici, wil de werklozen niet alleen kunnen begeleiden, maar ook kunnen schorsen. Dat is tot nu toe de bevoegdheid van het federale RVA. De rechterzijde wil de RVA splitsen om de Vlaamse werklozen te "disciplineren" via de dreiging tot schorsing. Met name Vandenbroucke wil ook af van de notie "passende betrekking". Een ganse rechtspraak gaat schuil achter dat begrip dat de werkloze beschermt tegen gedwongen tewerkstelling in om het even welke smerige of onderbetaalde job, eventueel ver van de woonplaats. Natuurlijk wil het patronaat elke bescherming van de werknemers afbouwen. Maar moeten socialistische excellenties daarom meehuilen met de wolven, laat staan de bovenstaande argumenten gebruiken om verder te splitsen?

Dikwijls wordt er gesproken over de "onevenwichten in de arbeidsmarkt". Een klassiek voorbeeld is Brussel waar er een ruim aanbod is van hooggeschoolde arbeidsplaatsen, maar een enorme werkloosheid heerst onder de laaggeschoolde jeugd. Terecht wordt dat gelinkt aan de nabijgelegen Vlaamse regio Vilvoorde, waar een groot arbeidsaanbod is, ook voor laaggeschoolden. Blijkbaar wordt de band tussen de twee zeer moeilijk gelegd en werden pas de laatste tijd samenwerkingsverbanden ontwikkeld tussen de arbeidsbemiddelingdiensten Actiris (Brussel) en VDAB (Vlaanderen). Maar ongelooflijk genoeg wordt die situatie gebruikt als een argument voor de splitsing van de RVA! Integendeel, het bewijst dat de splitsing van de VDAB, de regionalisering van de arbeidsbemiddeling, destijds op een verkeerde manier werd uitgevoerd zonder de nodige verbanden te leggen tussen de verschillende regio's. Nu ligt het voor de hand dat men eerst kansen moet geven aan de samenwerking tussen Actiris en VDAB, al was het maar uit respect voor de ambtenaren die al die veranderingen steeds moeten uitvoeren. Blijven de moeilijkheden, dan ligt de enige oplossing in meer centralisatie, hetzij in een Belgisch, hetzij in een Brabants kader.

Sociale zekerheid

Als men het Vlaams Belang zou geloven, kan elke Vlaamse familie een extra auto kopen indien de transfers naar Wallonië (voornamelijk in de sociale zekerheid) niet zouden doorgaan. We zullen ons niet bezighouden met het weerleggen van die onzin. Transfers zijn er en volgens alle recente studies zijn ze hoofdzakelijk zoniet volledig gestoeld op objectieve criteria (grotere werkloosheid, slechtere gezondheid van arbeiders uit zware industrie enz.). We willen wel even stilstaan bij de vraag: als die transfers zouden stoppen wat willen die heren dan dat er gebeurt met dat geld? De Warande-groep, nog zo'n separatistische denktank, geeft het antwoord: verlaging van de bedrijfsbelastingen met 44 procent. In ieder geval willen ze dat de extra middelen "ten goede komen van de Vlaamse economie". Dit betekent dat het geld uitsluitend naar de bedrijven zal gaan en dat de Vlaamse gezinnen achter hun extra auto zullen kunnen fluiten.

Langs Waalse kant zou dit leiden tot een onmiddellijke verarming, die het patronaat ongetwijfeld zou aangrijpen om lonen en arbeidsvoorwaarden drastisch te verlagen. Ook voor de Vlamingen zou dat uiterst nefaste gevolgen hebben door een vermindering van de "uitvoer" naar Wallonië. Meteen zou ook een neerwaartse spiraal van onderlinge concurrentie gestart worden op vlak van fiscaliteit, sociale zekerheid, lonen en arbeidsvoorwaarden. Voor ons een gruwelscenario, voor bepaalde patroons blijkbaar een benijdenswaardig kapitalistisch paradijs.

In de vorige paragrafen hebben we twee benaderingen naast elkaar gezet die schijnbaar tegengesteld zijn. Het geciviliseerde discours van VOKA en de botte bijl van het Vlaams belang. Dat is echter slechts een schijnbare tegenstelling. Toen hij onlangs fulmineerde tegen de "onwettelijke" stakingen voor het herstel van de koopkracht, klonk Paul Soete, voorzitter van die andere patronale organisatie Agoria, al heel wat minder geciviliseerd. De sociaal-economische bevoegdheden behoren tot de kern van een staat. Eens men dat begint te splitsen kan niemand voorspellen hoever het zal komen. Als én de klassenstrijd én de onderhandelingen over de vorming voor een regering in een patstelling belanden, dan is het best mogelijk dat er willens nillens gekozen wordt voor een splitsingsscenario. Dat willen wij ten alle prijze vermijden. Niet uit een soort nostalgie voor de Belgische staat, altijd al een kapitalistisch misbaksel, wél omdat wij goed beseffen dat hierdoor de belangen van de werkende mensen in het gedrang komen.

Tijdschrift Vonk

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken