Op 2 november is het opnieuw zover: presidentsverkiezingen in Amerika. Het is alweer vier jaar geleden dat George Bush de verkiezingen won.

Een ambtstermijn die begon met een schandaal (verkiezingsfraude) stopte vier jaar lang niet met schandalig zijn. Elf september heeft een ware cultuurverandering teweeggebracht. Om die ‘reden’ zijn ze Afghanistan binnengevallen en een tijd later moest ook Irak eraan geloven. Het maakt eigenlijk niet uit hoe ze het verkopen, of het nu de strijd is tegen terrorisme of het gevecht voor democratie, veel mensen hebben ondertussen wel begrepen dat het vooral gaat om de belangen van de grote Amerikaanse multinationals.

De Amerikaanse arbeider/bediende is er de laatste vier jaar niet op vooruit gegaan. Integendeel, Amerika is op dit moment drie miljoen werklozen rijker dan twee jaar geleden. Samen met de werkloosheid stijgt de armoede. Op dit moment leven 34,6 miljoen mensen onder de armoedegrens, dit cijfer is net zoals het werkloosheidscijfer gestegen met drie miljoen.

Bush heeft het klaarblijkelijk niet zo goed gedaan, maar is de man van de Democraten, John Kerry, een goed alternatief? Volgens de peilingen wordt het een nek-aan-nekrace tussen beide kandidaten. Op zich zegt dit al genoeg over de uitstraling die Kerry heeft. De bevolking verliest haar vertrouwen in de regering en toch slaagt de Democratische kandidaat er niet in de overwinning te verzekeren. Een recente peiling van Reuters/DecisionQuest toont dat maar liefst 61 procent van de Amerikanen de afgelopen vier jaar het vertrouwen in hun leiders en instellingen verloor. Bovenaan de lijst van onderwerpen die zorgen voor deze vertrouwenscrisis, staan – uiteraard – de Irakoorlog, de frauduleuze verkiezingen van 2000, de talrijke financiële schandalen (Enron enz.) en ten slotte het terrorisme. Wat opviel in deze peiling was dat bedrijfsleiders het laagste vertrouwen krijgen, 63 procent zei dat ze hen minder vertrouwen. Het geloof in het kapitalisme erodeert onmiskenbaar.

Beide presidentskandidaten kregen de score C (de keuze ging van A tot F). De Amerikanen zien hun leiders dus als zeer middelmatige figuren, niet wat je zou verwachten voor het machtigste land ter wereld. Bush kwam aan deze C doordat zijn scores scherp uiteenliepen tussen A en F, een aanwijzing van de polarisatie in de VS. Kerry van zijn kant kreeg over het algemeen een C, een kleurloos alternatief dus dat weinig inspirerend werkt op miljoenen Amerikanen die een onzekere toekomst tegemoet kijken.

Veel gewone Amerikanen begrijpen dat een stem voor de Democraten weinig of geen verbetering zal brengen. Als ze al gaan stemmen, want ongeveer de helft ziet daar bij de huidige ‘keuze’ geen reden toe. We zouden denken dat een partij die zichzelf ‘democratisch’ noemt ook echt democratische standpunten inneemt. Ze claimen zelfs links te zijn. Maar verdedigen ze dan echt een links programma? Nee! Ook de democraten zijn met handen en voeten gebonden aan de grote bazen van de economie, en ze zijn niet in staat twee meesters te dienen. Erger nog, de meeste van de democratische leiders zijn zelf kapitalistische miljonairs. Ook al lijkt Kerry minder slecht en dus een degelijk alternatief voor Bush, hij is eigenlijk uit hetzelfde hout gesneden. Het gevaarlijke aan de Democraten is dat ze de kunst bezitten zich zachter te profileren dan ze zijn. We mogen ons niet laten misleiden. Kerry is immers geen nieuw figuur in de Amerikaanse politiek, hij zit al twintig jaar in de senaat en nog nooit heeft hij het in zijn hoofd gehaald de kapitalistische klasse uit te dagen. Waarom zou hij dat als president wel doen?

Een groot deel van de werkende klasse heeft het niet begrepen op Bush, hij is immers degene die voor werkloosheid heeft gezorgd. Toch voelen ze ook niets voor het flauwe programma van de Democraten. Anderen zijn dan weer geneigd om voor het mindere kwaad te kiezen en zullen op 2 november wel het bolletje achter Kerry’s naam kleuren. Wat de uitslag van de verkiezingen ook moge zijn, voor de Amerikaanse arbeiders zal er niets veranderen, tenminste niet in de goede richting...

Het enige alternatief is een sterke arbeiderspartij. Een partij die de belangen van de werkende mens dient en niet die van de bourgeoisie. Hét verschil met de Europese politiek is dat in de VS geen grote socialistische partij bestaat. Vandaar dat er ook niet zoiets als een echte welvaarstaat voorhanden is. In de VS heb je enkel de keuze tussen de Conservatieven (Republikeinen) en de Liberalen (Democraten). Een grote arbeiderspartij is nog niet aanwezig in Amerika, maar de nood eraan wordt voor steeds meer mensen duidelijk. Het is nu tijd om dit alternatief te beginnen opbouwen. Het is nu tijd om te vechten voor gratis gezondheidszorg, gratis kwaliteitsonderwijs, volledige werkgelegenheid enzovoort. Want wie de verkiezingen binnenkort ook wint, de situatie zal de komende vier jaar nog verslechteren, en dit zal verkiezing na verkiezing zo gaan tot de arbeiders zichzelf politiek organiseren!

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken