De staat Israël werd kunstmatig opgericht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Omdat Israël vandaag de dag de belangrijkste bondgenoot is van het westerse imperialisme in het Midden-Oosten, lijken sommige mensen te denken dat Israël is opgericht met de volledige steun van het imperialisme. In feite lag de oprichting van de staat Israël iets gecompliceerder dan dit. De gruwelijke ontstaansgeschiedenis van het Israëlisch-Palestijns probleem is ook bepalend voor het vinden van een oplossing.

Voor en tijdens WO I

Het zionisme, de beweging die de Joden uit de diaspora opriep een nieuwe staat te stichten in de gebieden waaruit ze bijna 2000 jaar eerder door de Romeinen waren verdreven, was ontstaan in midden-Europa in de helft van de 19e eeuw. Tot ver in de twintigste eeuw bleef het echter een vrij marginale beweging, zonder veel invloed.

Voor de eerste wereldoorlog was Groot-Brittannië nog de dominante imperialistische wereldmacht die onder meer heerste over een gigantisch koloniaal imperium. Samen met Frankrijk liet het Verenigd Koninkrijk begerig zijn ogen vallen op de Arabische gebieden in Noord-Afrika, die toen nog deel uitmaakten van het uiteenvallende Ottomaanse keizerrijk (waarvan het huidige Turkije de kern was). In 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, beloofde Groot-Brittannië de onafhankelijkheid van de Arabische landen onder Ottomaans bewind, waaronder Palestina, in ruil voor Arabische steun tegen Turkije, dat aan de zijde van Duitsland de oorlog was begonnen.

Dit werd in 1916 bekrachtigd toen Groot-Brittannië en Frankrijk de Sykes-Picot-overeenkomst ondertekenden, die de Arabische regio in invloed zones verdeelde. Libanon en Syrië werden aan Frankrijk toegewezen, Jordanië en Irak aan Groot-Brittannië en Palestina zou worden geïnternationaliseerd. In 1916 had Groot-Brittannië dit land dus in feite aan de Arabieren beloofd.

In 1917 stuurde Lord Balfour, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, echter een brief aan de zionistische leider Lord Rothschild die later bekend werd als "De Balfour-verklaring". Hij verklaarde dat Groot-Brittannië zijn uiterste best zou doen om de vestiging van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina mogelijk te maken. Op dat moment telde Palestina ongeveer 700.000 inwoners, waarvan 575.000 moslims, 75.000 christenen en slechts 55.000 joden. De meeste Joden waren gevlucht uit Rusland en Oost-Europa voor de verdrukking en de pogroms. Ze leefden vrij probleemloos samen met de andere bevolkingsgroepen en het Zionisme had er weinig aanhangers.

De Britten beloofden Palestina dus zowel aan de Joden als aan de Palestijnen. Groot-Brittannië was niet geïnteresseerd in de oprichting van Israël, maar streefde zijn eigen belangen in de regio na. Het trachtte zijn positie in het Midden-Oosten te versterken, en zou met dat doel Arabieren tegen Joden blijven uitspelen.

Tussen de twee wereldoorlogen

Na de Eerste Wereldoorlog kreeg Groot-Brittannië in 1920 een mandaat over Palestina en twee jaar later kwam Palestina daadwerkelijk onder Brits bestuur. In 1922 vaardigde de Raad van de Volkenbond (het toenmalige equivalent van wat nu de Verenigde naties zijn) een mandaat voor Palestina uit. In het mandaat werd gepleit voor de vestiging van een thuisland voor het Joodse volk in Palestina. Dit was in strijd met de plannen van het Britse imperialisme, dat een evenwicht wilde vinden tussen de Joden en de Arabieren (de oude en beproefde methode van verdeel en heers) om de situatie van bovenaf te controleren.

Tegen 1939 hadden de Britse imperialisten elk idee van een onafhankelijke Joodse staat resoluut verworpen. In datzelfde jaar publiceerde de Britse regering een nieuw Witboek dat de Joodse immigratie beperkte en Palestina binnen tien jaar onafhankelijkheid aanbood. Na de komst van nog eens 75.000 Joden in Palestina in de daaropvolgende vijf jaar, zouden de poorten gesloten worden. De weg zou dan vrij zijn voor een semi-afhankelijke Arabische staat die een marionet van het Britse imperialisme zou zijn. Een verdeelde bevolking, zoals het geval was in Noord-Ierland, zou de Britten in staat hebben gesteld het ene deel tegen het andere deel uit te spelen en zo de algehele controle te behouden. De Britten hadden een bufferstaat nodig die hen de strategische controle kon garanderen over het gebied tussen de Middellandse Zee en de Perzische Golf, en tegelijkertijd bescherming kon bieden voor het Suez-kanaal.

Tijdens en vlak na WO II

Het Witboek van 1939 werd door het toezichthoudende orgaan van de Volkenbond, de permanente mandatencommissie, verworpen omdat het niet in overeenstemming was met het mandaat. Maar de Volkenbond was irrelevant aan het worden, aangezien de grote mogendheden zich opmaakten om hun geschillen door middel van oorlog op te lossen en Groot-Brittannië behandelde haar met gepaste minachting. Vier maanden later brak de Tweede Wereldoorlog uit en de Britse regering voerde het beleid van het Witboek uit alsof Palestina een Brits bezit was geweest.

Het Britse imperialisme beperkte het aantal Joden dat Palestina binnenkwam, soms op brute wijze. Het beroemdste voorbeeld hiervan was de behandeling van de Roemeense Joden die met de "Struma" naar Israël probeerden te varen. Dit schip kwam op 20 december 1941 in Istanbul aan met 750 Joodse vluchtelingen die op de vlucht waren voor de nazi-vervolging. De Turkse autoriteiten weigerden deze vluchtelingen toestemming om in Turkije aan land te gaan en informeerden bij de Britten of zij konden doorreizen naar Palestina. De Britten weigerden hen de toegang. Uiteindelijk werd het schip naar zee gesleept en op 24 februari zonk het als gevolg van een explosie. Slechts twee mensen overleefden. Zo kwamen grote aantallen wanhopige Joden vast te zitten in het door de nazi's bezette Europa.

Ondanks deze brute poging om de stroom Joden naar Palestina te stoppen, werden de zorgvuldig voorbereide plannen van het Britse imperialisme verworpen door de zionisten, die terroristische groepen organiseerden en een bloedige campagne begonnen tegen zowel de Britten als de Palestijnen. Het doel was hen beiden uit Palestina te verdrijven en de weg vrij te maken voor de vestiging van een zionistische staat.

Organisaties als de Irgun (Irgun Zwai Leumi, letterlijk de Nationale Militaire Organisatie) beperkten hun acties niet tot het bestrijden van de Arabieren. Hoewel zij soms samen met de Britse troepen de Arabische guerrilla's neersloegen, keerde de Irgun zich tegen de Britten toen duidelijk werd dat het Britse imperialisme een dubbel spel speelde en niet van plan was de Joden hun gewenste vaderland te geven. Onder leiding van Begin - die later premier van Israël zou worden - was zij verantwoordelijk voor de beroemde bomaanslag op het King David Hotel op 22 juli 1946, waar het Britse oppercommando was gestationeerd. Bij deze aanslag kwamen 91 mensen om het leven.

Het was de Holocaust onder het bewind van de nazi's in Europa die een geheel nieuw scenario had geschapen. Het zionistische idee om een thuisland voor de Joden in Palestina te stichten won aan kracht. Er kwamen steeds meer Joden naar Palestina. En deze Joden waren niet van plan compromissen te sluiten over de kwestie van de oprichting van Israël.

De Arabische Liga

Na de Tweede Wereldoorlog werden de lidstaten van de Arabische Liga, die in 1945 werd opgericht, door de Britten ertoe gebracht te geloven dat het vooruitzicht van een Joodse staat in Palestina definitief was uitgewist door het Witboek van 1939. Daarom kondigden zij hun aanvaarding van het Witboek aan en keken uit naar het einde van de Joodse poging om Israël in Palestina te stichten. De Joden weigerden zich te onderwerpen aan het Britse dictaat, en hun ondergrondse strijd resulteerde in het opgeven van de Britse macht in Palestina. De Britten verloren de controle. Daarom legden zij het probleem begin 1947 voor aan de Verenigde Naties. De aanbeveling van de VN was om Palestina te verdelen met Jeruzalem als internationaal bestuurde stad. De Palestijnse Arabieren, die 70 procent van de bevolking uitmaakten en 92 procent van het land bezaten, kregen 47 procent van het land toegewezen! (VN-resolutie 181). Dit was duidelijk zeer onrechtvaardig voor de Arabische bevolking van Palestina.

De landen van de Arabische liga verwierpen het verdelingscompromis van 1947 en aangemoedigd en bewapend door de Britten bereidden zij zich voor op oorlog in een poging de zionisten uit te schakelen en de geboorte van de Joodse staat te voorkomen.

In mei 1948 begonnen de omringende Arabische regimes de oorlog tegen de embryonale Joodse staat. De Britten hadden, alvorens hun troepen te evacueren, de landgrenzen geopend zodat manschappen en wapens uit de naburige Arabische landen konden binnenstromen. Tegelijkertijd hadden zij geweigerd een haven voor de Joden te openen, zoals aanbevolen door de Verenigde Naties. Zij handhaafden hun blokkade in de Middellandse Zee om te voorkomen dat versterkingen Israël zouden bereiken. Desondanks leden de Arabische staten een vernederende nederlaag. Aldus werd niet alleen het VN-besluit van 1947 uitgevoerd, maar slaagde Israël er zelfs in nog meer land in te nemen door middel van een veroveringsoorlog. Ongeveer een derde van de Arabische bevolking van Palestina werd uit hun land en huizen verdreven.

De houding van het Amerikaanse imperialisme

De Verenigde Staten kwamen als onbetwiste leiders uit de tweede wereldoorlog. Toch steunden ze in eerste instantie nog de Britse politiek ten opzichte van Palestina. Ze kondigden ook een embargo af tegen de ontluikende Israëlische staat en zagen streng toe op de naleving ervan. Maar de heersende klasse in de VS was verdeeld over deze kwestie. Uiteindelijk won de pro-Israël vleugel en steunde president Truman de vorming van een staat voor de Joden. De redenen om dit te doen waren dat zij plannen hadden om het Britse imperialisme te verzwakken en hun eigen positie in het Midden-Oosten te versterken.

En de Sovjetunie?

Jarenlang bestond de mythe dat de Sovjetunie de zaak van de Palestijnen steunde, maar dat was niet hoe de zaken er aan het eind van de tweede wereldoorlog voor stonden. Het manoeuvre van de Verenigde Staten ter ondersteuning van de oprichting van de zionistische staat Israël had de steun van de stalinisten van het Kremlin, die ervoor stemden in de VN!

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bevond de stalinistische bureaucratie zich in conflict met haar voormalige westerse "bondgenoten" en zocht zij naar steunpunten. Het Midden-Oosten werd aan het einde van de tweede wereldoorlog nog steeds gedomineerd door het Britse en Franse imperialisme. Omdat Groot-Brittannië tegen de oprichting van Israël was, zag de Sovjet-bureaucratie de vorming van de nieuwe staat als een slag tegen de Britten in dit deel van de wereld. Ze gingen zelfs zover dat ze via Tsjecho-Slowakije wapens leverden aan de Joden in Palestina. Zo bewees de stalinistische bureaucratie (onder Stalin zelf!) eens te meer dat haar internationale politiek werd bepaald door haar eigen enge belangen en niet door die van de arbeiders van de wereld. Zo waren zij bereid de rechten van de Palestijnen met voeten te treden, als dit, zoals zij het toen zagen, een verzwakking van het Britse imperialisme betekende.

Imperialistische landen streven altijd hun eigen belangen na. Al de rest (oproepen tot vrede enz…) is hypocrisie. De Sovjetunie onder Stalin was geen haar beter.

Later in de twintigste eeuw

Het begin van de na-oorlogse periode van de twintigste eeuw werd gekenmerkt door de koloniale revolutie, waarbij de voormalige kolonies één na één hun onafhankelijkheid afdwongen van de vroegere imperialistische heersers. Onder Nasser begon het naburige Egypte zich te bewegen in de richting van proletarisch bonapartisme (hoewel het proces nooit werd voltooid en later werd teruggedraaid) en kwam dichter in de invloedssfeer van de Sovjet-Unie. In Syrië kwam een proletarisch bonapartistisch regime aan de macht. Alle andere Arabische regimes waren onstabiel en despotisch. Revolutie stond op de agenda in de hele regio. Onder deze omstandigheden veranderde het Britse imperialisme zijn visie op Israël. Bewust van zijn tanende macht koos het de kant van het VS imperialisme en steunde Israël als de enige echt stabiele basis van het imperialisme in de regio. Dat bleef zo tot vandaag tijdens de vele schermutselingen en oorlogen waaronder de regio geleden heeft. Ook alle andere westerse kapitalistische landen volgden die lijn.

De rol van de PLO

De PLO is de historische organisatie die de belangen van de Palestijnse bevolking verdedigde. Jarenlang verknoeide de partij van Jasser Arafat de heldenmoed van duizenden Palestijnse jongeren in uitzichtloze tactieken van guerilla en individueel terrorisme, zoals de aanslagen op de Olympische spelen van München in 1972. Dit heeft de reactie in Israël alleen maar versterkt en de Joodse arbeiders ertoe aangezet de pogingen van de staat Israël om de Palestijnen te verpletteren, te steunen. De zionisten bleven herhalen dat de PLO de bedoeling had de Joden in zee te drijven. In de jaren ’70 deden meerdere leiders van de PLO inderdaad uitspraken in die zin. Formeel gezien was de PLO-leiding voorstander van een lekenstaat waar Palestijnen en Israëli's samen konden leven. De PLO riep op tot een verenigd Palestina met rechten voor iedereen, dit in tegenstelling tot de Israëlische staat waarin de Arabische inwoners tweederangsburgers zijn. Als we beter zien, merken we dat deze eis voor een "lekenstaat" op zo'n manier werd gesteld dat het in feite neerkwam op het verdrijven van de meerderheid van de Joden.

In 1969 werd het Palestijnse Convenant opgesteld. Artikel 5 zegt: "De Palestijnen zijn die Arabische onderdanen die tot 1947 hun gewone verblijfplaats in Palestina hadden, ongeacht of zij daaruit zijn verdreven of er zijn gebleven. Iedereen die na deze datum uit een Palestijnse vader is geboren - hetzij in Palestina, hetzij daarbuiten - is eveneens een Palestijn". Terwijl artikel 6 zegt: "De joden die tot het begin van de zionistische invasie hun gewone verblijfplaats in Palestina hadden, zullen als Palestijnen worden beschouwd. Dat betekent dat al degenen die daarna kwamen, niet als Palestijnse burgers zouden worden erkend. In artikel 20 staat: "Noch vormen de Joden één volk met een eigen identiteit; zij zijn burgers van de staten waartoe zij behoren.” Uit deze artikelen van het Palestijnse verbond blijkt duidelijk dat het de bedoeling was de overgrote meerderheid van de Joden die toen in Israël woonden te verdrijven.

Natuurlijk was de stichting van Israël als een artificiële zionistische staat en de verdrijving van honderdduizenden Palestijnen een historische misdaad. Dit probleem “oplossen” door honderdduizenden Joden uit te drijven, die er al tientallen jaren woonden was - naast verwerpelijk - volkomen onrealistisch. Militair gezien kunnen de Palestijnen de staat Israël niet verslaan. Het is een machtige imperialistische macht, met een van de modernste en efficiëntste militaire machines. De Joden in Israël zouden niet instemmen met de oprichting van een eenheidsstaat op kapitalistische grondslag. Zij zouden zich bedreigd voelen door de Palestijnen. Er is te veel vijandigheid en wrok om dit nu te laten gebeuren. Op een kapitalistische basis is het een complete utopie.

Ted Grant - de historische leider van onze internationale organisatie (IMT) - had in de jaren ’70 scherpe kritiek op de strategie van de PLO. In plaats van zich te verliezen in een onproductieve guerrilla zou de PLO beter het verzet organiseren vanuit de Arabische bevolking op de bezette gebieden van Westbank en de Gaza strook, tegelijkertijd met een oproep naar de arbeidersklasse in Israël om samen te vechten tegen de kapitalistische uitbuiting, schreef hij. Wat Ted voorspeld had, gebeurde in 1987, toen daar de Intifada uitbrak. De PLO werd er volledig door verrast en speelde geen enkele rol bij de uitbraak van deze volksopstand, waarvan de eerste fase duurde van 1987 tot 1993. In het vervolg daarvan werd de PLO - bij gebrek aan een andere organisatie - toch de vertegenwoordiger van de Palestijnse massa’s in de onderhandelingen.

De twee staten “oplossing”

De intrede van de Palestijnse massa’s op het toneel veranderde volledig de machtsverhoudingen. De Israëlitische staat, die voordien hooghartig elk contact met de PLO had geweigerd, toonde zich opeens bereid tot onderhandelingen. Het Amerikaanse imperialisme bemoeide zich met de zaak, wat uiteindelijk leidde tot de akkoorden van Oslo van 1993. Meestal wordt dit beschreven als de twee staten oplossing, het stichten van een Palestijnse staat op de Westbank en Gaza, naast de staat Israël. Maar dit is een veel te rooskleurige beschrijving van het akkoord. Enerzijds erkende de PLO het bestaan van de staat Israël, anderzijds aanvaarde Israël de PLO als gesprekspartner en als interim overheid in de bezette gebieden. Dat hield echter nog niet de erkenning van een Palestijnse staat in. Dat werd alleen “beloofd” na 5 jaar, nadat hangende kwesties waren onderhandeld, zoals het statuut van Jeruzalem, de Palestijnse vluchtelingen, de Israëlische nederzettingen in Arabische gebieden, de veiligheid en de grenzen. Dat waren al de belangrijkste problemen, die dus niet waren opgelost! Het leidde tot een eindeloos steekspel, waarbij Israël steeds verdere delen van de Palestijnse gebied onder zijn controle bracht. Tot op vandaag heeft Israël de Palestijnse staat niet erkend en gedraagt het zich nog altijd als een ordinaire, wrede bezettingsmacht. Met de “twee staten oplossing” heeft de PLO dus een bocht van 180° gemaakt, enkel maar om terug met lege handen te staan. Een groot deel van het gewone Palestijnse volk is moe en oorlogsmoe. Zij willen verder met hun leven, een huis en een baan hebben. De huidige situatie ontneemt hun zelfs de meest elementaire voorwaarden voor een beschaafd bestaan. Tachtig procent van de economie op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza is afhankelijk van Israël. Nu kunnen de Palestijnen niet naar Israël reizen, waar velen van hen hebben gewerkt. Velen zijn maanden- en jarenlang loon verschuldigd aan hun voormalige Israëlische werkgevers. Zij zoeken een oplossing voor deze problemen en niemand biedt hun een uitweg. Het idee om twee staten te vestigen op kapitalistische grondslag is een reactionaire utopie, net zoals één kapitalistische staat dat zou zijn. Twee totaal onafhankelijke staten op kapitalistische grondslag zullen er nooit komen. De Israëlische heersende klasse zal dit niet toestaan. De oplossing van het probleem kan alleen tot stand komen door de omverwerping van het Israëlische kapitalisme en de omverwerping van de omringende despotische Arabische regimes: dat wil zeggen door een revolutionaire politiek die in staat is de Joodse en Arabische arbeidersklasse te verenigen tegen hun gemeenschappelijke vijand.

Internationalisme

Om dit te bereiken hebben de arbeiders aan beide zijden een internationalistisch perspectief nodig. Zij moeten begrijpen dat hun problemen niet kunnen worden opgelost binnen de nauwe grenzen van hun eigen natiestaat. Zij moeten hun strijd richten tegen de gemeenschappelijke vijand, de kapitalisten en landheren die al deze landen overheersen. De Joodse arbeiders zijn niet de vijanden van de Palestijnse arbeiders, en omgekeerd. De staat Israël valt de Palestijnen aan, terwijl hij tegelijkertijd draconische sociale en economische maatregelen voorbereidt die de Joodse arbeiders zullen treffen. De Palestijnse Autoriteit op de westelijke Jordaanoever werd een elite onder de Palestijnen en begon zich te verrijken ten koste van de Palestijnse arbeiders. Hamas, dat de lakens uitdeelt in Gaza, zijn reactionaire godsdienstfundamentalisten.

Op basis van een socialistisch perspectief voor heel de regio zou het mogelijk zijn een socialistische federatie van het Midden-Oosten op te bouwen, waarbinnen elk volk zowel de grootst mogelijke autonomie als het recht op zelfbeschikking zou hebben. Aldus zou zowel aan de Joden als aan de Palestijnen een thuisland kunnen worden gegarandeerd. Over een periode van jaren zou een socialistische federatie een snelle economische ontwikkeling mogelijk maken. Met banen, fatsoenlijke huisvesting, schoon water, gezondheidszorg, pensioenen voor iedereen, zou het mogelijk zijn te werken aan de oplossing van de nationale kwestie en de harmonieuze samenwerking tussen alle volkeren van het Midden-Oosten. Wie denkt dat dit onmogelijk is, verwijzen we naar het kader waarin beschreven wordt hoe dit bereikt werd in delen van de Sovjetunie en Joegoslavië. Dat werd er verwezenlijkt ondanks een verstikkende Stalinistische bureaucratie, maar wel met een geplande economie. Zoals Lenin lang geleden uitlegde, gaat de nationale kwestie in de grond over brood. Zodra de economische problemen zijn opgelost, zou het nationale conflict over een periode van jaren geleidelijk verdwijnen.

[Annex] Nationale tegenstellingen oplossen

Wij kunnen lering trekken uit de ervaringen van Rusland na 1917. Vóór de revolutie waren er ver-schrikkelijke conflicten geweest tussen de Armeniërs en de Azeri's, met pogroms in Bakoe, enz. Toen de arbeiders aan de macht kwamen, werden twee socialistische republieken opgericht bin-nen de overkoepelende federatie van de USSR. Elk volk had zijn eigen grondgebied. Op basis van een sterke economische groei en een stilte handhaving van gelijke rechten loste de problemen van onderdrukking op. Hetzelfde gebeurde in Joegoslavië. Na het aan de macht komen van Tito werd een federale republiek opgericht met erkende grondgebieden voor de Serviërs, de Kroaten, enz. Een perfecte scheiding van de volkeren is natuurlijk nooit mogelijk [en vanuit socialistisch oogpunt ook niet wenselijk]. Er zullen altijd minderheden zijn. Deze minderheden moeten dezelfde rechten hebben als alle andere mensen die op hetzelfde grondgebied wonen. In het voormalige Joegosla-vië hadden de Serviërs, Kroaten, Slovenen, Macedoniërs, enz. elk een grondgebied dat zij als hun eigen grondgebied konden beschouwen. Op basis van een economische ontwikkeling van onge-veer 10 procent per jaar gedurende een bepaalde periode werden de nationale tegenstellingen doorbroken en konden de verschillende volkeren decennia lang samenleven met een vrij verkeer van volkeren in het gehele voormalige Joegoslavië. De grenzen tussen de verschillende republie-ken waren open. Helaas, op basis van de economische crisis, die voortvloeide uit de wurggreep van de bureaucratie, staken alle oude problemen weer de kop op. Met een stijgende werkloosheid, een hoge inflatie en een algemene verslechtering van de economische omstandigheden werden alle oude etnische conflicten nieuw leven ingeblazen. Toen de Stalinistische regimes implodeerden en er werd teruggekeerd naar het kapitalisme, staken de oude demonen pas goed weer de kop op, met gruwelijke slachtpartijen tot gevolg.

Uitgaande van deze historische voorbeelden pleiten wij dus voor een federale structuur in het hui-dige Israël/Palestina met autonomie voor de Joden en de Palestijnen, met Jeruzalem als hoofd-stad van beide gebieden, binnen een bredere socialistische federatie van het hele Midden-Oosten. Dit zou onvermijdelijk met zich meebrengen dat de meeste Joodse nederzettingen op de West-bank gesloten zouden moeten worden en dat de gebieden die aan beide naties zouden worden toegewezen (delen van het huidige Israël zijn overwegend Palestijns) opnieuw zouden moeten worden afgebakend. Er zouden twee afzonderlijke grondgebieden moeten worden uitgewerkt. Het zou niet mogelijk zijn om twee totaal homogene gebieden te hebben. Er zouden aan beide zijden minderheden zijn, en deze zouden dezelfde rechten krijgen als alle anderen, zonder enige discri-minatie. Een levensvatbare staat voor de Palestijnen zou kunnen worden opgebouwd uit de Wes-telijke Jordaanoever, Gaza en Jordanië (waar 60 procent van de bevolking Palestijns is!), samen met alle delen van het huidige Israël die op een haalbare manier in zo'n staat zouden kunnen wor-den geïntegreerd.

Dit alles kan alleen worden bereikt op basis van een socialistische revolutie waarbij de arbeiders in de hele regio aan de macht komen. Op basis van een dergelijke revolutie zouden de arbeiders deze problemen in der minne en broederlijk kunnen oplossen. Een federale staat zou autonomie voor elk volk inhouden wat betreft het regelen van hun eigen zaken, het recht om hun eigen taal te gebruiken, respect voor alle religieuze overtuigingen, enz. Er zou economische samenwerking zijn tussen de verschillende autonome groepen, die zouden deelnemen aan de ontwikkeling van één algemeen economisch plan voor de hele regio. En natuurlijk zou er vrij verkeer van personen zijn over de grenzen tussen de verschillende autonome gebieden heen.

Tijdschrift Vonk

Layout Vonk 307 page 001coverVonk305Layout Vonk 304 page 001

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken