Dit jaar is het 77 jaar geleden dat de socialistische revolutionair Henk Sneevliet, samen met zeven van zijn kameraden door de nazi’s werd vermoord. Sneevliet was de leider van het Marx-Lenin-Luxemburg Front, een ondergrondse organisatie die onmiddellijk na de Duitse inval in mei 1940 was opgericht.Sneevliet was op dat moment al een prominente socialist; vóór de oorlog reisde hij de hele wereld over, ondersteunde jonge communistische partijen en organiseerde solidariteit.

Sneevliet werd in 1883 in een arm gezin in Rotterdam geboren. Hij was getuige van de armoede in zijn omgeving en ervoer de klassenverschillen uit de eerste hand. Dat maakte Sneevliet op jonge leeftijd bewust van maatschappelijke vraagstukken. Sneevliet werd in 1902 lid van de Nederlandse Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP).

In een bepaald opzicht was Henk Sneevliet één van de belangwekkendste figuren in onze traditie, naast Trotski en de Russische Bolsjewieken. Om zijn belang te schetsen: Sneevliet kan worden gezien als de medeoprichter van de revolutionair-socialistische beweging in Nederland, maar ook van de communistische beweging in Indonesië en heeft zelfs een rol gespeeld in China.

In 1911 verliet Sneevliet de SDAP, omdat de partij en de aan haar gelieerde vakbondsfederatie weigerden om een staking van niet-aangesloten vakbonden te ondersteunen. Sneevliet zag dit als een onaanvaardbare schending van de solidariteit. Zijn breuk met de partij maakte zijn rol in zijn door de SDAP gedomineerde vakbond onhoudbaar. Die situatie werd alleen maar erger toen hij zich aansloot bij de linkse afsplitsing van de partij, de SDP. Hij was werkloos en had het gevoel geïsoleerd te zijn en besloot om een nieuw leven in Nederlands-Indië te beginnen. In 1913 vertrok hij naar de Nederlandse kolonie.

Socialisme in Indonesië

Sneevliet kwam op een cruciaal moment in de Nederlandse kolonie aan. Kapitalistische sociale relaties drongen steeds meer tot de eilanden door, wat leidde tot groeiende klassen-differentiatie en de vroege vorming van een arbeidersklasse. Tegelijkertijd kwam een nationaal bewustzijn tot ontwikkeling en werden de eerste tijdschriften en bewegingen door pribumi, inwoners van de archipel, gevormd. De belangrijkste van deze inspanningen was de Sarekat Islam (SI).

Sneevliet werd actief in de Indonesische Spoorwegarbeiders Vakbond (VSTP), die, in tegenstelling tot andere vakbonden in de kolonie, zowel Indonesische als Nederlandse arbeiders als lid aannam. Hij leidde de vereniging met succes in een radicalere richting. In mei 1914 richtten, op initiatief van Sneevliet, enkele tientallen socialisten de Indische Sociaal-Democratische Vereniging (ISDV) op. Aanvankelijk bestond de groep voornamelijk uit Nederlandse aanhangers van de reformistische SDAP-lijn. Maar radicalen zoals Sneevliet en zijn protégé Adolf Baars waren ervan overtuigd dat socialisten in de frontlinie moesten staan van de antikoloniale beweging, die vorm begon te krijgen.

Sneevliet overtuigde de ISDV ervan naar Indonesische massabewegingen, vooral de SI, toe te werken. Door haar werk met SI-leden begon de groep wortel te schieten onder de gekoloniseerde bevolking. Onder hen waren de leiders van de toekomstige Indonesische Communistische Partij (PKI), zoals Semaun en Darsono. In 1920 werd het de eerste Aziatische partij die toetrad tot de Communistische Internationale.

In begin 1917 had hij enthousiast het nieuws van de Februari-revolutie verwelkomd in een artikel getiteld ‘Zegepraal’. ‘De Russische Revolutie,’ schreef hij, ‘is de zaak van menselijkheid. De Oorlog vloekt tegen menselijkheid. Het staat voor ons vast, dat de Russische Revolutie het einde van de wereldslachting zal verhaasten.’ De afsluitende regels van Sneevliet alarmeerden de rechtervleugel: ‘Hier leeft en duldt en lijdt en draagt een miljoenenvolk al eeuwen lang... ;’ ‘Volk van Java, de Russische Revolutie houdt ook lessen in voor U.’

De ISDV-radicalen hadden inderdaad aandacht besteed aan Rusland en begonnen in het najaar van 1918 met het organiseren van soldaten en matrozen in raden. Binnen een paar maanden maakten duizenden deel uit van deze beweging. Eind 1918 werd Sneevliet echter verbannen uit Indië.

In opdracht van de Comintern

Intussen was de SDP de Communistische Partij Holland (CPH) geworden en had deze twee zetels in het parlement gewonnen. Sneevliet trad toe tot de leiding van de CPH en werd actief in het Nationaal Arbeids- Secretariaat (NAS). Het NAS had radicalere standpunten dan zijn concurrent, het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), maar ook minder leden.

Sneevliet bleef niet lang in Nederland. In 1920 bezocht hij als vertegenwoordiger van de PKI het tweede congres van de Communistische Internationale, waar de koloniale strategie op de agenda stond. Lenin was één van de eerste Europese marxisten die het belang van bevrijdingsstrijd herkende. Sneevliet steunde ook het voorstel van Lenin dat communisten in de koloniën burgerlijk-democratische bewegingen moesten steunen – op voorwaarde dat deze samenwerking de sociale strijd niet beperkte.

De antikoloniale strijd vertegenwoordigde een nieuw terrein voor veel marxisten en Sneevliet was één van de weinige mensen die ervaring had met het organiseren van een socialistische beweging in een koloniale context. Met de steun van Lenin werd hij secretaris van de Commissie van de Comintern voor Nationaliteiten en het Koloniale Vraagstuk en lid van de leiding van de Comintern. Eén van zijn eerste opdrachten was om naar China te gaan.

Van de CPN naar de Vierde Internationale

Sneevliet keerde in 1924 terug naar Nederland en werd verkozen tot voorzitter van het NAS. Het NAS daalde al enige tijd in ledenaantal en Sneevliet probeerde het tij te keren door organisatorische verbeteringen door te voeren. Zijn betrokkenheid bij het NAS was de eerste bron van conflicten tussen Sneevliet en de Communistische Internationale. De Comintern wilde dat partijleden werkten in massa-vakbewegingen in plaats van zich af te sluiten in kleinere radicale formaties, zoals het NAS.

Vakbondspolitiek was niet de enige bron van onenigheid. Sneevliet was van mening dat de Russische partij te veel macht in de Comintern had, wat betekende dat de Sovjet-belangen haar internationale strategie leidden. Hij maakte bezwaar tegen het repressieve karakter van de Sovjet-Unie en begon de kant van Leon Trotski en zijn Linkse Oppositie (ILO) te kiezen.

In 1927 probeerde de Comintern de CPH te dwingen om binnen het NVV te werken en dus verlieten Sneevliet en zijn aanhangers de CPH. Twee jaar later richtten zij de Revolutionair Socialistische Partij (RSP) op. Sneevliet had een sterk fetisjisme ontwikkeld richting de NAS, en had een onwil om binnen de Comintern te vechten voor de Linkse Oppositie, wat een toenadering richting Trotski’s ILO aanvankelijk onmogelijk maakten.

In 1935 fuseerde de partij met de Onafhankelijke Socialistische Partij OSP, een linkse afsplitsing van de SDAP, tot de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP). De nieuwe partij had iets meer dan drieduizend leden, vooral geconcentreerd in de grotere steden.

De nieuwe partij had aanvankelijk nauwe banden met de linkse oppositie. Na er niet in geslaagd te zijn de Comintern te hervormen, wilden Sneevliet en Trotski allebei een nieuwe (4e) Internationale oprichten, maar ze waren het niet helemaal over alle punten eens. Trotski stelde op de eerste plaats dat communisten in massavakbonden moesten werken en niet in kleinere groepen zoals het NAS. Sneevliet wilde samenwerken met groepen zoals de Britse Independent Labour Party (ILP) en de Spaanse Partido Obrero de Unificación Marxista (POUM), maar Trotski hekelde deze partijen als centristen die niet konden kiezen tussen revolutie en hervormingen.

Trotski dacht dat de leiders van deze bewegingen in tijden van crisis gedoemd waren te mislukken en dat hun volgelingen in zulke tijden revolutionairen konden worden, maar dat de Vierde Internationale een duidelijk alternatief moest bieden om hen aan te trekken.

Onder Sneevliet kon de partij echter nooit integreren in de nieuwe Vierde Internationale. In 1936 was de RSAP al weggelopen uit een internationale conferentie, in 1937 was het conflict verergerd. Eind 1937 brak er een kleine minderheid van enkele tientallen leden, die bureaucratisch uit de partij gewerkt werd, om de Groep van Bolsjewiki- Leninisten (GBL) op te richten. Dit was nu de officiële sectie van de Vierde Internationale.

Het Marx-Lenin-Luxemburg Front

Vóór de oorlog besprak de RSAP wat te doen als Duitsland Nederland zou bezetten. De leiding besloot dat de meest betrouwbare partijleden een ondergrondse organisatie zouden opzetten om clandestien verzet te organiseren. De naam werd het Marx-Lenin- Luxemburg Front.

Op 10 mei 1940 viel Nazi-Duitsland Nederland binnen en overwon al snel de Nederlandse verdediging. De eerste publicaties van de nieuwe ondergrondse organisatie tonen een heldere beoordeling van de situatie. De helderheid van het Front was opmerkelijk in vergelijking met het grootste deel van de rest van links: het NAS hield gewoon op te bestaan, de leiders van de SDAP verklaarden dat verzet nutteloos was en ontbonden de organisatie, de communisten probeerden om legaal te blijven en weigerden zolang het Hitler-Stalin pact van kracht was om politieke slogans te voeren.

Het MLL-Front daarentegen probeerde acties te organiseren waarin arbeiders de strijd voor het socialisme combineerden met de strijd tegen het fascisme. Zoals de naam al aangeeft, zag het MLL-Front de Tweede Wereldoorlog als vergelijkbaar met de vorige oorlog: voor hen waren beide een botsing van imperialistische machten.

Kom broeders en zusters

De leden van het MLL-Front hadden weinig of geen ervaring met ondergronds werk. Ze probeerden Nederlandse arbeiders te bereiken door middel van tijdschriften, pamfletten, posters en graffiti. Het Front vond niet dat gewone Duitse burgers de vijand waren, verspreidde propaganda onder Duitse soldaten en smokkelde illegale publicaties Duitsland in. Gedurende de oorlog riskeerden leden van het MLL-Front en opvolgende organisaties hun leven voor deze activiteiten en voor het verbergen en helpen van mensen die gezocht werden door de nazi’s.

In het begin van 1942 werd een lid van het Front verraden aan de nazi’s. Na uren van gruwelijke marteling kregen de Duitsers meerdere namen. In de loop van de daaropvolgende weken werden de meeste leiders van de groep, waaronder Sneevliet, gearresteerd. Ze werden geëxecuteerd op 13 april 1942. Na de oorlog beschreef een gevangene die in een cel aan de overkant van Sneevliet en zijn kameraden vast had gezeten hun laatste uur:

“Ze waren toen allen in één celletje gebracht, vlak tegenover de mijne, maat 90 x 200 cm. En toen dat ontroerende moment; ‘Laten we elkaar de hand geven’ en uit volle borst zongen toen zeven mannen een uur voor hun dood de Internationale. Wat een melodie en wat een woorden! Ik heb meermalen een concert bijgewoond, maar nooit zo met gevoel en overtuiging horen zingen. Ik schaam me niet dat ik huilde.”

Sneevliet leefde zijn leven met een onwankelbaar geloof in het socialisme. Voor hem was de kern van socialisme de emancipatie van werkende mensen, vrijheid en internationalisme. Sneevliet en zijn kameraden hadden geen illusies over de stalinistische dictatuur en weigerden om vrede met het kapitalisme te sluiten. Ze vonden hun eigen weg door het politieke tumult van de vroege twintigste eeuw. Hun herinneringen blijven een bron van inspiratie en hun principes zijn nog altijd geldig.

Tijdschrift Vonk

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken