In vorige artikels legden we uit hoe dat de algemene staking van 16 april niet uit de lucht viel maar deel uitmaakte van een algemeen proces van radicalisatie. Na deze algemene staking heeft de regering, duidelijk verrast door de omvang van het protest en gewikkeld in interne moeilijkheden, gepoogd tijd te winnen. Berlusconi had er alle belang bij om ter voorbereiding van de deeltijdse plaatselijke verkiezingen van 26 en 27 mei het stigma van het sociale protest uit te wissen uit vrees dat het zijn populariteit zou aantasten. De vakbondsleiders hadden onmiddellijk na de staking moeten proberen de regering verder in het nauw te drijven, de tegenstellingen in het rechtse kamp maximaal uit te buiten en een nieuw eisenprogramma aan te bieden stoelend op de uitbreiding van het artikel 18 (die de afdankingen bemoeilijkt) naar alle arbeidscategorieën. In plaats van nieuwe betogingen en regionale stakingen die hadden kunnen uitmonden in een nieuwe algemene staking volgde er een oorverdovende stilte bij de syndicale toppen.

Hierdoor is het initiatief weer in het kamp van de regering beland. Berlusconi heeft zijn oorspronkelijk wetsvoorstel (nr. 848) over het artikel 18 teruggetrokken en vervangen door een nieuw voorstel (nr. 848 bis) waardoor de bescherming tegen afdanking afgeschaft wordt voor arbeiders en bedienden in bedrijven met meer dan vijftien personeelsleden. Bovendien wil hij onderhandelingen openen met de vakbonden over de fiscaliteit, het zwart werk en de situatie in het arme zuiden van Italië, de Mezzogiorno.

Zoals te verwachten was waren de leiders van de meer gematigde of rechtse vakbonden, de CISL en de UIL, opnieuw bereid te onderhandelen en beslisten alle acties – voorlopig - op te schorten. De CGIL echter, plant een vergadering van het Centraal Comité voor 11 en 12 juni om een aangepast antwoord op dit regeringsmaneuver te formuleren "zonder zelf een nieuwe algemene staking uit te sluiten".

De metaalcentrale van de CISL deelt het standpunt van haar confederale leiding niet en kondigt aan dat het toch zal deelnemen aan de nieuwe mobilisaties. Binnen de UIL hebben twee nationale leiders een dringende bijeenkomst gevraagd van het Centraal Comité teneinde de beslissing van de Algemeen Secretaris terug te schroeven.

Is het dan gelijk spel, om maar eens voetbaltermen te gebruiken? In zekere zin wel. Maar de arbeidersbeweging die in april erin geslaagd was de regering in moeilijke nesten te brengen is er niet in geslaagd te scoren. Een nieuwe gelegenheid moet dan ook geschapen worden.

Wat is er ondertussen in het sociale en politieke landschap veranderd?

Plaatselijke verkiezingen voor 12 miljoen kiezers

De deeltijdse plaatselijke verkiezingen van 26 en 27 mei mondden uit in een interessant maar geen beslissend politiek resultaat. Voor de eerste keer in drie jaar lijden de rechtse partijen stemmenverlies. Vooral Forza Italia krijgt klappen. De impact van de mobilisaties van de lente zorgen voor de inkrimping van het aandeel van ‘het centrum’ in de Olijfboomcoalitie ten voordele van alle arbeiderspartijen. De Linkse Democraten (DS) zitten in de lift met een stijging van 3 procent dankzij wat beschreven wordt als het ‘Cofferati-effect’. In veel mindere mate gaat de communistische PRC vooruit met 0,6 procent. De PRC betaalt hier het gebrek aan een krachtige politiek rond de centrale thema’s van het politieke moment. De leiders van de PRC werden volledig verrast door de opgang van de arbeidersstrijd. Het laatste jaar hadden ze een perspectief opgebouwd dat alle radicalisatie deed draaien rond de as van de antiglobaliseringsbeweging… Het is pas na de algemene staking van 16 april dat Bertinotti reageert en een petitiecampagne voorstelt voor een referendum rond de uitbreiding van het artikel 18 naar de bedrijven met minder dan vijftien personeelsleden. De kameraden van Falce Martello [de Italiaanse Vonkisten, n.v.d.r.] in de PRC zien dit voorstel van de PRC helemaal niet zitten en steken hun kritiek niet onder stoelen of banken. Ten eerste is de kans dat zo’n referendum kan plaats vinden ten vroegste in 2003. Dit betekent in de praktijk de ontkenning van de mogelijkheid om vandaag - dankzij strijd – de krachtsverhoudingen te veranderen in Italië. Evenmin wijzigen we zo de gevoerde koers van de vakbonden of trachten we de regering Berlusconi ten val te brengen, wat een veel voordeliger omgeving zou scheppen voor de hele linkerzijde. Daarenboven zien we helemaal niet in waarom en hoe het electorale terrein (waar iedereen kan stemmen) voordeliger zou zijn dan de strijd op de werkplaatsen waar de macht van de arbeidersklasse ongetwijfeld veel groter is.

Tijdens de plaatselijke kiescampagnes, waar weinig mensen aan hebben deelgenomen, draaide de interessepunten van de mensen rond het artikel 18, de gezondheidssector en het openbare onderwijs. In Genua, de belangrijkste stad in deze verkiezingen, behaalde de kandidaat van de Olijfboomcoalitie 65 procent van de stemmen. Intern merken we een verschuiving ten voordele van de PDS die van 30 procent naar 40 procent van de stemmen klimt terwijl de rechterzijde in de coalitie rond de Margerita van Rutelli het moet stellen met 8,4 procent tegenover 11,3 procent voordien.

Perspectieven

Elke dag die voorbij gaat maakt het duidelijker voor de brede publieke opinie dat de afschaffing van artikel 18 Berlusconi moet helpen de vakbondsmilitanten in de bedrijven het zwijgen op te leggen om zo de vrije hand te krijgen. Berlusconi beseft goed dat zolang er een sterke vakbond is zoals de CGIL – die ondanks het feit dat de leiding ervan bereid was tot zeer grote toegevingen nog steeds de meest strijdbare arbeiders verenigt – hij niet over de nodige vrijheid beschikt voor zijn antisociaal beleid. Bovendien beseft hij dat de opkomst van een nieuwe strijdbare en eisende linkerzijde verbonden is aan de stijgende conflictgraad in de bedrijven. De resultaten van de plaatselijke verkiezingen geven dit ook aan. Daarom voelt hij zich verplicht kunstmatige veranderingen aan te brengen aan zijn doelstelling, namelijk het verpletteren van de arbeidersbeweging.

Tot nu is hij erin geslaagd tijd te winnen en opnieuw de vakbondsleidingen te verdelen. In de bedrijven is het klimaat nog steeds strijdbaar alhoewel het Wereldkampioenschap en de zomer een zekere negatieve rol spelen. Een nieuwe algemene staking nog voor augustus is helemaal niet uitgesloten. Het is zelfs waarschijnlijk. Een nieuwe algemene staking zou kunnen rekenen op grote steun. Maar een nieuwe werkonderbreking zoals deze van 16 april zal het veel moeilijker hebben om de regering in even slechte papieren te brengen als toen. De krachtmeting zal zich dan verder zetten in de herfst net 33 jaar na de hete herfst van 1969, de fameuze ‘automno caldo’. Toen werd de hele Italiaanse samenleving tot in haar grondvesten tot daveren gebracht. Zoiets kan zich vandaag opnieuw herhalen. Alle partijen, vakbonden, politieke programma’s en de toekomstplannen van tientallen miljoenen mensen werden toen in vraag gesteld. Zich baserend op een oppervlakkige lectuur van de verkiezingsresultaten zingt de burgerlijke pers overal het refrein van de ‘zwaai naar rechts in heel Europa’. Dat refrein zal dan in de volgende periode snel wegsterven.

Tijdschrift Vonk

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken