Aanvankelijk waren ze in juli met een paar honderd, in hoofdzaak werklozen, verenigd door bovenstaande woorden en door hun gelijke situatie. Algauw was daar weer een maandag, met alweer een betoging. De acties rezen als paddestoelen uit de grond. Zelfs in die mate dat eind augustus meer dan 100.000 mensen verspreid over heel Duitsland op straat kwamen. De Maandagbetogingen werden een begrip in het wankele Europa.

Nochtans begon het zeer eenvoudig: door zijn zelfgemaakte poster te kopiëren en overal waar mogelijk aan te plakken, wou een voormalige spoorarbeider zijn werkloze lotgenoten mobiliseren tegen de Duitse jacht op de werklozen. De kettingreactie die er op volgde zal zonder twijfel ook zijn verwachtingen overtroffen hebben. Toch mag de situatie ons niet verbazen. Door het beleid van de regering van sociaal-democraten en groenen zijn vele arbeiders getroffen. Velen verloren hun baan door privatiseringen en saneringen, en zij die alsnog hun baan konden behouden, wacht een 40-, 50-, zelfs 60-urenweek, een groot verlies aan inkomsten door de bezuinigingen in de sociale uitgaven en een lange tijd van onzekerheid, want misschien zijn zij het die morgen hun baan verliezen onder het mom van herstructureringen.

De aanloop: recessie en de neoliberale lijn binnen de SPD

Met een BNP van 2.130 miljard euro (1/4 van het EU-totaal) is Duitsland nog steeds de toonaangevende economische speler in Europa. De ingang van het nieuwe millennium bracht echter geen voorspoed met zich mee. In 2001 sukkelden de Duitsers in een economische recessie. Het eind van de jaren ’90 werd al gekenmerkt door een minder uitgesproken groei, ingezet door de stagnering van de economie in 1995. Mede daardoor verloor de christelijke CDU met toenmalig kanselier Kohl de Bondsdagverkiezingen van september 1998. De liberale regeringspartner FDP werd tevens gehalveerd in zetelaantal. Na vele jaren van oppositie was het aan de sociaal-democratische SPD, de grote overwinnaar van de verkiezingen, om de regering samen te stellen. Ook de groenen waren licht gestegen, en bijgevolg werd een linkse rood-groene meerderheid mogelijk.

De arbeidersklasse hoopte op een echt sociaal beleid en een structurele oplossing voor de werkloosheid die in juli 1998 al 10,9 procent van de beroepsbevolking bedroeg, het hoogste percentage sinds 1945. Verder waren ook de lonen van de arbeiders in jaren amper gestegen: slechts 1 procent loonsverhoging van 1991 tot nu! De verzwakte situatie van de arbeiders kreeg echter geen aandacht van de nieuwe regering. De werkloosheidssituatie werd vooral als een Oost-Duits probleem gezien. Het probleem was daar inderdaad duidelijker, met een werkloosheid van 14,9 procent veel hoger dan het nationaal gemiddelde. Het systematisch ontmantelen van de staatsbedrijven uit de periode voor de val van de muur, en het onvoldoende stimuleren van de opkomende plaatselijke economie had daarvoor gezorgd. Schröder zag maar één oplossing voor de economische achteruitgang en de hoge werkloosheid in heel het land: de neoliberale oplossing. Concreet betekende dit enorme bezuinigingsmaatregelen en een belastingverlaging voor ondernemingen.

Oskar Lafontaine, tot dan voorzitter van de SPD, en toen net tot minister van Financiën beëdigd, kon zich niet verzoenen met die plannen van zijn partijgenoot. Als linkse reformist pleitte hij voor structurele keynesiaanse hervormingen. De rente moest omlaag en de lonen omhoog zodat de binnenlandse consumptie zou stijgen. Verder moest de overheid fors investeren, desnoods hogere tekorten riskeren, om op die wijze een hogere groei te bewerkstelligen. Verder verzette hij zich tegen de stijgende globalisering. Zijn ideeën mochten dan weinig vernieuwend en imposant zijn, toch waren ze al te links voor de heersende klasse. Onder toenemende druk van de bourgeoisie en de reformistische rechterzijde verliet hij zijn partij en de regering. Hij werd als minister van Financiën gauw opgevolgd door de Hans Eichel. De weg was nu vrij voor de plannen van Schröder en de neoliberale partijeconomen.

De maatregelen: het eerste pakket

Eind juni 1999 stelde de regering een nieuw bezuinigingsprogramma voor. In de daaropvolgende jaren zou 15 miljard euro bezuinigd moeten worden onder andere door middel van het verhogen van de belastingen voor de lagere inkomens en een verlaging voor de ondernemingen, als stimulans voor de economische activiteit. De vakbonden waren te passief in het bestrijden van de belastingshervormingen, grotendeels verblind door de neoliberale demagogie van de SPD-leiding. De eerste overwinning van Schröder was een feit. Toen de regering echter een aanval lanceerde op de pensioenregelingen waren de bonden wel paraat. Door druk van arbeiders en vakbonden wist men de pensioenen veilig te stellen, voorlopig althans.

2000 bracht een langverwachte opgang van de economie, en de stijging van 3 procent van het BNP werd door de regering aangebracht als bewijs dat hun maatregelen hielpen. De werkloosheid nam echter zeer weinig af en de groei van de economie was grotendeels te danken aan een grotere vraag vanuit andere landen. De binnenlandse vraag bleef dalen en het zou nog geen jaar duren voor Duitsland weer afgleed in de economische malaise.

In 2003 introduceerde de SPD-leiding daarom ‘agenda 2010’, qua inhoud niks meer of minder dan een regelrechte aanval op de welvaartstaat. De plannen werden onthaald op heel wat kritiek, niet in het minst van de vakbonden. Maar Schröder was vol vertrouwen in zijn nieuwe ideaal, de opbouw van een ‘moderne’ sociale democratie naar het voorbeeld van Blair in Groot-Brittannië. Met andere woorden, een sociaal-democratie die zich volledig plooit naar de wensen van de bourgeoisie. Samen met het patronaat zette de regering de aanval in tegen de levensstandaard en de sociale verworvenheden van de werkende klasse.

Offensief van het Duitse patronaat

Wat in feite een natuurlijke drang is van de burgerij, zoveel mogelijk munt slaan uit de arbeiders, wordt in de media omschreven als een noodzaak om een economische verschuiving naar het Oosten te voorkomen. Zeer veel economen betwijfelen of het verplaatsen van activiteiten naar Oost-Europa wel een gunstige oplossing is voor de Europese multinationals. De hogere arbeidsproductiviteit in het Westen zou de lagere arbeidskost in het Oosten meer dan compenseren. Het is dus zeer dubieus of hetgeen waarmee de multinationals dreigen, het vertrekken naar goedkopere landen, een dreigement, dan wel een werkelijkheid is. Wat zeker lijkt, is dat de economische neergang een uitgelezen kans is om bange arbeiders onder druk te zetten meer te presteren.

De toon werd gezet door elektronicagigant Siemens. Een kleine kijk op de laatste winstcijfers van het bedrijf kunnen enig licht werpen op de ‘noodzaak’ van een verhuis naar Polen en ander goedkope landen. Ondanks de neergang van de Europese economie, slaagde deze Duitse multinational er voor het boekjaar 2003 in zijn winsten af te romen op 2,445 miljard euro, een stijging van 47 procent ten opzichte van 2002. En in het eerste kwartaal van 2004 slaagden ze er zelfs in de winst na belastingen op te drijven tot 726 miljoen euro, nog eens 39 procent hoger dan in hetzelfde kwartaal vorig jaar. Ondanks deze cijfers dreigt de leiding constant met het verhuizen van zijn afdelingen in Duitsland, maar ook in België en andere landen van West-Europa, naar het Oosten. Meer arbeid voor hetzelfde geld krijgen is voor de directie van het bedrijf blijkbaar een prioriteit. De twaalf directeurs kregen in 2003 nochtans zelf een opslag van 52 procent.

Twintig jaar nadat de vakbond IG Metall door middel van een staking van zes weken een eerste stap kon zetten in de richting van de 35-urenweek, dwong Siemens in enkele gebieden van Duitsland zijn werknemers tot het aanvaarden van een 40-urenweek. Ondertussen is er een vloed van bedrijven die de trend willen volgen die Siemens gezet heeft. Algauw werd er niet meer van 40, maar van 42, 50 en zelfs 60 uren gesproken!

Aan voorbeelden is er geen gebrek. Opvallend is wel dat de toon voorlopig gezet wordt in de automobielindustrie. Zo eiste DaimlerChrysler een terugdringen van de kosten op de werkvloer. De arbeiders in Sindelfingen werden uitgekozen als proefkonijn. Onmiddellijk gingen de 60.000 werknemers van alle vestigingen in Duitsland aan het staken. De vakbond tekende echter een slecht akkoord met de directie waarbij de verlaging in kosten werd goedgekeurd in ruil voor de belofte (die geen enkele ondernemer kan houden) dat er geen ontslagen zouden vallen tot 2012. Andere namen in het lijstje zijn o.a. Volkswagen en BMW.

Dezelfde methodes en denkwijzen zijn echter ook buiten de privé-sector te vinden. Zo ontvouwde spoormaatschappij Deutsche Bahn, een staatsbedrijf, het plan voor een verhoging in werkuren van 38,5 naar 40 uur, zonder enige compensaties. Dit toont aan hoe sterk de ideeën van de burgerij verweven zijn met die van de zogenaamde linkse regering van Schröder. Want de aanvallen gaan verder dan de staatsbedrijven: heel het solidariteitssysteem, gaande van werkloosheidsuitkeringen tot de sociale zekerheid, wordt aangevallen.

De aanvallen op de werklozen en de welvaartsstaat

Hartz IV, zo worden tegenwoordig de aanvallen op de welvaartstaat in Duitsland genoemd. Een verwijzing naar Peter Hartz, de voorzitter van de overheidscommissie, tevens het hoofd van human resources bij autoproducent Volkswagen. Dat zegt al genoeg. In juli kwam de eerste publieke reactie op de maatregelen van Hartz IV, of agenda 2010, al naargelang wat het beste in de oren klinkt. Werklozen kwamen in steeds grotere getale op straat om te protesteren tegen de repressieve maatregelen. Eind augustus betoogden meer dan 100.000 mensen, nu niet enkel werklozen, in meer dan 200 steden en gemeenten overal in het land met de steun van lokale vakbonden, de ex-communistische PDS en de voormalige SPD-leider Oskar Lafontaine. Midden september werd een voorlopige piek bereikt met demonstraties in 222 gemeenten Een opmerkelijk aantal als men weet dat de nationale vakbonden weigerden hun leden op te roepen aan deze betogingen deel te nemen.

Deze verhitte situatie resulteerde in een aantal electorale nederlagen voor de huidige regeringspartijen bij regionale verkiezingen in september. Een daling van 44,4 procent naar 30,8 procent voor de SPD in Saarland bij een opkomst van slechts 55,6 procent, tegenover 69 procent in 1999. De conservatieve oppositiepartij CDU daarentegen haalde een gevoelige overwinning. Althans, zo lijkt het. Want de CDU haalt dan wel een hoger percentage van de stemmen, de gedesillusioneerde kiezers bleven massaal thuis, wat resulteerde in de lage opkomst van 55,6 procent. In werkelijkheid kreeg dus ook de CDU, door de lage opkomst, veel minder stemmen dan bij de vorige regionale verkiezingen. In de oostelijke staten Brandenburg en Saxen verloor de SPD, maar ook de CDU, zowel in relatieve als absolute cijfers. Ook de verkiezingen in de deelstaat Noordrijn-Westfalen, draaiden uit op een afstraffing van de traditionele partijen.

Maar waar zijn die andere percentjes en stemmen dan gebleven? Opmerkelijk is de opgang van de radicale partijen, met in de hoofdrol de voormalige communistische PDS en de neofascisten van de NPD. Het is een teken dat de bevolking zijn vertrouwen in de burgerlijke economie en politiek stilaan aan het verliezen is.

De weerslag op de SPD-basis

De Duitsers zijn niet blind voor de aanvallen op hun verworvenheden. Steeds meer mensen stellen zich vragen bij de huidige situatie. Het protest begon bij hen die het hardst getroffen waren, voornamelijk de werklozen, maar breidt zich op verscheidene manieren uit. Betogingen zijn duidelijke en sterke signalen, maar wat er binnen de SPD gebeurt, en hoe de politieke interesses van mensen verschuiven is zeker zo interessant.

De SPD verkeert in een crisis. Sinds 1998, het jaar van het aantreden in de regering, heeft de partij al 200.000 leden verloren en valt ze terug tot op 600.000 leden. Teleurgesteld door de opeenvolgende antisociale maatregelen, verliezen steeds meer partijleden het vertrouwen in Schröder en trekken zich terug uit de partij. Van een grote trek naar kleine linkse partijen is natuurlijk geen sprake.

Het krioelt van linkse initiatieven in Duitsland. Allen zijn ze reacties op Agenda 2010 en de neoliberale koers van de SPD. Zowel de PDS, een voormalige communistische partij, als Wahlalternative/ASG, een ‘electoraal initiatief’ met als samenstelling vooral vakbondsmilitanten en SPD-dissidenten trachten zich links van de SPD op te stellen. De leidraad in hun programma’s is bij beide dezelfde: een terugkeer naar de welvaartstaat van de tijden van Willy Brandt in de jaren ’70. Het gaat dus steeds om links-reformisme, geen revolutionaire breuk met het kapitalisme. Wahlalternative/ASG zou in het Westen wel eens kunnen aanslaan, daar waar de PDS, een Oost-Duitse partij van oorsprong, moeite heeft om door te breken. Een terugkeer naar de welvaartstaat van de jaren ’70 waar beide groepen voor pleiten, is echter niet zo vanzelfsprekend. Men kan zich eerst en vooral vragen stellen bij de mogelijkheden binnen de huidige economische realiteit. De situatie ziet er niet meer zo rooskleurig uit als in de jaren ’60 en begin jaren ’70. De gigantische economische opgang van toen maakte het beter mogelijk om geld vrij te maken voor de welvaartsstaat en de lonen beter te herverdelen. Tevens heeft men gedurende dertig jaar de klok zachtjesaan teruggedraaid, waardoor we nu in een situatie zitten waarbij de welvaartsstaat gemarginaliseerd is. Het opeisen van meer rechten en een grotere geldstroom van rijk naar arm, betekent een strijd aangaan met de heersende klasse. En die is natuurlijk niet happig om een deel van haar winsten af te staan aangezien ze in een constante strijd is met multinationals uit de VS, Japan, Frankrijk enzovoort. Het links-reformisme heeft noch de kracht noch het programma om de macht van het kapitaal te breken.

Ook in de SPD zelf groeit overigens de oppositie. Kenmerkend voor dat verzet is de verwachte terugkeer van Oskar Lafontaine. Op een regionaal partijcongres in Saarland werd Lafontaine getrakteerd op staande ovaties voor zijn kritiek op het beleid van Schröder. Vele Duitsers zien hem nog steeds als de linkse socialist bij uitstek, en zijn aantrekkingskracht op de massa’s is niet te onderschatten. Het illustreert perfect een van de fundamentele stellingen van het marxisme, namelijk dat de georganiseerde arbeidersklasse zich in de eerste plaats zal richten naar haar traditionele organisaties, zijnde de vakbonden en de grote socialistische partijen (in Duitsland SPD en PDS). Daardoor ontstaat een interne polarisatie die zich vroeg of laat ook uit in groeiende linkervleugel en mogelijke splitsingen naar links óf rechts. De marxisten moeten meewerken aan de versterking van die linkerzijde door te pleiten voor eenheid, maar steeds op basis van een eigen revolutionair programma. Daarom krijgen de links-reformisten van ons kritische steun, steun voor elke progressieve hervorming waar ze voor strijden, kritiek voor elke twijfel en stap achteruit.

De nood aan een socialistisch alternatief is immers groot. Een illustratie daarvan vinden we in een recente opiniepeiling gepubliceerd in augustus. Daarin peilde de Duitse Federale Dienst voor Statistiek naar de ideeën over socialisme. Hieruit bleek dat meer dan drie kwart van de Oost-Duitsers een positieve kijk heeft op het socialisme, maar (correct) van mening is dat het op een verkeerde manier in de praktijk is gebracht. Ook in het Westen steunde 51 procent van de ondervraagden deze visie.

Dit onderzoek, en de radicalisering van de massa’s in Duitsland, in de vorm van betogingen en electorale uitslagen, tonen aan dat een socialistische oppositie wel degelijk een grote steun zou kunnen vinden, niet alleen in Duitsland zelf, maar ook in de rest van Europa. Want de toestand in Duitsland lijkt slechts een voorloper te zullen worden van een westerse politieke en sociale crisis.

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Onze boeken

Onze boeken