Inleiding

Naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de Internationale Vrouwendag op 8 maart bespreken we in dit dossier de relatie tussen marxisme en vrouwenemancipatie en staan we even stil bij drie belangrijke marxisten: Clara Zetkin, Alexandra Kollontai en Rosa Luxemburg. Door de vrouwenkwestie te koppelen aan de klassenstrijd overstijgen deze revolutionaire activisten en denkers het burgerlijke feminisme en zijn hun ideeën vandaag nog brandend actueel. Zo'n zeventig procent van de 1,3 miljard armen in de wereld zijn vrouwen. Vrouwen worden verhandeld en uitgehuwelijkt, mishandeld en gedood, in traditionele, patriarchale samenlevingen. Ondanks overwinningen voor de vrouwenbeweging worden vrouwen nog steeds onderdrukt en uitgebuit, niet alleen in derdewereldlanden, maar ook in onze “verlichte” westerse maatschappij. Binnen het moderne, westerse kerngezin van vandaag is het meestal nog de vrouw die de reproductie van de arbeidskrachten, alias “de was en de plas”, verzekert. Bovendien wentelt het kapitalisme graag de kosten van “onproductieve” leden zoals ouderen, zieken en kinderen af op het kerngezin. Vroeger was de plaats van de vrouw bij de haard, vandaag wordt van haar verwacht dat ze én een goede huismoeder, én een sexy echtgenote, én een succesvolle carrièrejaagster is. En als ze er dan nog in slaagt om deze drie zaken te combineren, dan verdient zij gemiddeld minder dan een man die hetzelfde werk verricht. In tijden van economische crisis zijn vrouwen bij de eerste categorie werknemers die hun baan verliezen. De onderdrukking en uitbuiting van vrouwen neemt verschillende culturele, politieke en sociaaleconomische vormen aan in verschillende delen van de wereld, maar heeft, zoals we zullen zien, dezelfde oorsprong en dezelfde oplossing.

Vrouwenonderdrukking en klassenmaatschappij

Waarom zouden mannen en vrouwen gelijke rechten hebben? Ze zijn toch niet gelijk in biologisch opzicht? Dat de fysionomie van mannen en vrouwen verschillend is, zal niemand ontkennen. Maar sociale, culturele en politieke systemen of gedragsvormen worden niet rechtstreeks door biologische kwaliteiten gedetermineerd. De fysieke verschillen tussen man en vrouw rechtvaardigen uit zichzelf evenmin een andere taakverdeling of sociale hiërarchie dan het onderscheid tussen blond- en bruinharigen, zwarten of blanken. Het sociale onderscheid tussen mannen en vrouwen is geen gevolg van onveranderlijke natuurwetten, maar van historisch gegroeide sociale omstandigheden. Friedrich Engels legde in zijn boek “De oorsprong van het gezin, de privé-eigendom en de staat” de grondslagen van een marxistische kritiek op de historische en actuele onderdrukking van de vrouw. Engels poneert dat de onderdrukking van de vrouw niet uit de lucht komt vallen, maar een historisch product is van de opkomst van de klassensamenleving. De prehistorische arbeidsdeling tussen mannelijke “jagers” en vrouwelijke “verzamelaars” hield geen onderscheid in status of klasse in. De familie of het gezin zoals we dat nu kennen, bestond nog niet en kinderen werden gemeenschappelijk door de stam of clan opgevoed. Pas wanneer neolithische mensengemeenschappen zo'n tienduizend jaar geleden sedentair werden en aan landbouw en veeteelt deden, was de samenleving in staat een systematisch overschot te produceren. Dit surplus  werd echter door een beperkte groep ingepalmd en zo ontstonden privébezit en de klassenmaatschappij – een onderscheid tussen een gedomineerde, werkende en een dominerende, bezittende klasse. Om haar eigendom, de basis van haar macht, veilig te stellen, moesten de leden van de heersende klasse over rechtmatige erfgenamen beschikken. Aangezien DNA-tests nog niet voorhanden waren, was de enige methode om dit te verzekeren het dwingen van de vrouw tot monogamie. Via culturele, legale en religieuze instellingen en gebruiken zoals het huwelijk, de familie, vrouwenbesnijdenis en isolatie van het sociale weefsel (bijvoorbeeld via de harem) werd de vrouwelijke seksualiteit aan banden gelegd.

In tegenstelling tot de radicalere vormen van het burgerlijke feminisme, die beweren dat “het patriarchaat” de oorzaak van vrouwenonderdrukking is, ziet de marxistische theorie patriarchale gebruiken en tradities als strategieën van de dominante productie- en reproductiewijze. In de prekapitalistische samenlevingen vormde het landelijke huishouden de belangrijkste productie-eenheid. Elk familielid, jong en oud, vervulde een rol in dit huishoudelijke arbeidsproces. De opkomst van de industriële revolutie en de veralgemening van loonarbeid atomiseerde het huishouden, aangezien de familieleden individueel buitenshuis arbeid begonnen te leveren. Zo werd het instituut van de familie in het Westen op basis van de noden van het kapitalisme met de nodige schokken geherstructureerd. Vrouwen werden uit de traditionele thuisarbeid en uit het gezichtsveld van het mannelijke gezinshoofd gehaald om in fabrieken en ateliers te werken. Deze extern geleverde loonarbeid vormde de basis van een potentiële sociale en financiële onafhankelijkheid van de vrouw.  Een deel van de huishoudelijke taken werden zelfs in koopwaren getransformeerd en op deze wijze gesocialiseerd. Via de ontwikkeling van de productiekrachten schiep het kapitalisme dus de materiële voorwaarden voor een verdere emancipatie van de vrouw. Tezelfdertijd stimuleerden andere factoren de verdere onderdrukking van de vrouw. Om de loonkosten te drukken maakten de kapitalisten in de 19e eeuw gretig gebruik van vrouwen- en kinderarbeid. De werkdag van de vrouwen was een van lange uren, vuil en hard werk, gevaarlijke arbeidsomstandigheden, seksuele intimidatie en verkrachting. Na de werkdag moesten de arbeidersvrouwen ook nog voor de kinderen en het hele huishouden zorgen. Abortus was verboden en veel vrouwen overleden aan de gevolgen van illegale abortus of complicaties bij de geboorte.

De burgerlijke vrouwenbeweging

In de burgerlijke revoluties van het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw speelden vrouwen een zeer actieve rol. De eerste “vrouwenbeweging” was in wezen een beweging van vrouwen uit de bourgeoisie en kleinburgerij. Aanvankelijk dachten zij een volledige sociale en economische emancipatie via het onderwijs te kunnen verkrijgen. Een beroemd vertegenwoordiger van deze burgerlijke feministen was Olympe de Gouges, die actief was tijdens de Franse Revolutie. In haar beroemde "Verklaring van de rechten van vrouwen en vrouwelijke burgers" plaatste de Gouges nooit vraagtekens bij de burgerlijke orde, maar toch waren haar eisen nog te radicaal; ze werd in 1793 terechtgesteld. Een andere activiste, Rose Lacombe, probeerde, in tegenstelling tot de Gouges, de strijd van de vrouwelijke arbeiders te koppelen aan een revolutionair perspectief. Ze stichtte de "Vereniging van revolutionaire burgers" met als doel arbeidersvrouwen te organiseren.

Tijdens de revolutionaire gebeurtenissen van 1848 in Duitsland en Oostenrijk speelde de bourgeoisie nooit een progressieve rol als in Frankrijk. Benauwd door het ontwaken van de jonge werkende klasse verschool de burgerij zich bij de oude heersende orde en vergat heel snel alles over mensenrechten, broederlijkheid en gelijkheid. De burgerlijke vrouwenbeweging onderging hetzelfde lot. Met uitzondering van Louise Otto Peters, de Grande Dame van de beweging van de Duitse vrouwen, capituleerden de andere feministen voor de burgerlijke status-quo en verdween hun revolutionaire geest. Hun kritiek op de traditionele rolpatronen, het geweld binnen het gezin en de verschrikkelijke situatie van vrouwen op de werkvloer vervaagde. De beweging van de burgerlijke vrouwen keerde zich uiteindelijk tegen de klassenstrijd. Zij vocht louter voor sociale en economische hervormingen binnen het kapitalistische systeem. In het begin werden de eisen voor stemrecht en recht op vrouwenarbeid gekoppeld aan fatsoenlijke arbeidsomstandigheden door de hele vrouwenbeweging gedeeld. Talrijke arbeidsters voelden zich daarom aangetrokken door de burgerlijke vrouwenorganisaties. Maar met de opkomst van de reactie na 1848 werden al deze door de burgerlijke feministen opzijgeschoven. Enkele schandalige gebeurtenissen, zoals de grote opstand van het huispersoneel in 1899, maakten dit maar al te duidelijk. De burgerlijke vrouwen voelden zich door deze opstand bedreigd in hun eigen privileges en aarzelden niet met de politie samen te werken om de beweging te stoppen. De burgerlijke vrouwen verwezen vaak naar hun "arme zusters" in de fabrieken zolang deze zich braaf en gedeisd hielden. In plaats van de emancipatie van deze vrouwen na te streven werd hun afhankelijkheid via liefdadigheid en caritatieve organisaties in stand gehouden. Volgens de liberale en burgerlijke vrouwenbeweging stond de onderdrukking van de vrouw door de man los van de klassenstrijd en de sociale werkelijkheid. Zij streed voor abstracte gelijkheid in de vorm van gelijke wetten en politieke rechten, zonder de kwestie van de concrete onderdrukking in de sociale en economische sfeer aan te kaarten. Activisten zoals Sylvia Pankhurst van de Suffragettebeweging waren uitzonderingen die de regel bevestigden. De Suffragettes waren een beweging van Britse burgerlijke vrouwen die ook werkende vrouwen in haar rangen opnam. Pankhurst werd een van de oprichters van de Britse Communistische Partij en een belangrijk leider van de arbeiders- en antioorlogsbeweging.

Socialisten en de vrouwenkwestie

Een van de eerste eisen van de socialistische beweging was de vermindering van de arbeidstijd voor vrouwen. Maar de sociaaldemocratie was niet vrij van burgerlijke invloed en seksistische vooroordelen. In 1866 stemde de Eerste Internationale (onder invloed van de anarchist Proudhon) een resolutie voor de afschaffing van alle soorten vrouwelijke loonarbeid. Marx en Engels verzetten zich vurig tegen deze resolutie. De volgelingen van Lassalle probeerden de vrouwen uit het productieproces te duwen met dubieuze argumenten over de “natuurlijke rol van vrouwen”. Eigenlijk vreesden ze dat de vrouwen een extra concurrent op de arbeidsmarkt zouden vormen. De reformisten binnen de socialistische beweging stelden dat de meeste vrouwen “van nature” tot reactionaire ideeën neigden. Het vrouwenstemrecht zou enkel de conservatieve partijen en de Kerk versterken. Reformistische leiders stonden wantrouwig tegenover de zelforganisatie en zelfemancipatie van vrouwen. Zo antwoordde de Oostenrijkse socialistische partijsecretaris Schuhmeier op het voorstel om een socialistische organisatie voor gehuwde vrouwen op te richten: “Mijn wederhelft hoeft niet te worden georganiseerd, ik heb haar al thuis georganiseerd!” Een hemelsbreed verschil met de uitspraak van Engels: "binnen de familie is de man de bourgeois en vertegenwoordigt de vrouw het proletariaat"!

Binnen de socialistische en later de communistische beweging waren de revolutionaire marxisten steeds degenen die consequent de vrouwenrechten verdedigen. De marxisten vochten voor sociale en politieke rechten voor vrouwen, maar tezelfdertijd argumenteerden ze dat een volledige emancipatie alleen via het socialisme kon worden bereikt: een maatschappelijk systeem waar de gehele reproductie (zoals kinderopvang, zorg voor ouderen, huishoudelijk werk enzovoort ) kosteloos was en niet meer door de vrouw gedragen moest worden. In 1871 slaagde Marx erin de statuten van de Eerste Internationale zo aan te passen dat er bijzondere vrouwengroepen konden worden opgericht. Op het Duitse partijcongres in 1891 wisten de marxisten een meerderheid van de afgevaardigden te overtuigen om te stemmen voor het vrouwenstemrecht, gratis onderwijs voor alle geslachten, gratis openbare medische zorg, en ondersteuning van bevallingen. De Eerste Wereldoorlog en de revoluties aan het begin van de 20e eeuw verdiepten de splitsing van de socialisten en de vrouwenbeweging  in een reformistische en revolutionaire vleugel. Drie vrouwen wierpen zich op tot belangrijke woordvoerders van de revolutionaire stroming: Clara Zetkin, Alexandra Kollontai en Rosa Luxemburg.

Clara Zetkin (1857-1933)

Clara Eissner groeide op in een conservatieve familie in Saksen. Via Russische emigranten kwam ze in contact met socialistische ideeën en haar toekomstige man, Ossip Zetkin, een revolutionair marxist. Zij speelde haar eerste grote rol als voorvechter van de vrouwenzaak op het stichtingscongres van de Tweede Internationale in 1889 in Parijs. Clara Zetkin – ze droeg de naam van haar man met trots – verzette zich tijdens het congres tegen de opvatting dat vrouwenarbeid moest worden afgeschaft. Socialisten moesten niet tegen vrouwenarbeid strijden maar tegen uitbuiting van vrouwen in het arbeidsproces. Vier jaar later slaagde ze erin om op de conferentie van Zürich een groot aantal eisen van de vrouwenbeweging in het socialistisch programma te laten opnemen: betere werkomstandigheden voor vrouwen, arbeidsduurvermindering, stop aan kinderarbeid, zwangerschapsverlof enzovoort. In Duitsland nam Zetkin de organisatie van de socialistische vrouwen in handen. Vrouwen mochten toen nog geen lid zijn van politieke verenigingen, laat staan dat ze stemrecht hadden. Zij ijverde tevens voor een internationalisering van de vrouwenkwestie en organiseerde de eerste Internationale Conferentie van socialistische vrouwen in Stuttgart (1907), waar ze de stelling verdedigde dat socialisten moesten strijden voor een volledig en evenwaardig stemrecht voor mannen en vrouwen. De jaarlijkse Internationale Vrouwendag werd op haar initiatief in augustus 1910 in het leven geroepen en werd gezien als een dag van strijd rond de volgende eisen: voor het algemeen vrouwenstemrecht, tegen oorlog, voor de sociale bescherming voor moeder en kind, tegen prijsstijgingen.

Net als Rosa Luxemburg bevond Zetkin zich in de revolutionaire vleugel van de Duitse sociaaldemocratie. Gestimuleerd door de ervaring van de Russische revolutie van 1905, pleitten Zetkin en Luxemburg voor een algemene staking om de politieke doelstellingen van de vrouwenbeweging te bereiken.  Tijdens het Congres van de Tweede Internationale in 1912 riep zij de socialistische partijen op om zich te verzetten tegen de nakende oorlog. De arbeidersbeweging kon enkel met een krachtig politiek optreden het imperialistische conflict bedwingen. Toen de reformisten voor de Duitse oorlogskredieten stemden, ontstond een breuk in het socialistische kamp, die zich verdiepte na het uitbreken van de Russische revolutie in 1917. Deze eerste arbeidersrevolutie  gaf een nieuwe impuls en hoop aan de strijd van de internationale werkende klasse en de vrouwenbeweging in het bijzonder. Vrouwen speelden vaak een voortrekkersrol in de strijd voor vrede en socialisme.  Clara Zetkin koos resoluut voor het revolutionaire kamp. Ze werd vervolgens gearresteerd en de rechtervleugel binnen de sociaaldemocratie verwijderde haar van de redactie van de grootste arbeiderskrant voor vrouwen "Die Gleichheit", een krant die ze zelf had opgericht. In 1918 was ze een van de medeoprichters van de Spartakusbond en later de Duitse Communistische Partij. Binnen de partij leidde ze de vrouwenbeweging zowel op nationaal als internationaal vlak, terwijl ze vanaf 1920 als de eerste vrouw in het Duitse parlement de belangen van de arbeidersvrouwen vertegenwoordigde.

Alexandra Kollontai (1870-1952)

Alexandra Domontovich werd geboren in de Russische elite. Haar vader was een generaal en haar moeder de dochter van een Fins industrieel. Rond 1890 ontmoette Alexandra Vladimir Kollontai, een arme student ingenieurswetenschappen en haar toekomstige echtgenoot. Toen ze in Zürich economie ging studeren, leerde ze het marxisme kennen. Terug in Rusland werd ze lid van de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (RSDAP) die toen de marxisten verenigde. Hoewel ze zich eerst aan de zijde van de mensjewieken schaarde, vervoegde ze de bolsjewieken in 1914. Na de Russische revolutie werd ze volkscommissaris van Sociaal Welzijn en de meest prominente vrouw in het sovjetbestuur. Ze stond aan het hoofd van het Vrouwendepartement dat het analfabetisme onder vrouwen bestreed en hen van hun nieuwe rechten in de sovjetstaat bewust maakte. Ze liep niet steeds keurig in de pas en werd samen met Alexander Shlyapnikov lid van de Arbeidersoppositie die de eerste tekenen van bureaucratisering in de nieuwe sovjetstaat bekritiseerde. In 1923 werd ze aangesteld tot ambassadrice van de Sovjetunie voor Zweden. Hierdoor werd ze de eerste vrouwelijke ambassadeur.

Alexandra Kollontai verzette zich hevig tegen het burgerlijke feminisme. Ze schreef vele werken die over de vrouwenkwestie handelden en tegen de  ideeën en methodes van de liberale vrouwenbeweging ingingen. Haar belangrijkste werk is misschien wel "De sociale basis van het vrouwenvraagstuk" (1909). In de inleiding van dit boek schrijft ze: "Terwijl onze eerbare vrienden, de burgerlijke academici, de kwestie van de superioriteit van de ene over de andere sekse nauwkeurig  bestuderen, het brein wegen en de intellectuele capaciteiten van mannen en vrouwen berekenen, erkennen de aanhangers van het historisch materialisme [= de marxisten] volmondig de natuurlijke verschillen tussen de seksen. We vragen slechts één ding, namelijk dat elk individu, man of vrouw, werkelijk de mogelijkheid krijgt om de meest vrije en volledige zelfontplooiing te bereiken, dat de breedste kansen worden geboden om alle natuurlijke talenten te ontwikkelen en toe te passen. Tezelfdertijd ontkennen de aanhangers van het historisch materialisme het bestaan van specifieke "vrouwelijke" kwesties die los staan van de algemene sociale problemen van onze tijd. Bepaalde economische factoren hebben ooit tot de ondergeschikte positie van vrouwen geleid, waarbij de natuurlijke eigenschappen slechts een secundaire rol speelden. Enkel het volledig verdwijnen van deze (economische) factoren, enkel de evolutie van de economische vormen die ooit de knechting van vrouwen veroorzaakten zal een radicale verandering in hun sociale positie bewerkstelligen. Met andere woorden, vrouwen kunnen enkel waarachtig vrij en gelijkwaardig worden in een wereld die veranderd is en gebaseerd is op nieuwe sociale en economische principes. Deze bewering sluit echter niet de mogelijkheid uit van een gedeeltelijke verbetering van de levensomstandigheden van vrouwen in de context van het bestaande systeem, hoewel een waarachtig radicale oplossing van het arbeidsvraagstuk enkel mogelijk is doorheen een volledige herstructurering van de bestaande productieverhoudingen. Maar een dergelijk perspectief mag geen rem vormen op de strijd voor hervormingen die gericht zijn op een onmiddellijke lotsverbetering van de arbeidersklasse. Integendeel, elke nieuwe overwinning van de werkende klasse is een sport in de ladder die de mensheid naar het rijk van de vrijheid en sociale gelijkheid leidt; elk nieuw recht dat vrouwen bekomen brengt hen dichter bij hun doel: totale emancipatie.”

Rosa Luxemburg (1871-1919)

De Duitse socialiste Rosa Luxemburg is vooral bekend omwille van haar verzet tegen de Eerste Wereldoorlog en haar strijd tegen het reformisme in de socialistische beweging. Ze was niet alleen een militant leider van de Duitse arbeidersbeweging, maar ook onderlegd in theoretische kwesties. In tegenstelling tot Alexandra Kollontai of Clara Zetkin werd Luxemburg niet direct geassocieerd met de vrouwenkwestie. De dingen die zij over vrouwenemancipatie schreef, handelden voornamelijk over het vrouwenstemrecht. Toch beschouwde ze de bevrijding van de vrouw niet als een secundaire kwestie. In november 1918 schreef ze in een brief aan Zetkin "Misschien moet ik schrijven over de vrouwenkwestie. Het is zo belangrijk nu, en we hebben geen kameraden die hier iets van begrijpen”. Haar strijd tegen het reformisme kan gezien worden als haar antwoord op een van de fundamentele vragen van de vrouwenbeweging: is de bevrijding van vrouwen binnen het kapitalisme mogelijk of niet? Een van haar belangrijkste werken, “Hervorming of Revolutie”, legt duidelijk uit waarom socialisme enkel via een revolutionaire breuk met het kapitalisme kan worden bewerkstelligd. Enkele van de toenmalige leiders van de partij,  Bernstein en later Kautsky, stelden dat als gevolg van de ontwikkeling van het kapitalisme het socialisme gradueel kon bereikt worden. Beetje bij beetje, hervorming na hervorming, zou de werkende klasse de controle over de staat bekomen en dus, bijna "per ongeluk" het socialisme bereiken. Luxemburg was niet tegen hervormingen binnen het kapitalisme, maar stelde dat deze steeds een tijdelijk karakter hadden en de fundamentele krachtsverhoudingen niet in vraag stelden. De arbeidersbeweging moest steeds een strijd voor concrete hervormingen binnen het systeem (loonsverhoging, arbeidsduurvermindering, sociale zekerheid, herverdeling via belastingen, enzovoort) koppelen aan een strijd tegen het systeem zelf (privébezit van de productiemiddelen, de klassenmaatschappij, de staat enzovoort).

Net als Clara Zetkin en Alexandra Kollontai was Rosa Luxemburg er diep van overtuigd dat de volledige emancipatie van de vrouw alleen mogelijk is onder het socialisme. In 1919 werd ze door de eerste fascistische milities vermoord, in samenwerking met de rechtse socialisten die haar revolutionaire impact op de Duitse arbeidersklasse vreesden en het liever met de burgerij op een akkoordje wierpen.

Verwezenlijkingen van de Russische Revolutie

De Russische Revolutie van 1917 begon op Internationale Vrouwendag dankzij spontane betogingen van vrouwen die brood en vrede eisten. Een van de eerste beslissingen van de sovjetregering was het vastleggen van een volledige gelijkheid voor de wet tussen man en vrouw. Vrouwen kregen het recht op scheiding, abortus en het seculier huwelijk. Deze politieke rechten betekenden een enorme stap vooruit voor de Russische vrouwen, van wie de slechte legale positie onder de tsaristische autocratie plots beter werd dan deze van de vrouwen in de “verlichte” kapitalistische landen. Maar Lenin wees erop dat deze politieke rechten onvoldoende waren om vrouwen werkelijk te emanciperen. Werkelijke emancipatie wordt niet enkel in de politieke, maar ook in de culturele en sociaaleconomische sfeer verkregen. De nieuwe socialistische staat diende deze emancipatie verder na te streven door het onderwijs uit te breiden, voor publieke kinderopvang te zorgen, het huishoudelijke werk te verminderen enzovoort.

Het uitblijven van de wereldrevolutie waar Lenin en Trotski op gehoopt hadden, betekende dat de kersverse Sovjetunie in isolatie haar semifeodale economie moest ontwikkelen. In deze context werd het revolutionaire elan versmoord en nam de stalinistische bureaucratie uiteindelijk in de tweede helft van de jaren '20 de macht over. De conservatieve familiestructuur werd opnieuw de hoeksteen van de Russische samenleving en progressieve wetten op abortus en scheiding werden teruggedraaid. Toch leren de eerste jaren na de revolutie ons wat een socialistische samenleving voor de emancipatie van de vrouw kan betekenen – en dit was in de context van de onderontwikkelde tsaristische economie! Een hedendaagse, westerse socialistische maatschappij zou de kapitalistische landen inzake welzijn en vooruitgang ver achter zich laten en een model worden voor de gehele wereld.

Welke inspiratie voor de hedendaagse vrouwenbeweging?

Inmiddels heeft de rechterzijde in het Westen een deel van de vrouwenbeweging gerecupereerd. Met formalistische eisen rond vrouwenrechten proberen liberalen en conservatieven de arbeidersbeweging op basis van sekselijnen te verdelen. Je kan je bijvoorbeeld afvragen wat de roep naar meer vrouwelijke managers of politici te maken heeft met de emancipatie van de vrouw. Een vrouw die door een vrouw wordt uitgebuit of onder de knoet gehouden, wordt nog steeds onderdrukt. Socialistische vrouwen zoals Clara, Alexandra en Rosa, hebben door hun concrete en niet-aflatende strijd de vrouwenemancipatie immens vooruitgeholpen. Maar zolang het kapitalisme blijft bestaan is hun gevecht verre van gestreden. Het kapitalisme heeft de productie en reproductie van onze bestaansmiddelen ontwikkeld en de technologie en de wetenschappelijke kennis  tot nieuwe hoogten gebracht. Nieuwe machines, productieprocessen en technieken lijken een belofte in te houden van grotere welvaart, arbeidsduurvermindering en meer tijd voor persoonlijke ontwikkeling en ontspanning. Niettemin worden machines ingezet om menselijke arbeidskracht te vervangen in plaats van het werk gemakkelijker te maken en dienen nieuwe productiemethodes vooral om het arbeidsritme op te drijven. De winsten die hieruit voortvloeien komen niet de gemeenschap van de werkende klasse, maar een kleine groep aandeelhouders en speculanten ten goede. Het privébezit van de productiemiddelen (banken, bedrijven, gronden, patenten enzovoort) vormt zo een rem op de ontwikkeling van de gehele mensheid. We kunnen echter de grotere productiviteit die we via het kapitalisme hebben verkregen, aanwenden om de arbeidsduur en het arbeidsritme te verminderen. Meer vrije tijd is een cruciale stap in de emancipatie van de vrouw en de werkende klasse in haar geheel. Winsten kunnen onder meer efficiënt herverdeeld worden via grootschalige investeringen in de sociale sector, zodat kinderen en ouderen van een gratis en kwaliteitsvol vangnet kunnen genieten. Een dergelijke democratische planning van de productie vergt een nationalisatie van de banken en grote bedrijven onder werknemerscontrole. Tijd dus voor de socialistische beweging om niet de burgerlijke feministen maar opnieuw de revolutionaire, marxistische vrouwen als voorbeeld te nemen voor de strijd voor gelijkheid en vrijheid voor vrouwen!

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken