De Club van Elf, bestaande uit tien grote Nederlandse bedrijven plus één econoom, heeft besloten dat het in deze onzekere tijden beter is om terug te keren naar het poldermodel. Enkele vakbondsleiders reageerden positief. Is het oude poldermodel echter wel een alternatief?

De Club van Elf is geen onbeduidende praatclub. Deze bestaat namelijk uit de personeelsdirecteuren van ABN Amro, Ahold, DSM, Philips, Unilever, KPN, Akzo Nobel, Tata Steel, NS, Shell en de econoom Jaap Paauwe.

Deze club heeft nu besloten dat een terugkeer naar het poldermodel weer een optie is voor de Nederlandse werkgevers, aangezien er nu veel onzekerheid is met het Kunduz-akkoord en de crisis in de Nederlandse vakbonden. De Club van Elf ziet liever een terugkeer naar het overlegmodel, zodat er meer draagvlak is voor toekomstig bezuinigingsbeleid. Dit is niet gek, aangezien de FNV zich al heeft uitgesproken tegen verschillende Kunduz-maatregelen, zoals het verhogen van de eigen risico in de zorg, het versoepelen van het ontslagrecht en het belasten van de reisvergoeding voor werknemers.

Het is duidelijk dat de werkgevers hier inspelen op de bijna natuurlijke tendens bij de vakbondsleiding tot staatsmanschap in tijden van crisis, een opstelling waarbij het zogenaamde ‘nationaal belang’ belangrijker is dan de belangen van de achterban. Aangezien dit nationaal belang in een kapitalistische economie gelijk is aan het belang van de kapitalisten (zoals de grootaandeelhouders van de 10 genoemde bedrijven), is de tendens tot staatsmanschap in tijden van crisis een regelrechte verkwanseling van de belangen van de arbeidersklasse.

Angst en onzekerheid

Het poldermodel werd in 1982 ingezet met het akkoord van Wassenaar, wat een einde betekende aan het strijdbare vakbondsactivisme van de jaren ’70. Vakbonden, werkgeversorganisaties en de regering maakten nu elk jaar akkoorden met compromissen over maatregelen met betrekking tot arbeidsomstandigheden en regeringsbeleid.

Het poldermodel werd jarenlang geprezen, totdat het begin 21e eeuw verketterd werd als een obstakel voor de groei. De vakbonden zouden vernieuwing tegenhouden, ‘China en India zouden ons inhalen’ enzovoort. De nieuwe koers was om een keihard neoliberaal bezuinigingsprogramma in te zetten. Dit stuitte echter op verzet van de vakbeweging. Na jarenlang als ‘partner’ gezien te worden, werden ze nu opeens door het kabinet Balkenende II en de werkgeversorganisaties weggezet als de vijand van vooruitgang en vernieuwing. De vakbondsleiding werd door de situatie gedwongen om het verzet te mobiliseren. Uiteindelijk wisten de bonden 300.000 mensen te mobiliseren in 2004.

Met de winst van de linkse partijen in 2006 werd het duidelijk voor de werkgevers dat het harde confrontatiemodel ook zijn beperkingen had. Het grote offensief tegen de vakbeweging werd beëindigd. De regering en de werkgevers probeerden verworven rechten in een langzamer tempo terug te dringen. Er werd in bepaalde gevallen weer met de bonden overlegd, zoals met het pensioenakkoord uit 2011. Hoewel het pensioenakkoord zeer nadelig was voor de werknemers, heeft de Kunduz-coalitie het verworpen voor een nog nadeliger akkoord. Gezien de onvrede die er bestaat over dit soort maatregelen, is het voorstel van de Club van Elf tot een terugkeer naar het poldermodel niet vreemd.

Gevolgen van een nieuw poldermodel

De Nederlandse economische situatie kan men niet los zien van de situatie in de rest van de Europese Unie. Toen het poldermodel in de jaren ’80 en ’90 functioneerde, gebeurde dat in een tijd van relatieve groei op wereldniveau. Deze groei was gebaseerd op het laag houden van de lonen, het afbreken van sociale verworvenheden en het openbreken van nieuwe markten in de voormalige Sovjetunie en China. Aangezien het poldermodel op consensus gebaseerd is, waren deze omstandigheden nodig om het te laten functioneren.

De maatschappelijke en economische situatie in Europa is nu echter totaal verschillend. In plaats van relatieve groei is er nu een zware economische crisis. De regeringen van de Europese landen voeren allemaal bezuinigingspakketten uit, niet om ideologische redenen, maar door de druk van de objectieve situatie. Als het poldermodel nieuw leven ingeblazen zou worden, zou het enkel betekenen dat de bezuinigingen met goedkeuring van de bonden geïmplementeerd zullen worden. Hoewel deze met het poldermodel mogelijk in een lager tempo doorgevoerd zullen worden, is dit afhankelijk van de staat van de Nederlandse economie en is dit dus helemaal niet zeker. Wat wel zeker is, is dat de bonden worden geneutraliseerd.

Dit is theoretisch mogelijk door de positie van Nederland als relatief rijk en welvarend land binnen de EU. Echter, als de economie in een slechtere situatie terecht zou komen, zou dit nieuwe poldermodel weer bij het grof vuil gezet worden. Als men naar de situatie van de zuidelijke Europese landen kijkt, ziet men dat de regeringen gedwongen zoveel mogelijk bezuinigingen doorvoeren, terwijl de vakbeweging zich hard daartegen verzet. Hoewel het waar is dat de ‘cultuur’ van de zuidelijke Europese vakbonden anders is dan die in Nederland, moet men geen illusies hebben in dat de Nederlandse overlegcultuur  diep in ‘onze’ cultuur zit. Het zit voornamelijk in de cultuur van de vakbondsbureaucratie en heeft ervoor gezorgd dat de syndicalisatiegraad de laatste 30 jaar met 20 procent gedaald is. Daarnaast moet men ook inzien dat er in Spanje sinds het begin van de crisis ook akkoorden over bezuinigingen zijn gesloten via overleg, welke niet verhinderd hebben dat de Spaanse regering met de verslechterde situatie verdere bezuinigingspakketten doorgedrukt heeft en zal doordrukken. Griekenland en Spanje zijn onze toekomst. De werkgevers en overheid zullen het op een gegeven moment hard gaan spelen. Op dat moment kan het antwoord van de vakbeweging ook alleen maar hard zijn.

In plaats van zich te gaan binden aan een nieuw poldermodel en illusies te hebben in de goedheid van de werkgevers, moeten de bonden zich voorbereiden op grote sociale conflicten en gaan strijden tegen de maatregelen van het Kunduz-akkoord die ze terecht asociaal vinden. Daarnaast moeten de vakbonden niet verwachten dat de bezuinigingen iets tijdelijks zijn. De situatie is veranderd, de gouden tijden zijn over. Het is nu dan ook tijd om te strijden voor een andere maatschappij waarin vooruitgang wel weer mogelijk is, namelijk een socialistische maatschappij.

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Onze boeken

Onze boeken