‘Working poor'. Tot voor kort was het een fenomeen dat zich tot de Verenigde Staten leek te beperken. Het ‘Europees model' van sociale zekerheid en overleg met de vakbonden moest ons hiertegen beschermen. Het is nu zover.

In België vormen "de ‘working poor' of arme werkenden een nieuwe categorie, die zich meer en meer ontwikkelt", legt algemeen secretaris van het ABVV Anne Demelenne uit. Het gaat om werkende mensen die met hun inkomen niet langer een concert of bioscoopbezoek kunnen betalen, geen woning kunnen kopen en niet op reis kunnen gaan. Als oorzaak wijst Demelenne op de toename van de onzekere arbeidscontracten, vooral bij jongeren. "Dat heeft gevolgen voor hun koopkracht." Een op vijf werkers behoort nu tot deze groep.

Uit een studie van het ABVV, deze week voorgesteld, blijkt dat de helft van de werkende mensen niet alleen het gevoel heeft dat zijn koopkracht daalt, maar het ook echt moeilijker heeft om de eindjes aan elkaar te knopen. Voor meer dan 80 procent is het arbeidsinkomen de enige geldbron. "Dit doorprikt het beeld van de werknemer die aandeelhouder is en ook nog een spaarpotje heeft", zegt ABVV-voorzitter Rudy De Leeuw. Voor 44 procent van de ondervraagden volstaat één loon niet om mee rond te komen.

Meer verdienen door langer te werken? Vergeet het!

Overuren bieden geen soelaas bij het opkrikken van de koopkracht. Ook al doet 61 procent van de respondenten overuren, een op drie verdient er niets mee of kan de overuren niet recupereren. Voor meer dan de helft zijn overuren dan ook geen persoonlijke keuze.
Uit de peiling blijkt verder dat 35 procent van de respondenten het niet makkelijk heeft om de opleiding van de kinderen te betalen, 37 procent niets kan sparen, 25 procent geen eigenaar van een huis kan worden en 18 procent moeite heeft om op reis te gaan. Volgens het ABVV doet het verschijnsel van de ‘working poor' zich vooral voor in de openbare sector en de non-profit.

Twintig jaar loonbeleid aan de schandpaal

Sinds het Globaal Plan van 1993 worden de lonen streng in het gareel gehouden. Geen enkele van de partijen (PS en SP.a incluis) die sindsdien de regeringen hebben uitgemaakt, betwiste het gevoerde beleid. Na het aanvankelijke verzet van de vakbonden - een grote algemene staking in 1993 - is de top van ABVV en ACV zich steeds meer gaan neerleggen bij de logica van loonmatiging. De tegenstand van een belangrijk deel van de achterban en de middenkaders kon hier niets aan veranderen. Een ‘wet op de competitiviteit' werd gestemd. Vakbonden en patronaat sluiten sindsdien akkoorden over maximale loonnormen of loonmatiging. Looneisen worden zogezegd geruild voor jobzekerheid. Vraag maar aan de arbeiders van Ford, Renault of Volkswagen (nu Audi) wat ze hiervan denken. De vakbondstop mag dus gerust in eigen boezem kijken als ze het verschijnsel van ‘arme werkenden' aanklaagt. Zij deelt in de verantwoordelijkheid.

En nu voor serieuze looneisen

De socialistische vakbond heeft gezegd dat ze hogere bruto- en minimumlonen zal eisen op het tweejaarlijks interprofessioneel overleg, dat dit najaar plaatsvindt. "We gaan een serieuze looneis op tafel leggen", kondigt voorzitter Rudy De Leeuw aan.

Daar staan we volmondig achter. De vraag is nu wat een serieuze looneis is? In de aanloop van het volgende interprofessioneel akkoord - in het najaar dus - wordt er best in het hele land een grote bevraging gehouden op de werkvloer. Door middel van algemene vergaderingen en enquêtes onder de gewone leden krijgt de basis dan een beslissende stem. Gedaan dus met eisenbundels die ‘en petit comité' worden bedisseld. Het uitgangspunt moet zijn wat wij, de arbeiders, de bedienden en onze gezinnen nodig hebben, niet wat de baas als haalbaar bestempelt. Gunstige krachtsverhoudingen en harde strijd zoals in het begin van het jaar hebben aangetoond dat wat ‘haalbaar' is ook een zeer rekbaar begrip is.

De arbeidsmarkt is zelden zo krap geweest als vandaag, de orderboeken zijn vol. Het is het moment om ons rechtmatige deel van de koek te eisen. Eén euro loonsverhoging per uur was de eis die gedragen werd tijdens de spontante stakingsgolf in het voorjaar. Dat betekent 144 euro per maand. Wij denken dat het maandelijkse minimumloon ook dringend moet worden verhoogd tot 1150 euro netto. Deze eisen veronderstellen natuurlijk het doorbreken van de loonnorm en de weigering van ‘all-in'-akkoorden. Als je in de volgende weken gaat stemmen voor je afgevaardigden in je bedrijf leg hen dan deze eisen eens voor. Zo ga je nog bewuster je stem uitbrengen.

 

Tijdschrift Vonk

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken