De situatie in Venezuela blijft turbulent. De revolutionairen grepen de verdwazing van de oppositie na hun de verpletterende verkiezingsnederlaag aan om op de gaspedaal te drukken. Toch bijt de oligarchie terug want haar privileges staan op het spel.

Het eerste scharniermoment van het jaar was de eedaflegging van de nieuwe regering. Op woensdag 10 januari legde Chavez de eed af voor een nieuwe ambtstermijn als president van Venezuela en hij gaf een redevoering waarin hij zijn kabinetsmedewerkers voorstelde en de hoofdlijnen van zijn regering herhaalde, zoals hij reeds had gedaan tijdens een belangrijke toespraak op maandag 8 januari. Toen kondigde hij de zogenaamde ‘Cinco Motores’ of ‘Vijf Motoren’ van de revolutie aan. Deze bestaan uit een nationaal programma van debatten en politieke vorming (‘Moral y Luces’), de uitbouw van de ‘gemeenschapsraden’ als basis voor een nieuw staatsapparaat, de voorlopig vage ‘nieuwe geometrie van de macht’, een hervorming van de grondwet en de veelbesproken ‘ley habilitante’ of ‘volmachten’ voor de president voor een periode van 18 maanden.

De samenstelling van zijn nieuwe regering kan worden beschouwd als een verschuiving naar links. In de eerste plaats is vice-president Jose Vicente Rangel vervangen; hij was het die zich publiekelijk had uitgesproken tegen de onteigening van het golfterrein van Caracas door burgemeester Juan Barreto en die expliciet stelde dat de regering privé-eigendom respecteert. Hij is vervangen door Jorge Rodriguez, die doorgaans wordt gerekend tot de linkerzijde van de Bolivariaanse beweging. Zijn vader, van wie hij dezelfde naam erfde, was een historische leider van het Socialistische Verbond (Liga Socialista) in de jaren 1970 en stierf ten gevolge van foltering in gevangenschap bij de geheime politie.

Chavez onderstreepte ook het feit dat “we voor de eerste keer in de geschiedenis een minister hebben van de Communistische Partij van Venezuela”, verwijzend naar David Velasquez, de nieuwe minister van Volksmacht voor Participatie en Sociale Ontwikkeling. De Communistische Partij van Venezuela speelde echter geen voorhoederol in de Bolivariaanse Revolutie. Voor Chavez begon te spreken over de noodzaak verder te gaan dan het kapitalisme, beklemtoonde de PCV dat socialisme niet bovenaan de agenda stond en dat de Revolutie in dat stadium alleen een revolutie was tegen het imperialisme, waarmee ze de oude stalinistische theorie van de twee stadia herhaalde. De partij was dan ook compleet verrast door de aankondiging van Chavez over de nood aan strijd voor socialisme en maakte een snelle bocht van 180 graden om zich aan te sluiten bij de woorden van Chavez, waarmee ze zodoende de gebeurtenissen achterna holde in plaats van de leiding te nemen.

Onder de nieuwe ministers die in de regering werden opgenomen, stelde Chavez ook de nieuwe minister van Arbeid aan, José Ramón Rivero, die hij beschreef als “jong en een arbeidersleider”. “Toen ik hem contacteerde”, legde Chavez uit, “zei hij me: ‘president, ik wil u iets vertellen voor iemand anders dat doet:…Ik ben een trotskist, en ik zei: wel, wat is het probleem? Ik ben ook een trotskist! Ik volg de lijn van Trotksi, die van de permanente revolutie.” José Ramón Rivero was een vakbondsleider in de genationaliseerde aluminium smeltoven Venalum, gevestigd in de industriestaat Bolivar, en was een van de parlementsleden voor het Bolivariaanse Arbeidersfront, de FBT. De laatste tijd wordt de FBT gedomineerd door zijn meest gematigde elementen, die een campagne hebben gelanceerd tegen de linkervleugel van de nieuwe vakbond, de Union Nacional de Trabajadores (de UNT). Het blijft afwachten wat de houding van Rivero als minister van Arbeid zal zijn. Hij zal beoordeeld worden op zijn positie ten opzichte van arbeiderscontrole, bedrijfsbezettingen, nationaliseringen en de verdediging van arbeidersrechten.

Duwen op de gaspedaal van de revolutie

De uitspraak van Chavez dat hij een trotskist is, weerspiegelt de evolutie van zijn politieke denken naar links en zijn persoonlijke radicalisering. Aan het begin van de Venezolaanse revolutie in 1998 gaf Chavez openlijk toe dat hij de ‘derde weg’ verkoos en op geen enkele manier het kapitalisme op zich in vraag stelde. Het was pas in januari 2005, ten tijde van de onteigening van Venepal, dat hij voor het eerst zei dat “er binnen de grenzen van het kapitalisme geen oplossing is voor de problemen waarmee de Venezolaanse massa’s worden geconfronteerd” en dat de revolutie moet streven naar het “socialisme van de 21ste eeuw”. Deze verandering in zijn politieke denken was het resultaat van meerdere zaken, zo zei hij, van lectuur, discussies en de ervaring van de Bolivariaanse Revolutie (pogen basishervormingen zoals gratis gezondheidszorg en onderwijs voor iedereen toe te passen en geconfronteerd worden met een gewapende opstand door de kapitalistische klasse).

Kort voor hij zich socialist verklaarde, had hij een exemplaar gekocht van Trotski’s ‘Permanente Revolutie’, op een bijeenkomst in Madrid waar hij voor een publiek van arbeiders en jongeren sprak in het hoofdkwartier van de Spaanse vakbond CCOO. Hij was duidelijk geïnteresseerd in de ideeën van Trotski, aangezien die een socialistisch ideaal leveren dat diametraal tegenover de stalinistische karikatuur staat die in de Sovjetunie was ontstaan. In dezelfde periode legde hij tijdens een interview met Al Jazeera uit dat hij van mening is dat datgene wat in de Sovjetunie was ontstaan “geen socialisme was, wat daar bestond had zich ver verwijderd van de oorspronkelijke doelstellingen van Lenin en Trotski, in het bijzonder na Stalin”.

Dit betekende een belangrijk keerpunt in de Bolivariaanse Revolutie en opende het debat over socialisme en zijn betekenis in de gehele Venezolaanse maatschappij. De recente aankondigingen van Chavez kunnen in hetzelfde licht gezien worden als een nieuw cruciaal keerpunt in de revolutie.

Chavez benadrukte eveneens dat de nieuwe ministers “ministers van volksmacht” zijn en dat ze van maandag tot woensdag in hun kantoren hun taken zouden moeten uitvoeren, maar van donderdag tot zondag “zich op straat moesten begeven om een actieplan te implementeren”. “Niets, niemand zal in staat zijn ons af te leiden van de weg naar het Bolivariaanse socialisme, ons socialisme”, benadrukte hij. Tijdens de eedaflegging als president verklaarde hij dat hij als doel had de Bolivariaanse Socialistische Republiek van Venezuela op te richten, en zelfs de formulering die hij gebruikte om de presidentiële eed af te leggen was openlijk socialistisch. “Ik zweer voor volk en vaderland dat mijn arm noch mijn ziel zullen rusten; dat ik mijn dagen en nachten en mijn hele leven zal geven aan de opbouw van het Venezolaanse socialisme, een nieuw politiek systeem, een nieuw sociaal systeem, een nieuw economisch systeem.” En hij besloot zijn toespraak met de nieuwe strijdkreet “Vaderland, Socialisme of de Dood!”

Sinds de aankondiging van deze maatregelen kwamen zoals beloofd CANTV (telecommunicatie) en Electricidad de Caracas (elektriciteitsleverancier) in overheidshanden. Dit gebeurde echter niet door onteigening maar door de opkoop van een meerderheid aan aandelen uit de handen van multinationals. Dat zorgt wel voor wrevel omdat deze buitenlandse operatoren deze voormalige overheidsbedrijven jarenlang netjes hebben geplunderd. Niettemin blijven het enorm progressieve maatregelen. Hetzelfde gebeurde op 1 mei met de olieondernemingen actief in het bekken van de rivier Orinoco. Een eerste directe gevolg van de overname van CANTV is de daling van de telefoontarieven met 20 procent. De landlijnen en de vaste lijnen naar kleine gemeenschappen en dorpen worden waar gemaakt.

Nieuwe democratische en revolutionaire instellingen

Een van de meest hoopgevende trekken van de politieke evolutie is de uitbouw van de ‘consejos comunales’ of gemeenschapsraden. Dit zijn democratisch verkozen politieke organen op plaatselijk vlak. Ze zijn samengesteld uit woordvoerders, die permanent afzetbaar zijn door een algemene vergadering die in de steden van 200 tot 400 families bijeenbrengt in de wijken. Deze consejos comunales maken een inventaris op van de noden van de wijk en vragen hiervoor de nodige begroting. Deze raden kunnen ook het initiatief nemen voor bezettingen van gronden, leegstaande bedrijven enzovoort. Vandaag bestaan er zo’n 16.000. Er wordt naar 33.000 gestreefd voor het einde van het jaar.

Volgens journalisten van Vive TV, de tweede openbare omroep, moet de helft van deze consejos nog echt in werking treden. Een van de problemen is dat ze steunen op de wijken en niet op stabielere productie-eenheden bijvoorbeeld. In de wijken is de homogeniteit nogal zwak als gevolg van de overheersend informele sector, de veelheid van taken die bijvoorbeeld huismoeders op zich moeten nemen, het veelvoud aan uurroosters, soms uiteenlopende belangen enzovoort. Nu is er ook sprake van het lanceren van ‘arbeidersraden’ in de bedrijven. Deze ‘consejos de trabajadores’ zouden de gemeenschapsraden enorm kunnen versterken dankzij de typische cohesie van het arbeiderscollectief en vakbondservaring.

Dit is bijvoorbeeld het geval in Los Teques, een buitenwijk van Caracas, waar de fabrieksraad van een bedrijf onder arbeiderscontrole, Inveval, de plaatselijke gemeenschapsraden met raad en daad bijstaat. Inzet daar is bijvoorbeeld de strijd tegen een private onderneming belast met de huisvuilomhaling. Deze onderneming is zo incompetent en enkel gericht op winstbejag dat er zich een waar probleem stelt van volksgezondheid. Gemeenschappelijk hebben de arbeiders van Inveval en de wijkbewoners nu een plan van acties en eisen geformuleerd voor de overname van deze onderneming door de overheid en onder controle van de gemeenschappen. Hier, net zoals op veel andere plaatsen, komen de ‘consejos comunales’ in aanvaring met de oude plaatselijke burgerlijke staatsstructuren. Deze ondoorzichtige, vermolmde instellingen maken deel uit van wat Chavez het burgerlijke staatsapparaat noemt. “Deze moeten ontmanteld worden.” Het zijn de vluchtoorden van de voormalige ambtenarij, geërfd van de Vierde Republiek, met endemische corruptie. Zij gaan op de rem staan en saboteren alle maatregelen van de regering want ze zijn even bang van de ‘participatieve democratie’ als duivels van een wijwatervat.

De Italiaanse revolutionair Gramsci gaf aan het begin van de 20ste eeuw een rake formule die de overgangstoestand van de staatsinstellingen weergeeft in het huidige Venezuela. “Het oude wil niet sterven en het nieuwe is nog niet geboren.” Niet toevallig verwijst Chavez naar deze zinsnede in zijn toespraken. Het nieuwe is echter wel reeds geboren, maar wordt door het ‘oude’ permanent bedreigd in zijn overlevings- en groeikansen. De economie, het terrein bij uitstek waar de revolutie op zal afgerekend worden, kampt met dezelfde tegenstelling.

De doolhof van de Venezolaanse economie

Half mei kondigde de minister Jorge Giordani een aantal cijfers aan van de economische groei in het land. Hierin viel op dat de Venezolaanse economie haar veertiende opeenvolgende kwartaal van groei heeft gekend, met 8,8 procent. Dit is de grootste groeivoet van het continent. Hiermee grijpt Venezuela terug naar groeipercentages van de jaren 1950. Belangrijker nog is te weten dat 80 procent van die groei te wijten is aan de niet petroleumgebonden sectoren. Dit is goed nieuws voor een economie met de erfenis van een renteniershuishouding steunend uitsluitend op de olie-inkomsten. Ook vermeldde de minister de spectaculaire groei van de vraag als gevolg van de revolutie, die nu instaat voor de verdeling van de oliewinsten aan de meerderheid van de armen. Tot nu toe waren de oliewinsten het monopolie van een rijke minderheid. Het minimumloon is nu vastgelegd op 290 euro (zonder rekening te houden met de maaltijdcheques die in de meeste sectoren zijn toegekend). Dit is het hoogste minimumloon van het continent. De ‘misiones’ of sociale programma’s, de stijging met 100 procent van het aantal gepensioneerden opgenomen in het sociale zekerheidsstelsel, de grote openbare werken, de daling van de interestvoeten, de toelagen voor de aankoop van woningen, de controle op de wisselkoersen staan allemaal in voor een reusachtige verhoging van de geldmassa in omloop. Sommige experten beweren dat er nooit zoveel geld heeft gecirculeerd in de economische geschiedenis van het land. Niet toevallig moet een analysebureau -Datanalysis- verbonden met de rechtse oppositie toegeven dat de armste lagen van de bevolking (groep D en E volgens hun opdeling van de bevolking) hun koopkracht hebben zien stijgen met 300 procent!

Deze sterke stijging van de vraag is eigenlijk een historische revanche van de armsten, die steeds werden uitgesloten uit de vorige modellen van economisch beleid. Maar deze evolutie vindt plaats tegen een achtergrond waarin het aanbod van zowel voedselproducten en andere totaal tekort schiet. Om aan de verhoogde vraag te kunnen beantwoorden besloot de regering beroep te doen op invoer. In 2006 brak Venezuela dus een ander record, namelijk dat van de uitgaven voor invoer, het gaat meer bepaald om 35 miljard VS-dollar. Dit is een graadmeter van de zware productiecrisis. Nochtans werken de meeste bedrijven op maximumcapaciteit. Op de maximumcapaciteit echter van een economie die al jaren nauwelijks investeert in de uitbreiding van het machinepark of in de verbetering van de technologie. De vorige jaren zijn gekend in economische middens als een periode van groei zonder noemenswaardige investeringen (enkel vervanging, onderhoud van de productiecapaciteit en investering in zeer korte termijnprojecten, financiële operaties, enz.). Het bedrijvenpark is in minder dan tien jaar gekrompen van 11.000 naar 7.000 ondernemingen. Het productievolume van de industrie was 1 procent lager in 2005 dan in 1997. Het economische apparaat is zodanig verzwakt dat het niet kan voldoen aan de stijging van de vraag. De openbare investeringen zijn daarom vandaag de belangrijkste motor van de investeringen.

Het patronaat en haar verschillende sectorale organisaties leggen de schuld voor deze asymmetrie tussen vraag een aanbod bij de controlemechanismen die de revolutionaire regering heeft opgelegd. Op de vraag waarom ondanks het gunstige economische klimaat de bedrijfsleiders nauwelijks investeerden, kon de minister tijdens een persconferentie niet echt antwoorden. Het antwoord ligt nochtans voor de hand: de revolutie. In de context van een revolutie is het te ‘begrijpen’ dat de burgerij een beetje terughoudend is om te investeren in kapitaal. De prijscontroles bijvoorbeeld hinderen de verhoging van de winstvoet. Daarom proberen ze het maximum te halen uit de bestaande productiecapaciteit zonder die ook maar te willen uit breiden. De investeringen verminderen omdat de vorming van arbeidersraden (Consejos de Trabajadores) die de activiteit van het bedrijf moeten controleren niet past in het plaatje van de winstmaximalisatie. Veiligheidscomités, controles op de prijzen en werkzekerheid botsen met de logica van de kapitalisten. Ze zijn ook bevreesd voor onteigeningen. Hun investeringen zijn niet ‘veilig’. Luis Vicente Leon, directeur van het reeds vernoemde studiebureau Datanalysis, windt er geen doekjes om: “De ondernemers voelen zich bedreigd door de juridische omgeving, de prijscontroles, de arbeidswetgeving, het politieke discours.” De redenen voor de investeringsstaking zijn dus meer politiek dan zuiver economisch.

Voedselsoevereiniteit versus kunstmatige schaarste

In de voedselindustrie doet die economische boycot zich het sterkst voelen. Hier weigert het patronaat niet alleen de productiecapaciteit te verhogen, zelfs de bestaande productiecapaciteit wordt niet volledig benut. Regelmatige tekorten van voedselproducten (eieren, melk, suiker, vlees, kip, bakolie enz.) op openbare of privé-markten of supermarkten maken deel uit van de economische oorlog van lage intensiteit tegen de Bolivariaanse Revolutie. De oligarchie in het bijzonder in de agrobusiness organiseert openlijk economische sabotage. Dit is geen nieuw fenomeen. Maar sinds het begin van het jaar is de intensiteit en de regelmaat van de ‘georganiseerde voedselschaarste’ toegenomen. Een echte krachtmeting heeft hier plaats tussen de revolutie en de contrarevolutie. Het opzet bestaat in het ondermijnen van de regeringsinspanningen om te voorzien in de voedselbevoorrading van het land. Het is ook een terrein waar sommige van de zwakheden van de revolutie op de voorgrond komen. Het feit alleen al dat de belangrijkste voedingsondernemingen, het transport, de distributienetwerken nog steeds in privé-handen zijn, met andere woorden in kapitalistische handen, is een grote bedreiging voor de revolutie.

In de melkindustrie is de toestand typerend. Een meer gedetailleerde analyse van deze sector legt de mechanismen bloot achter de ‘schaarste’. Vandaag wordt ongeveer twee derde (64,3 procent) van de productiecapaciteit van de melkindustrie niet gebruikt. Zes bedrijven met een totale dagelijkse capaciteit van 4,7 miljoen liters melk, produceren slechts 1,7 miljoen liter of 35,7 procent van de volledige capaciteit. De gegevens van de Kamer van Koophandel van de melkindustrie (CAVILAC) zijn veelzeggend. In de laatste 8 jaar is de melkproductie gedaald. In 1998 werd er 1.410 miljoen liter melk geproduceerd. In 2006 is het volume gedaald naar 1.250 miljoen liter. Genaro Méndez, voorzitter van de Federacion Nacional de Ganadores (FEDENEGA), gaat nog verder: “De melkproductie is gedaald in de laatste 17 jaar. We zijn ver van de piek van 1998 (…) De beslissingen van de regering [de prijscontroles, n.v.d.r.] stimuleren de vraag maar niet de productie.”

Vandaag staat de productie per capita van melk op 42,4 liter per jaar. Dit is het niveau van… 1952. Import van melkpoeder is gestaag blijven stijgen de laatste 20 jaar. In 1986 produceerde Venezuela 86 procent van de melk die werd verbruikt in eigen land. Slechts 14 procent werd ingevoerd. In 2006 werd 39 procent van de verbruikte melk geïmporteerd. De industrie schat de hoeveelheid melk die moet ingevoerd worden om aan de behoeften te voldoen op 120.000 ton. De internationale marktprijzen blijven echter maar stijgen als gevolg van de groeiende vraag van China en India. Mogelijk is er op de wereldmarkt onvoldoende aanbod.

Hoe kan dat allemaal worden verklaard? Roger Figueroa van Cavilac is hier uitermate duidelijk. “Een liter melk produceren om het te moeten verkopen tegen een gereguleerde prijs van 1860 bolivares is niet winstgevend genoeg.” Met andere woorden: “Zolang we niet genoeg winst kunnen puren uit de melkproductie, krijgen jullie geen melk.”

Het antwoord van de regering op de economische sabotage bestaat er onder andere in nieuwe staatsmelkbedrijven uit de grond te stampen. Dit gebeurt met behulp van Iraanse know-how. Een van deze bedrijven werd onlangs geopend in de staat Zulia. Meer van die bedrijven zullen dit jaar het licht zien en in staat zijn een totaal van 216.000 melk per dag en 78 miljoen liter per jaar te produceren. Dit is ongetwijfeld een stap in de goede richting, maar onvoldoende om in te staan voor de huidige vraag naar melk en het tekort van de private productie op te vangen.

Een antwoord van sommige sectoren van de regering is de verhoging van de invoer. Tijdelijk brengt dit wel soelaas en verhindert het een openlijke confrontatie met de oligarchie van de voedselindustrie. De voedselbarons zullen echter niet lijdzaam toezien hoe ze weg worden gemanoeuvreerd uit hun sector. De sabotage zal daarom niet verminderen. Het beleid van massale voedselinvoer gefinancierd door de olie-inkomsten botst wel met het strategische doel van voedselsoevereiniteit die de regering zich stelt. Voedselveiligheid wordt nu gewaarborgd door massale invoer die het op zijn beurt moeilijk maakt om in te staan voor eigen of endogene voedselproductie.

Hetzelfde gebeurt in andere sectoren zoals de suikerproductie. Op de markten heerst er tekort aan suiker. Dit is niet omdat er onvoldoende wordt geoogst. De suikerfabrieken weigeren gewoonweg een gedeelte van de oogst op te kopen en te verwerken. De leiders van de belangrijkste boerenorganisatie, het Frente Nacional Campesino Ezequiel Zamora, berekenden dat vorig jaar als gevolg hiervan de oogst van 5000 hectare suikerriet niet werd verwerkt. Dit jaar wordt dit geschat op 15.000 hectare.

De boeren blijven echter niet bij de pakken zitten. Eind mei organiseerden ze een symbolische bezetting van de zetel van de Venezolaanse patroonsorganisatie, Fedecamaras. De boodschap van de boerenorganisatie was duidelijk. “Wij weten dat jullie achter de kunstmatige voedselschaarste staan, achter deze economische sabotage. Indien jullie onze oogst niet opkopen en verwerken, indien jullie het land niet willen voeden dan gaan we over tot de overname van jullie bedrijven.” “¡Si nos quitan la comida, les quitamos sus empresas!”, luidt dit in het Spaans.

Chavez zelf bedreigde de voedselindustrie met onteigening. Hij riep ook de burgermeesters en gouverneurs op om plaatselijke slachthuizen of industriële koelplekken in overheidshanden te brengen. Velen gingen hier niet op in. De meesten onder hen zijn immers reformisten die geen haar willen krenken van het kapitalistische privé-bezit. Midden in de maand juni, gaf Chavez daarom nieuwe en zeer duidelijke instructies aan de minister voor Lichte Economie, Maria Cristina Iglesias. Elk bedrijf dat betrapt wordt op ‘hamsteren’ of andere economische sabotage zal op staande voet worden onteigend!

Debat over eigendom

Het debat over het eigendom krijgt daarom een nieuwe impetus. De concrete ervaring van strijd voedt vragen zoals “wat is socialistische eigendom?” en “welke zijn de grenzen aan de privé-eigendom van bedrijven en landgoederen?”. Het debat is nog niet beslecht. De kleine maar opvallende beweging van bezette bedrijven verenigd in het Freteco, het ‘Revolutionaire Front van Arbeiders van de Bedrijven in Medebeheer’, speelt hierin een sleutelrol. Begin dit jaar organiseerden ze een nationale betoging ter ondersteuning van de onteigening en nationalisatie onder arbeiderscontrole van het bedrijf Sanitarios Maracay. Deze onderneming werd eind vorig jaar gesloten door de baas, maar onmiddellijk bezet door de arbeiders. Vanaf dag een van de sluiting werd de productie opnieuw gestart onder het toezicht van een democratisch verkozen fabrieksraad. Binnenkort zal het parlement de nationalisatie van dit bedrijf ondersteunen. Samen met andere bedrijven zoals Inveval spelen zijn een pioniersrol in het debat en de levendige strijd over de economie. Niet toevallig legt Chavez zelf zijn oor te luister bij bepaalde leiders van het Freteco. Sommige ministers doen dit ook. Het Freteco is voor de uitbreiding van de nationalisatie van de ondernemingen onder de democratische controle van arbeiderscollectieven en de gemeenschappen.

Indien de ervaring van Inveval of Sanitarios Maracay niet wordt uitgebreid dan riskeren ze roemloos ten onder te gaan in een zee van een economie die nog steeds op kapitalistische leest is geschoeid. De nieuwe vakbond, de Union Nacional de Trabajadores (UNT), kan hierin ongetwijfeld een belangrijke rol spelen. Dat is ook de vraag die komt uit de bezette en overgenomen bedrijven aan de leiding van de UNT. De UNT, zeggen ze, moet het initiatief nemen voor een nationale beweging van bedrijfsovernames. Stappen in die richting werden gezet in het begin van het jaar maar zijn nu spijtig genoeg gestrand.

Het is niet enkel de beweging van bezette bedrijven die de discussie over nationalisatie voedt in deze revolutie. De dynamiek zelf van de revolutie en de contrarevolutie duwt Chavez en het ‘proces’ op dat terrein. Neem bijvoorbeeld de staalindustrie. Sidor is het grootste staalbedrijf van het land en bevindt zich in het Venezolaanse ‘Ruhrgebied’ in de staat Bolivar. Sidor werd geprivatiseerd onder voorgaande regeringen. Nu is dit industriële ‘juweel’ in handen van onder andere Braziliaans kapitaal. Sidor schakelt zich echter niet in de economische doelstellingen van het revolutionaire project van Venezuela in. Dit betekent onder andere dat het staalproducten, buizen bijvoorbeeld, verkoopt aan multinationals die deze producten opnieuw voor een hogere prijs verkopen aan de Venezolaanse overheid of ondernemingen. Onder de arbeiders van Sidor leeft de eis van hernationalisering zeer sterk. Chavez eiste daarom onlangs dat Sidor goedkope producten zou leveren aan de Venezolaanse economie en zich ten dienste moet stellen van de economische doelstellingen van de revolutie. Indien dat niet gebeurt, zou Chavez, Sidor onmiddellijk nationaliseren. Ook de banken en financiële instellingen kregen van Chavez waarschuwende woorden over nationalisatie.

Niet toevallig zal de nieuwe grondwetshervorming belangrijke wijzigingen proberen aan te brengen aan het privé-bezit. Chavez heeft het bij het rechte eind wanneer hij verklaart dat de grondwetshervorming van 1999 “geïnfiltreerd was door kapitalistische elementen”. Wat er precies gaat veranderen is niet duidelijk. Maar indien Venezuela resoluut de weg wil opgaan van het socialisme dan moet het zich de middelen geven om over te kunnen gaan tot een algemene nationalisatie van de sleutelsectoren van de economie. 98 procent van de bevolking hoeft hier niet te vrezen voor haar eigendom. Wat geviseerd wordt zijn de eigendommen van de industriële, financiële en landoligarchie. Zowel die in het bezit van inheemse families als deze in de handen van buitenlandse ondernemingen.

Een nieuwe socialistische partij

Een van de meest spectaculaire veranderingen van het voorjaar speelt zich af op het terrein van de politieke partijen die Chavez steunen. Deze politieke formaties bestrijken het brede spectrum van de linkerzijde, gaande van de sociaal-democratische Podemos over Patria Para Todos en de Movimiento Quinta Republica (de Chavez-partij bij uitstek) tot aan de PCV (de kleine communistische partij), de Liga Socialista en de Tupamaros. Veel van die partijen en hun leiders leven op en van de populariteit van Chavez. Dikwijls zijn het geen echte partijen maar vage kiesgroepen en bewegingen. De leiders in die partijen kiezen… zichzelf. Iets wat de Venezolanen, met hun typische zin voor humor, de ‘dedocracia’ noemen (‘dedo’ staat voor vingers, verkiezing door vingeraanduiding van hogerop in plaats van ‘democracia’). De overgrote meerderheid van deze partijen en hun leiders hebben weinig of geen legitimiteit in de ogen van de massa’s die Chavez steunen. Deze partijen zijn dan ook geen instrument in de handen van diezelfde massa’s om hun verzuchtingen over te brengen of als plaats van politieke vorming en zelforganisatie. In de vorige jaren hoorden wij dikwijls aan de basis de mensen zuchten: “Hier is nood aan een echte revolutionaire linkse massapartij.” De massa’s hebben geen instrument van politieke verandering en Chavez en de revolutionairen in de regering hebben geen politieke hefboom in de maatschappij. Vandaar het idee van een ‘eenheidspartij’ van de linkerzijde waarvoor Chavez in het begin van de kiescampagne opriep. Hij gaf het kind onmiddellijk een voorlopige naam, de Partido Socialista Unida de Venezuela of PSUV. Reagerend op de kritieken die leven onder de basis ‘Chavista’ waarschuwt de president dat in deze partij eenieder die ‘leider’ wil zijn of een verantwoordelijkheid wil opnemen, democratisch moet verkozen zijn door de basis.

Dit zorgt voor opschudding en zure oprispingen bij een gedeelte van de oude partijleiders. Ook het openlijk socialistisch en revolutionaire karakter, voorlopig zonder programma, zet kwaad bloed bij de rechtse reformistische sectoren van het chavisme. Leiders van Podemos en PPT wringen zich in alle bochten om toch niet mee in de boot te moeten stappen. Maar hun achterban denkt hier anders over. Eigenlijk helpt de lancering van deze nieuwe partij al in het scheiden van het koren van het kaf. Chavez verwijt hen gewoon aan postjesjagerij te doen en machtsbastions te verdedigen. Op de linkerflank horen we ook gemor. Vooral dan bij de leiding van de PCV, de Communistische Partij van Venezuela. Deze leiders willen de historische arbeiderspartij niet ontbinden in een ongedefinieerde partij. “Wordt het een arbeiderspartij of een front van verschillende anti-imperialistische krachten?”, vragen zij. Het magnetisme van de PSUV in opbouw is echter onweerstaanbaar voor een basis die hunkert naar eenheid en naar een massapartij voor socialisme. Een groot gedeelte van de communistische basis vervoegde daarom de nieuwe partij.

De PSUV is waarschijnlijk een van de snelst groeiende partijen ter wereld. In Latijns-Amerika is dit in ieder geval zonder voorga. Op minder dan twee maanden tijd sloten meer dan 5,6 miljoen mensen aan. De volkse en proletarische samenstelling valt onmiddellijk op. Talrijke linkse leiders van de UNT vervoegen de nieuwe partij. De boerenorganisatie Frente Nacional Campesino Ezequiel Zamora vraagt de boeren om massaal aan te sluiten bij de nieuwe partij. “Wij weten”, vertelt een boerenleider, “dat we in deze partij de oude bureaucraten en reformisten gaan terugvinden die we de laatste jaren hebben moeten bestrijden. Toen de Movimiento Quinta Republica, de partij van Chavez, werd gelanceerd, hadden we weinig kracht om de invloed van deze elementen tegen te gaan. Nu is de toestand echter veranderd. Vandaag hebben we een grote en georganiseerde massa achter ons. Wij sluiten dus aan bij de PSUV om er voor te zorgen dat het echt een democratische en revolutionaire partij wordt.” Een belangrijke etappe van de strijd van de Bolivariaanse Revolutie zal uitgevochten worden in deze partij. In de zomermaanden zal een congres bijeenkomen om een programma te bespreken dat overal in het land ter discussie zal worden gebracht. Het laatste woord krijgen de leden via een referendum.

Op ramkoers met imperialisme en oligarchie

Sommigen beweren dat de ‘stijl’ van Chavez permanent confrontatie uitlokt. Toegegeven, Chavez’ stijl is ongewoon voor een regeringsleider en voor een staatshoofd. Maar het volk lust die stijl. Chavez is immers de leider van een revolutionair proces gedreven door een ongeziene bewustwording en politisering van de onderste lagen van de maatschappij. De verwachtingen zijn zeer hoog gespannen. Eindelijk bestaat de historische kans voor de armen, de boeren en de arbeiders om zich te bevrijden uit de onwetendheid, de miserie en de uitbuiting. Dit is een zeer krachtige drijfveer. Alle mogelijke stijlaanpassingen ten spijt is het de aard zelf van de revolutie die ‘provocerend’ is voor het imperialisme. Niet zozeer de man. Welke stijlverandering maakt de beslissing op 1 mei om het minimumloon te verhogen en de arbeidsduur te verminderen tot 6 uur per dag in 2010 aanvaardbaar voor de oligarchie? Hoe poeslief de stijl van Chavez ook kan zijn, de beslissing om uit het Internationaal Monetair Fonds en uit de Wereldbank te treden blijft een doorn in het oog van het imperialisme. De oude klassen van geprivilegieerden zien hun machtsposities afbrokkelen. Zij laten zich niet doen.

De periode van relatieve kalmte onmiddellijk na de verkiezingen van 3 december deed sommigen geloven dat de oppositie, de politieke stem van de oligarchie “het spel ging meespelen”. Zij zouden zich inschakelen in het nieuwe systeem. Niets is minder waar. De betogingen van de universiteitstudenten van de middenklasse en de burgerij tegen het niet vernieuwen van de licentie van het televisiestation RCTV tonen dat. Deze betogingen maken deel uit van de activering van een nieuw plan om de Bolivariaanse regering te destabiliseren. Economische sabotage, kunstmatige voedselschaarste, betogingen van de ‘hijos/as de papa’ en nu ook nog de dreiging van een transportstaking – herinner u Chili 1970-73. Dit kadert allemaal binnen de reusachtige krachtmeting tussen het imperialisme, de oligarchie en de revolutie. Dit revolutionaire proces is niet ‘onomkeerbaar’. Verre van. Het ‘onomkeerbaar’ maken van de Bolivariaanse Revolutie noodzaakt niet gewoon de vermenigvuldiging van nieuwe hervormingen en sociale programma’s. Iets kwalitatief anders is nodig. Dat kan komen van een breuk met en omvorming van de eigendomsverhoudingen en de opbouw van radicaal nieuwe revolutionaire democratische instellingen.

Alle revoluties hebben zich geïnspireerd op het verleden om de toekomst te kunnen bepalen. De Franse Revolutie nam als voorbeeld de geïdealiseerde Romeinse Republiek van de Oudheid, de Engelse Revolutie predikte de terugkeer naar de Heilige Schrift. Al deze revoluties blikten terug naar het verleden en vonden in historische gebeurtenissen de nodige morele energie om zich te projecteren in de toekomst. De Venezolaanse revolutie ontsnapt niet aan deze ‘regel’. Zij zocht en vond in haar meest heldhaftige en geïdealiseerde verleden, namelijk de bevrijdingsstrijd van Simon Bolivar, de nodige inspiratie, kracht en ideologie. Maar er is meer aan de hand in Venezuela. Het idee van socialisme maakt nu deel uit van een levend experiment van sociale verandering. Dit voor de eerste keer sinds lang. Wat er begrepen wordt onder ‘socialisme van de 21ste eeuw’ is nog niet gedefinieerd. Wel weten velen in Venezuela, Chavez op kop, dat het geen sociaal-democratisch noch stalinistisch project kan zijn. De regelmatige verwijzingen naar de figuur en de analyses van Trotski zijn niet anekdotisch. Ze duiden op intensief denkwerk gevoed door een boeiende revolutie, weg uit de oude vooroordelen en het sektarisme dat typisch is voor een gedeelte van de linkerzijde in Latijns-Amerika en in de wereld. Of het gaat slagen kan niemand voorspellen. Wel is de revolutie in Venezuela het meest hoopvolle proces van maatschappijverandering vandaag. Daarom verdient het onze actieve steun.

Tijdschrift Vonk

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken